Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Aangenaam?

Door L.F. Floretta

Aangenaam? L.F. Floretta

Beste Paul,

Sinds enkele weken is er een nieuwe patiënt op de afdeling. Je weet, ik schrijf niet graag in detail over de patiënten, maar dit is een uiterst wonderlijk geval. Onze kennismaking bijzonder onaangenaam. Hij schuifelt al een uur over de afdeling rond, alvorens hij zich aan me voorstelt. Een forse, doch hoogst elegante man. Zijn lange, grijze haar strak naar achteren gekamd in een knot. Zijn weelderige baard uitermate grondig verzorgd. Zijn keurige voorkomen verhult dat hij iets mankeert. Althans… tot die ferme handdruk. Zijn priemende ogen kijken me doordringend aan als hij zich voorstelt. Hij stelt zich voor als zijnde mij! Niet slechts een naamsgelijkenis. De beste man gelooft werkelijk waar dat hij mij ís. Je leest het goed, vriend, hij beweert mij te zíjn! Ongelofelijk niet? Maar ik weet wie ik bén, hier en nu. Dus weet ik ook dat hij onmogelijk míj zal kunnen zijn.

Sindsdien geeft hij blijk van een enorme hoeveelheid kennis over mijn persoon. Alsof hij mijn leven bestudeerd heeft als ware het het zijne. Mijn verleden feilloos reproducerend als ware hij een ooggetuige. Hij kent mijn familie en kompanen. Zelfs jou, Paul. Hij weet je zo treffend te omschrijven. Ik zou het zelf niet beter kunnen! Mijn herinneringen omschrijft hij zo levendig. Alsof hij tot doel heeft mij aan het twijfelen te brengen aan mijn eigen identiteit. Met name de relatie met mijn vader lijkt hem zeer te fascineren. Begrijpelijk… Het is immers niet de minste. Ik vermoed dat zijn vereenzelviging met mij daar wel eens zijn oorsprong zal kunnen hebben.

We lijken een vreemd soort connectie te hebben. Een wonderlijk fenomeen, want tot zijn komst op de afdeling heb ik deze man nooit eerder ontmoet. Hoe kan deze vreemdeling zo veel over mij weten? Mogelijk beschikt hij over telepathische gaven, waardoor hij slechts mijn brein hoeft te raadplegen om de juiste informatie te reproduceren. Dat, óf hij is obsessief als een stalker met mij bezig geweest, jarenlang en zonder dat ik er erg in had. Die laatste gedachte verwerp ik. Wellicht is hij gek, maar hij is verdraaid vriendelijk en respectabel.

Uiteraard probeer ik hem met zijn misvatting te confronteren. Echter, alleen al de suggestie dat hij mogelijk niet míj is, doet hem hardnekkig ontkennen. Hoewel het debat rondom de kern van mijn bestaan me intrigeert, blijf ik me verbazen over zijn koppige claim op mijn identiteit. Terwijl hij erkènt dat het onmogelijk is dat twee individuen dezelfde kern bevatten, blijft hij volharden.

Sindsdien dringt het vage vermoeden zich op dat de beste man last heeft van wanen. Als hij zijn overtuiging los zou kunnen laten, zou hij werkelijk weten wie er tegenover hem zat. Dan zal hij toch moeten erkennen dat ik bén wie ik bén. Je begrijpt, Paul, het is voor mij een ware uitdaging hem te genezen. Hem te verlossen van zijn wanen. Te bevrijden van de gedachte mij te zijn. Ik zal hem ervan moeten overtuigen dat er slechts één ware versie van mij bestaat. En dát ben ík.

Na diverse pogingen en overpeinzingen, keer ik op mijn schreden terug. Mogelijk is de beste methode om het over een andere boeg te gooien. Is de beste tactiek hem te verlossen, door hem de ruimte te laten in zijn overtuiging te kunnen blijven. Zodoende zeg ik hem dat ik hem geloof wanneer hij zegt dat hij dénkt mij te zijn. Ik geloof in de oprechtheid van zijn overtuiging. Echter, kán ik niet anders dan zijn waarheid ontkennen. Voor mij is hij slechts een platonische schaduw. Een afspiegeling van zijn ware voorbeeld, tot in de eeuwigheid. Ik bedank hem voor zijn enorme toewijding aan mijn wezen. Ik beschouw het als een grote eer. Terneergeslagen zwijgt hij. Sinds dat gesprek verlopen de conversaties met de patiënt grimmig en moeizaam. Alsof hij een doel heeft dat maar niet op gang lijkt te komen. Het frustreert hem.

Ik vermoed dat het zijn opgebouwde frustratie is, die ochtend aan de keukentafel. Ik zit rustig aan het ontbijt met de patiënten als hij totaal door het lint gaat. Alle zelfbeheersing van zijn gewoonlijk zo respectabele voorkomen verliezend. Hij raast en tiert dat hij en ik niet dezelfde zijn. Schreeuwt dat ik zijn bestaan niet kan ontkennen. Dat ik, na onze ontmoeting, onmogelijk vast kan houden aan mijn overtuiging hém te zijn. Dat ik hem moet zien voor wie hij werkelijk is. Woedend trekt hij het tafelkleed van de tafel en daarmee ook alle ontbijtspullen. Het beleg uitgesmeerd over het tafelblad. In blinde woede slaat hij op tafel. Zijn hand recht in de aardbeienjam. Verbaasd bestudeert hij de rode gelei op zijn handpalm. De aanblik van de rode vlekken doet hem krijsen van paniek. Hij schreeuwt alsof de jam hem pijnigt. Totaal niet meer voor rede vatbaar die man! Stilletjes glip ik naar buiten, gezien mijn aanwezigheid de oorzaak lijkt te zijn van zijn woede-uitbarsting. Door het raam zie ik nog net hoe drie medewerkers hem naar de isoleercel begeleiden.

Na zijn verblijf in de isoleer lijkt de patiënt weliswaar versuft, doch niet minder overtuigd van zijn gelijk. In de rust van zijn cel heeft hij een nieuwe techniek bedacht om mij van mijn ongelijk te overtuigen. Mogelijk duidt zijn overtuigingsdrang op enige vorm van zelftwijfel. Een wanhopige poging tot zelfbehoud. Zijn identiteit ontlenend aan de overtuiging van een ander. Dat zou betekenen dat ik hem aan het wankelen heb gebracht, puur en alleen door mezelf te zijn én te blijven. Steeds als ik hem passeer hoor ik hoe hij medepatiënten toe fluistert: “bedrieger.”

Totaal ongepast in zijn positie! Zowel jij als ik weten, Paul, dat niet ík maar híj de ware bedrieger is!

Een valse profeet! Een charlatan die probeert af te leiden van mijn werkelijke kern… mijn bestaan… mijn ware boodschap…. Slechts ík en alléén ík ben de uitverkorene.Ik moet hem genezen, Paul, zowaar ik Jezus Christus van Nazareth ben, zoon van god.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch