Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

​Wederdienst

Door Werner de Valk

Ze belt vaker rond deze tijd. Dan is ze in bed gekropen en wil ze me half in slaap nog even welterusten wensen. Terwijl we bellen dommelt ze dan in.

Maar ik neem niet op, want nu belt ze daar niet voor. Wie weet wil ze me om toestemming vragen.

Stel je voor: ze zijn een wijntje gaan drinken en nog een. Ze praten over hoe hun Tindergesprekken gingen en Gwen raakt haar aan, raakt mijn Alma aan. Ze staan bij de bar, klaar om af te rekenen, hebben hun jas nog niet aan. Gwen leunt naar Alma toe en hun borsten raken elkaar. Gwens borsten tegen de borsten van mijn vriendin. Gwen vraagt of ze mee gaat, waarop Alma begint te lachen,net zoals ze lacht als ik in het openbaar refereer aan wat we die avond daarvoor hebben gedaan. Dan giechelt ze, omdat ze het weer voor zich ziet, en omdat ze zin heeft in meer. Die manier van giechelen, die hoort Gwen nu.

Gwen vraagt mijn vriendin mee naar haar huis en dan denkt Alma ‘ja’, maar ze denkt ook aan mij. Tot ze zich realiseert dat ze het me even kan vragen, of ik het echt goed vind.

Ik doe mijn mobiel uit.

En dan doe ik hem weer aan want godverdomme, natuurlijk wil ik haar dit geven. Ik wil haar de hele wereld geven. Als de hele wereld voor haar is om een keer met een vrouw te slapen, dan gun ik haar die wereld.

Natuurlijk gun ik haar dat, want ze is blijven luisteren, ook nadat ik vertelde over mijn vader. Ze wilde zelfs meer horen, moedigde me aan. Als ik vertelde zag ze iets veranderen in mijn gezicht, zei ze, elke keer ontspande er een nieuw spiertje.

Ze vroeg: ‘Zagen jullie echt helemaal niets meer van hem?’

We zaten in mijn raamkozijn en keken uit over de straat. Het was vrijdagavond. Het raam was niet zo breed, maar als ik met mijn rug tegen het kozijn leunde, met mijn benen wijd, kon zij er net tussen. Als een kamasutrastandje, of Twister. Zij zat met haar rug tegen mijn borst. Het was iets te koud, maart nog, dus ik had mijn woning afgezocht naar een deken. In een kast had ik er een gevonden, prikkend en rood, die ik over ons heen had gelegd.

Ik antwoordde: ‘Soms een glimp.’

‘Wil je erover vertellen?’

Dat lukte niet meteen. Mijn lichaam zette zich eerst schrap voor de zwarte troep die boven zou komen drijven en waar ik in zou verdrinken. Maar ik bleef er niet in, ik kroop tegen haar aan het liet het door me heen stromen. In die stroom zag ik mezelf als tienjarige jongen, mijn vader ziek zonder dat er sprake was van een virus of een infectie. Ziek in zijn gedachten. Hij was ineens verdwenen, teruggetrokken in zijn slaapkamer, vechtend met een monster dat we niet begrepen.

Ik vertelde Alma hoe ik een keer nietsvermoedend naar de woonkamer sjokte, op zoek naar een boek dat ik aan het lezen was. Ik had heel mijn slaapkamer overhoopgehaald maar niets gevonden, dus moest het daar liggen.

Hij liep heen en weer, met zijn handen wreef hij over zijn hoofd. Ik vroeg of hij wist waar mijn boek lag.

‘Nee,’ zei hij.

‘Heb je hoofdpijn?’ vroeg ik.

‘Nee. Ik heb paniek.’

Eerst dacht ik dat het een grapje was, of toneel, een droom, de reclame. Maar toen zag ik zijn ogen en die kende ik niet van tv.

Ik liep naar de keuken. Mama stond te koken en ik ging de tafel dekken. Ik haalde een bord uit de kast en legde hem op zijn plaats. Mama liep even naar de gang om iets uit de kelder te pakken. Iets minder krampachtig pakte ik nog een bord uit de kast en legde hem op tafel. Als ze door de woonkamer ging zou ze papa zien.

Ze keek op de terugweg naar hem en ging de keuken weer in.

Ze goot de spaghetti af. Ik pakte glazen.

We hoorden hem naar adem happen.

‘Kan je naar hem toe gaan?’ vroeg ik.

Ik legde het bestek veel te netjes neer, de vorken links, de lepels rechts. Ik hoorde een gesmoorde gil – hoog maar van hem. Mama schudde de pasta uit het vergiet terug in de pan en liep naar de woonkamer.

Nog een keer, nog rechter nu, legde ik het bestek op zijn plaats. Ik wisselde een bord om, pakte glazen, voor de wijn en voor water, maar ik moest kijken. Voorzichtig naar de woonkamer.

Ze zat naast hem. Raakte hem niet aan.

Hij vertelde dat hij met een psychiater had gebeld. Een oude vriend die hem had aangeraden om te proberen of pillen zouden helpen. De vriend had hem gevraagd langs te komen, anders kon hij niks voorschrijven. Maar dan moest papa naar buiten.

‘Ik kan het niet,’ zei hij.

Niemand zei iets. De klok leek zelfs gestopt te zijn met tikken. Ik voelde mijn lichaam niet meer.

‘Dat hoeft ook niet,’ zei mama.

‘Nee?’

‘Als het nu te veel is om daarheen te gaan, hoeft het niet. Het kan ook later.’

Ja. Alma mag met iemand anders naar bed, voor een keertje. Noem het een wederdienst. Want toen ik was uitgepraat keek ze me alleen maar aan en zei: ‘En toen?’

‘Toen zakte hij verder weg,’ zei ik. ‘Uiteindelijk lag hij alleen nog maar in bed, te trillen.’

Een keer ging ik samen met mijn broertje naar hem toe, in die slaapkamer. Mama had ons onze lievelingspop meegegeven, die konden we dan vasthouden voor als we het eng vonden. In mijn rechterhand zat het linkerpootje, Remi hield het andere pootje vast.

‘Hoi,’ zei Remi.

‘Hoi,’ zei papa. Rustig, heel erg zacht.

‘We wilden zeggen dat we van je houden,’ zei Remi.

Ik wist niet wat ik moest zeggen.

Papa keek me aan. ‘Je moet zeggen dat het goed komt.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Het komt vast goed.’ Dat wist ik natuurlijk niet zeker. Misschien werd het wel erger, hing hij zichzelf op. Ik was bang dat je dat kon horen in mijn stem.

We liepen weer weg, maar op de gang bedacht ik me. Ik zei Remi dat ik even alleen wilde gaan.

Ik ging zitten op mama’s matras. Omdat ik niet hoger wilde zijn en hij zich nog kleiner zou voelen, schoof ik naar beneden. Hij vroeg of ik zijn hand wilde vasthouden. Ik pakte hem voorzichtig vast. Warm. Licht bezweet, maar niet meer dan een normale warme hand.

Zo lagen we in bed. Ik vroeg me af of het hielp. Eigenlijk wilde ik zo eerlijk als Remi zeggen dat ik van hem hield. Eigenlijk wilde ik hem omhelzen en hem op mijn schouders leggen en uit zijn dal sjouwen, maar ik kon het niet. Ik liet zijn hand los, hij keek me nog even lief aan, en ik vertrok.

Ik wil Alma graag dit avontuur geven. Dat gun ik haar. Want toen ik opnieuw uitgepraat was, zei ze: ‘zullen we naar bed gaan?’ en ik knikte.

Ik kon nooit slapen als mensen me aanraakten. Het gaf me het gevoel dat ik niet mocht bewegen. Het begon te branden op de plek waar we elkaar aanraakten en ik kon me alleen nog daarop concentreren. Dus rolde ik altijd van ze weg. Totdat zij kwam. Bij Alma probeerde ik of ik kon slapen als we tegen elkaar aan lagen.

Die avond lukte het, vielen we hand in hand in slaap.

Ik pak mijn telefoon en bel haar terug.

Ze neemt bijna meteen op. ‘Hoi, mijn lieve liefste,’ zegt ze.

‘Ik wilde even zeggen dat ik je graag dit avontu…

‘– wat zeg je? Ik kan je niet goed verstaan.’

Ik luister naar de geluiden op de achtergrond. Muziek. Stemmen. Een vrouw die lacht, aantrekkelijk lacht.

‘Waarom belde je?’ vraag ik.

‘O, ik wilde je nog even een goede nacht wensen.’

‘Wat lief. Jij ook welterusten,’ zeg ik.

‘Maar ik ga nog niet slapen,’ lacht ze, en dan hangt ze op.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch