Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

30 april 1980

Door Eus Wijnhoven

In de krant was gewaarschuwd voor rellen. Tienduizend politiemensen zouden worden ingezet, waarvan een deel undercover. “We kunnen er dus van uitgaan dat de politie alles onder controle heeft en die krakers in toom houdt,” aldus De Telegraaf journalist Jacques Fahrenfort. Het bracht een spanning in Arnold teweeg, beelden uit het verleden kwamen boven, vechtpartijen rond Kerstmis in de Alberdingk Thijmstraat, Den Haag. De Volkswagens die met grote snelheid vanaf de Schimmelweg en de Alberdingk Thijm kwamen aangereden. Was dat de reden dat hij ondanks de waarschuwingen van de overheid – In verband met mogelijke ongeregeldheden tijdens de kroning, adviseren wij u met klem niet naar Amsterdam te komen – toch had besloten naar de hoofdstad te gaan?

Al om negen uur die ochtend waren de zitplaatsen in de trein bezet. Er heerste een uitgelaten stemming, mensen schreeuwden door elkaar. Sommigen hadden spandoeken bij zich. Er werd bier gedronken uit blik. Naarmate de trein Amsterdam naderde was er nauwelijks meer plaats om te staan.
Op Amsterdam CS wemelde het van de mensen. Alternatieven, punkers. Publiek dat zo maar naar een concert zou kunnen gaan, een optreden van The Clash, The Stranglers of Iggy Pop. Overal politiepetten, dat ook. Op het Rokin begonnen mensen te rennen, politiesirenes loeiden. De ruiten van Vroom en Dreesmann moesten het ontgelden en betogers namen alles uit de etalage mee: colbertjasjes, beenwarmers, boeken. Een jongen met een hanenkam droeg in zijn armen een complete paspop, gehuld in een lichtgrijze mini-jurk. Op de Dam stonden oudere mensen met vlaggetjes, oranje lintjes. Arnold liep richting Spui. Bij Vrankrijk stond een groep krakers. Ze waren te herkennen aan de Dr. Martins die zij droegen, aan hun met studs behangen korte leren jacks. En er waren meelopers, heel veel meelopers. Sommige jongeren droegen motorhelmen, anderen hadden Palestijnse shawls voor hun mond, rood of zwart geblokt. Met overslaande stem brulden jongeren: ‘Kein Haus, kein Claus.’ Gebalde vuisten werden in de lucht geheven. ‘Bibikov for President’ werd gescandeerd.

Mike von Bibikov stond op een bakfiets. ‘Ik ken je niet verstaan!’ schreeuwde hij met een Rotterdams accent door de megafoon, gevolgd door: ‘Den Haag uit Amsterdam! Wíj bepalen wat hier gebeurt, niet de elite op het Binnenhof!’ Met een klapperpistooltje in zijn linkerhand zweepte hij het publiek op. Vol bewondering keek Arnold naar de in een lange leren jas gehulde gestalte, een leren hoed op diens hoofd, naar die slanke man met zijn ingevallen gelaat. Iemand drukte Arnold een vel papier in zijn handen en schreeuwde: ‘Geen woning, geen kroning.’ De kreet zwol aan, werd overgenomen: ‘GEEN WONING, GEEN KRONING.’ Oorverdovend. Von Bibikov liet langzaam zijn blik over de menigte glijden. Hij zag dat het goed was. Nog nooit had hij zoveel aandacht gekregen als vandaag. Carpe diem, hij moest dit moment ten volle benutten. ‘Naar de Dam!’ dirigeerde hij. Een jongeman ging op het zadel van de bakfiets zitten. Hij zette zijn voeten op de pedalen, staande kwam hij moeizaam op gang. De meute wachtte tot de bakfiets van Von Bibikov vooraan stond. De fietser had inmiddels een traag tempo te pakken. Von Bibikov keek recht vooruit, als een generaal die zijn troepen aanvoert. ‘De Dam!’ Het volk volgde, ‘Bibikov for President!’ Politieagenten stonden in de stegen die van de Spuistraat naar het Damrak leiden, de Molsteeg, de Mosterdpotsteeg. Ze negeerden de mars, of deden alsof. Wij hebben nu de macht, dacht Arnold, vandaag zijn wij onoverwinnelijk. Hij griste een pet van het hoofd van een agent en zette hem op. Voordat de politieman hem kon pakken, werd Arnold een steeg in getrokken.
‘Volg me,’ zei de onbekende, en ze renden een hoek om waar de jonge man een metalen deur opende. Ze glipten een binnenplaats op. Terwijl ze hijgend met hun rug tegen de deur stonden, begon de vreemdeling besmuikt te lachen. Hij rommelde in de binnenzak van het verfomfaaide colbertje dat hij droeg en wees op een muurtje. Nadat hij een papiertje had opengevouwen, rolde hij een kokertje van een blauw tienguldenbiljet. Met zijn linker wijsvinger drukte hij een neusgat dicht en snoof via het andere het witte poeder op. ‘Hier, neem ook wat. De komende uren zullen vermoeiend zijn…’ Hij haalde luidruchtig zijn neus op en schoof Arnold het pakje toe, ‘… dit spul doet wonderen.’
Arnold wilde zich niet laten kennen. Met het bankbiljet nam hij twee snuiven, in ieder neusgat een. Daarna voegden zij zich in de joelende massa.

Een jongen van zijn leeftijd duwde hem een pamflet in zijn handen.

Stembiljet Reagering
□ Ja, ik vind dat een burgemeester democratisch gekozen moet worden door de bevolking.

□ Ja, ik vind dat het hoog tijd wordt voor een nieuwe politiek die de problemen met voortvarendheid aanpakt.

Ja, ik ben voor afschaffing van de crisis.

Ja, ik vind dat er genoeg werk is voor de gehele wereldbevolking voor duizend jaar (alleen al het opruimen van de rotzooi die we gemaakt hebben).

Ja, ik vind dat de gezondheidszorg genationaliseerd moet worden en gratis moet zijn.
Ja, ik ben voor een speculatievrije gemeentelijke huizenmarkt.

Ja, ik ben voor een vrije (en storingsvrije) ether voor radio en tv.
Ja, ik vind dat Amsterdam de wereldstad moet blijven in een kernwapenvrije wereld!

□ Ja, ik ben het eens met één van bovenstaande punten en daarom stem ik Von Bibikov, Burgemeester van AMSTERDAM.

Tot de Dam gebeurde er niets bijzonders. De bakfiets voorop, Mike von Bibikov die nu zelf ‘Bibikov for President’ scandeerde door zijn megafoon. Deze leuze sloeg beter aan dan “geen woning, geen kroning”. Dat was ten slotte een open deur. Maar Bibikov for president? Zijn Reagering was uit op het burgemeesterschap van Amsterdam. Nooit had hij overwogen de landelijke politiek in te gaan. Kijk nu eens, wat een aanhang! Uniek, uitzonderlijk. Dit was zijn moment. Bibikov for President. Waarom ook niet? Als het volk zich keerde tegen een nieuwe koningin, zoals vandaag gebeurde, was zijn tijd misschien wel gekomen. En als het volk hem op de troon wilde hijsen, zou hij niet aarzelen. ‘De Reagering!’ Daar op die bak van de fiets, uitkijkend over misschien wel duizend mensen die zich hadden aangesloten, voelde Mike Von Bibikov zich machtiger dan ooit tevoren. Als hij eenmaal president was, zou hij er een gedicht over schrijven, een vlammend epos. Een nieuw volkslied ook, waarin vrijheid de rode draad zou vormen. Terwijl de mensen om hem heen zijn naam nog steeds scandeerden, begon hij in gedachten te schrijven: Wij laten ons aan niets gelegen liggen. De Reagering zal vrijheid, gelijkheid en broederschap realiseren. Woningen voor álle jongeren. De bureaucraten uit hun ivoren torens ranselen, hun bankrekeningen plunderen, hun dochters verkrachten. Vooral dat van die dochters vond hij mooi, Von Bibikov. Hij was toen 34. ‘Wij beloven niets en daar houden wij ons aan!’

Aan een gevel hing een vlag. Rood, wit, blauw. Voordat hij besefte wat hij deed, had Arnold de vlag gestolen. De politie voerde charges uit, gehelmde mannen met wapenstok en open legerjeeps. Arnold bleef staan. Het was alsof ze hem over het hoofd zagen. Hij was niet belangrijk genoeg. Daar stond hij: een jonge kerel met een politiepet, vliegeniersbril, bruin leren jasje, strakke zwarte spijkerbroek en witte gympen. En dan die vlag aan een mast van wel drie meter lang. Hij was één met hen, één van de overwinnaars, van de jeugd die de toekomst in eigen hand nam, van het volk dat niet meer met zich lieten sollen. Hij hoorde erbij.

Van alle kanten kwamen de agenten, ze sloegen wild om zich heen. Von Bibikov was in geen velden of wegen meer te bekennen. De betogers lieten zich niet onbetuigd. Politie te paard werd belaagd, enkele demonstranten sloegen de dieren met zwepen voorzien van scheermesjes; ze hadden het op de benen gemunt. Een paard gleed onderuit en de berijder werd door demonstranten in elkaar getrapt. Het dier hinnikte panisch, slaagde erin overeind te komen, en zette het op een lopen. Straatstenen vlogen door de lucht, brandjes laaiden op. De mobiele eenheid voerde charges uit. Gehelmde mannen mepten met hun lange latten naar iedereen die zich in hun buurt bevond. De massa week uiteen, de betogers maakten zich uit de voeten. Arnold bleef staan, de vlag over zijn rechterschouder. Om hem heen laaiden vlammen op, razend vuur. Toen zag hij de duif, een grijsblauwe postduif. Enkele keren trok het beest zijn roze pootjes in, alsof die met een heet voorwerp kort werden aangeraakt. Daarna viel het kopje opzij, sloten de oranjebruine ogen zich. Groter dan koeienogen waren ze op dat ene moment voor Arnold, de prijswinnaar van zijn opa, zijn opa die postduiven hield, was hier door een steen geveld, zo voelde het. Genoeg, godverdomme, wat doe ik hier, dacht hij.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch