Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

​Geen zin

Door Floris van der Pol

Na vijf rondes verstoppertje vielen de eerste regendruppels.

‘Wie als laatste binnen is, is een ezel,’ riep ik naar mijn neefjes en nichtjes. Nog voordat ik mijn zin had afgemaakt bereikte de eerste al de voordeur. In de bijkeuken schopten ze hun laarsjes en schoenen uit en gooiden ze hun jassen op een grote hoop. Ik hielp de allerjongste met het losmaken van haar roze veters. Ze kwam net tot mijn knieën. Daarna deed ik net of ik kramp kreeg en strompelde zo als laatste de woonkamer binnen.

‘Ezel. Ezel. Ezel,’ klonk het van alle kanten. Ze krioelden om mijn benen. Ik kietelde er twee onder de oksels en ze schaterden van het lachen. De rest vluchtte naar hun moeders. Zij zaten in een kring om de bijzettafel, die vol stond met soepkommen, halfgevulde glazen frisdrank, enkele bierflesjes en een grote schaal bitterballen, waar ik de laatste uitpakte. Onder de bijzettafel sliepen twee lapjeskatten op een beige kleed. De derde lag bij mijn oma Bep op schoot. Zowel mijn oma als de kat vertoondetekenen van ouderdom. Kale plekken, slecht ter been, bruine tanden en weinig eetlust waren de meest opvallende. Ook waren ze beiden bijzonder sloom, maar zo waren ze altijd al geweest.

Oma Bep wenkte me dichterbij. Ik plofte naast haar neer op de leren bank en nam een hap van de bitterbal. Gadverdamme, zacht en koud. Ik vroeg hoe het ging.

‘Niet met volle mond praten,’ snauwde ze. Ze leek er zelf van te schrikken. Haar stem werd zachter en veranderde in een treurige melodie. ‘Niet goed Ruben. Helemaal niet goed.’ Ze legde haar hand op die van mij. Haar vingers voelden ijskoud aan, alsof zij degene was geweest die buiten had gespeeld. ‘Ik had gisteren de begrafenis van Wil.’ Ik knikte. De naam klonk bekend, maar ik kon haar niet voor de geest halen. ‘Mijn nicht.’ Daarna noemde ze een reeks namen. Cor. Petra. Hendrik. Nog een Hendrik. Willem. Johannes. Arie. Af en toe mompelde ik ‘ja’, meer uit beleefdheid dan als aanmoediging. ‘Nu acht in een maand. Je kunt je het niet voorstellen. Ik heb meer begrafenissen dan verjaardagen. Je moet vaker langskomen Ruben.’

‘Sorry. Ik wil wel, maar heb het echt heel druk. Examenjaar.’ Ik probeerde mijn hand terug te trekken, maar ze hield stevig vast.

‘Iedereen gaat weg en ik blijf alleen achter. Ik zie je nooit.’ Hoe vaak had ik haar die zin al horen uitspreken… Ik was er toch?

Ik mis Pieter zo.’ Ze had het over mijn opa, die ik alleen van haar eindeloze verhalen kende. ‘Hij was zo lief.’ Mijn moeder weigerde over hem te praten.

Oma Bep ging rechterop zitten. De poes sprong van haar schoot. ‘Hij nam iedere dag bloemen voor me mee,’ zei ze. Haar ogen dwaalden af naar het plafond. Daar hingen slingers, maar ze zag ze niet. ‘Iedere dag, vanaf het moment dat we op school zaten. Niet op dezelfde, dat mocht toen nog niet. In de pauze rende ik altijd naar het parkje waar hij met een zelfgeplukte bos klaarstond.’ Ze zuchtte, en de bijbehorende koffiewalm zorgde ervoor dat ik achteruitdeinsde.

Ik keek de kring rond of iemand mij kon redden. Niemand keek terug. Aan de overkant sprak mijn stiefvader luidkeels met mijn oom over de voor- en nadelen van je ogen laten laseren in het buitenland. Mijn neefjes en nichtjes speelden met Duplo en een knikkerbaan. De allerjongste zat op het puntje van mijn moeders knieën. Ze stuiterde van links naar rechts terwijl mijn moeder steeds luider ‘een boerenknol, een boerenknol,’ zong. De enigen die hun ogen niet afwendden waren de geschilderde katten aan de muur, allemaal het werk van oma’s hand. Een aantal herkende ik van vroeger.

‘Ik ben blij dat er verjaardagen zijn,’ zei ze. ‘Het is allemaal zo erg Ruben. Iedereen gaat dood.’

‘U bent nu op een leeftijd gekomen dat dat erbij hoort,’ zei ik.

‘Dat zegt iedereen Ruben. Je begrijpt het niet. Niemand begrijpt het.’

‘Weet u oma, ik hoop dat ik het nooit zal begrijpen.’

Mijn tante kwam uit de gang, het teken dat de wc vrij was.

‘Excuseert u mij.’

‘Ik spreek je zo nog wel Ruben.’ Ze liet me los. Op de wc verloor ik me in een WhatsAppgesprek met een vriendin. Iemand klopte op de deur.

‘Gaat het?’ Het was mijn moeder.

‘Ja hoor. Ik ben bijna klaar.’

‘Wat heeftBep nu weer gezegd?’

‘Niets mam. Ik moest poepen. Nou goed?’ Ondertussen waste ik mijn handen.

Toen ik terugkwam had mijn oma mijn tante ingesloten en was de schaal met bitterballen aangevuld. Deze waren wel warm, veel te warm zelfs. Tien bitterballen later kondigde mijn tante als eerste haar vertrek aan.

‘Nu al?’ vroeg oma Bep.

‘Helaas. De honden zitten nog thuis.’

De rest volgde snel en dat was ook voor mijn ouders het teken om afscheid te nemen. Bij het afscheid drukte Bep iedereen op het hart om haar spoedig weer te bezoeken. Iedereen beloofde zijn of haar best te doen. Ik ook.

‘Dat zou ik fijn vinden,’ zei ze terwijl ze me drie kussen gaf.

We renden door de stromende regen naar de auto en reden achteruit de oprit af. Door het raam zag ik haar alleen in de bijkeuken staan, zwaaiend. Ik zwaaide terug. Ze glimlachte, maar dat kan ook mijn verbeelding zijn geweest.

‘Waarom gaan we eigenlijk niet wat vaker naar haar toe?’ vroeg ik.

‘Serieus?’ Mijn moeder draaide zich om. ‘Je weet zelf hoe dat gaat met haar, ze vindt vooral zichzelf zielig. Alles draait om haar. Heeft ze ook maar een keer gevraagd hoe het met jou gaat?’

‘Nee, en dat weet ik ook wel, maar toch… Ik snap het wel, ze heeft verder niemand. En ze is toch mijn oma,’ zei ik.

‘Ze manipuleert je gewoon. Ze heeft genoeg vrienden hoor, waarom denk je anders dat ze zó veel begrafenissen heeft?’

Daar had ik niets tegenin te brengen.

‘Martha, alsjeblieft,’ zei mijn stiefvader. Via de achteruitkijk spiegel keek hij me aan. ‘Je mag best langsgaan hoor. Ik kan je wel een keertje brengen.’

‘Oké, bedankt.’

Mijn moeder zette de radio aan en draaide het volume omhoog.

En toen? Toen gebeurde er heel lang niets. Er was altijd een reden om niet te gaan. Leren voor toetsen. Een voetbalwedstrijd. Een verjaardag van mijn beste vriend. Een dagje Walibi. Geen zin. Een verjaardag van een andere vriend. De halve finale van de Champions League. De finale.

Nog een verjaardag.

Het was nog licht buiten en ik danste als een bezetene op de houten vloer van een afgehuurd scoutinggebouw. In mijn hand een baco. Ik was de tel kwijt. Een blond meisje met een rood zomerjurkje lachte naar me en ik stelde me voor. Ik kon haar niet verstaan maar knikte toch. Het maakte allemaal niet uit. Net toen ik haar wilde zoenen voelde ik mijn telefoon trillen. Het was mijn moeder. Ze belde nooit. Ik zwalkte het bos in en plofte neer op een afgezaagde boomstam. De muziek was nauwelijks meer hoorbaar.

‘Mam, beter is dit belangrijk.’

‘Heb je gedronken?

‘Ja, nou en? Alsof jij dat vroeger niet deed.’ Ik viel bijna achterover.

‘Ik kom je halen.’

‘Dit is zo oneerlijk. Ook echt maar twee biertjes.’

‘Nee, daar gaat het niet om Ruben. Het gaat om Bep,’ maar na het uitspreken van haar moeders naam stopte ze. ‘Ze…’ Een deur sloeg aan haar kant van de lijn dicht, en weer bleef het stil.

‘Ja?’

Er kwam niks.

‘Mam? Wat is er met oma?’ vroeg ik zachtjes. Een druppel zweet droop van mijn oksel naar mijn heup.

‘Ze heeft een hartaanval gehad.’

De dienst vond plaats in de kerk tegenover haar huis. De hele familie was er. Mijn neefjes en nichtjes waren ontroostbaar. De allerjongsten begrepen het niet, maar kopieerden het gedrag van hun broers en zussen en waren daarom zelfs meer van slag. Mijn tantes keken noch boos, noch verdrietig, hooguit licht geïrriteerd. Verder waren er veel vrienden van mijn oma aanwezig. Ze hadden ongeacht hun geslacht allemaal kort grijs haar. Velen kwamen me condoleren.

‘Wat ben je groot geworden,’ zeiden ze allemaal, net alsof ze het hadden afgesproken.

Ik kende ze niet, maar schudde hen toch de hand.

Het was tijd om gedag te zeggen. In een lange rij bewogen we als een homogene zwarte massa langs de eikenhouten kist waarin ze lag opgebaard. Op haar kist stond een zelfportret met haar poezen, daarnaast een bloemenkrans.

Ineens was ik aan de beurt, net alsof iedereen voor mij gewoon was doorgelopen. Het was de laatste keer dat ik iets kon zeggen, en de eerste keer dat ze niets terug zou zeggen.

‘Sorry,’ fluisterde ik.

Mijn moeder legde haar hand op mijn schouder, gebarende dat ik door moest lopen. Er waren nog meer mensen die afscheid wilden nemen.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam