Week 1:
Om voor kinderen te kunnen schrijven moet je met de blik van een kind kunnen kijken. Om dit verschil duidelijk te hebben beschrijf je een plek vanuit het oogpunt van een volwassene, en vervolgens diezelfde plek vanuit het oogpunt van een kind.
Week 2:
Dialogen zijn belangrijk in verhalen in het algemeen en dit geldt nog meer voor verhalen voor kinderen. Een kinderverhaal kan niet zonder dialoog! Daarmee ga je deze week aan de slag.
Week 3:
Elk verhaal begint met een personage. Deze week leer je jouw personages goed kennen en leer je personages terloops typeren. Je schrijft deze week een heldenverhaal.
Week 4:
Kinderen vinden het ook fijn om informatie te krijgen, dat vergeten fictie schrijvers nog weleens. . Deze week ga je aan de slag met het schrijven van een informatief verhaal.
Week 5:
Deze week oefen je met beschrijvingen en werk je aan de opzet van je slotverhaal.
Week 6:
Je bent nu klaar om je slotopdracht te schrijven. Gebruik al je ervaringen uit de eerste schrijfopdrachten. Herschrijven, omgooien, schrappen: wees een kritische eindredacteur voor jezelf, dit is je slotstuk!