Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Alicia

Door Gijs Smit

Het was een uur of vier. Alicia had de laatste twee uur vrij en zat huiswerk te maken op haar kamer – vermoedde ik – en ik was in de huiskamer een boek aan het lezen.
‘Pap, je moet met me meegaan.’
Ik keek op. In de deuropening stond Alicia. Ik legde mijn boek weg. ‘Natuurlijk,’ zei ik, en ik stond op.
‘Je moet wel je ogen dichtdoen.’
Ik vond dat een vreemde opdracht. Wilde ze een spelletje spelen? Ik onderdrukte mijn eerste impuls – ik leek de laatste tijd het contact met Alicia verloren te zijn, ik moest nu niet flauw doen.
‘Je moet het beloven.’
‘Goed,’ zei ik. ‘Ik doe mijn ogen dicht. Beloofd.’

Alicia pakte mijn hand en leidde me mee. Onzeker schuifelde ik achter haar aan. Ik probeerde te bepalen waar ik liep, maar al snel gaf ik dat op. Ik had tegen een muur aan moeten lopen, over een stoel moeten struikelen, maar dat gebeurde niet. Ik bleef mijn ogen wel dichthouden, want dat had ik beloofd.
Plotseling hield Alicia stil. Ze kneep licht in mijn hand. Ik deed mijn ogen open en zag dat we in een kamer waren die ik niet kende. Muren met warme kleuren, afgeronde hoeken, kleed over de grond. Dit was niet Alicia’s kamer. Trouwens, we waren echt geen trap opgegaan. Waar zijn we, wilde ik vragen, maar Alicia hield een vinger voor haar mond. Ik keek de kamer rond en zag een meisje in de hoek van de kamer. Ze was een koffer met spullen aan het doorzoeken en had niet door dat wij er waren. Ik keek verrast naar Alicia, en toen weer naar die hoek. Het meisje draaide haar hoofd, zag ons en keek me verrast aan. Ze herpakte zich snel en richtte haar blik op Alicia. ‘Bitch,’ zei ze, ‘hoe kan je?’ Alicia keek onbewogen terug.

Op dat moment verscheen er nog een meisje. Een hoofd stak om de deurpost heen, zag me, vervormde in iets wat op paniek leek, en verdween weer. Het eerste meisje had het gezien en wierp een woedende blik op Alicia. ‘Zie wat je aanricht,’ siste ze. Toen rende ze de deur door achter het andere meisje aan.
Alicia was stil, en ik wist ook even niet wat ik moest zeggen. Ik wees naar de deuropening. ‘Alicia,’ stamelde ik, ‘Ben jij…? Was dat…?’
Alicia legde haar vinger weer op haar lippen. Ik was stil. ‘Je moet me volgen,’ zei ze.
Ik aarzelde. ‘Ik wil weten wat…?’
‘Kom,’ zei ze. Gebood ze.

Ik volgde haar door een andere deur en werd op slag duizelig. Ik voelde geen grond, maar ik zakte ook niet weg. Ik zweefde. Of zwom. De lucht was stroperig troebel – noem je dat zo? – en ik kon maar een paar meter zien.
‘Alicia,’ riep ik.
Ze keek om. ‘Volg me maar.’
Ik probeerde naar haar toe te gaan, lucht weg te duwen, maar het lukte me niet.
Alicia keek me even aan, pakte toen mijn hand, en trok me mee. Op dat moment zag ik hoe groot ze al geworden was, hoe ze op haar moeder leek.
‘Hoe doe je dat?’ vroeg ik. ‘Ik bedoel, zonder houvast, zonder te zien waar je heengaat.’
Alicia glimlachte. ‘Je leert het,’ zei ze, ‘en dan gaat het vanzelf. Toen jij zo oud was als ik, kon je dat toch ook?’
‘Ik ben hier nooit geweest,’ zei ik.
‘Iedereen komt hier toch langs,’ zei ze. ‘Kom, we moeten daarheen.’
Ze trok me weer verder, en ik dacht terug aan vroeger, toen ik jong was. En dat ik Alicia nooit iets verteld heb over mijn jeugd. En dat ik dat toch eens moet doen.

‘We zijn er,’ zei Alicia zachtjes. We stonden bij een gebouw. Er was weer gewoon zicht en grond onder de voeten.
Alicia bukte zich en raapte een baksteen op van de grond. ‘Hier,’ zei ze. Ik pakte de steen aan. Hij was zwaar.
We liepen het gebouw binnen. Ik voelde me er ongemakkelijk, de kleuren waren er koud, en het was of ik aangestaard werd door hologige gezichten.
Alicia keek schichtig rond. ‘Sst,’ fluisterde ze. ‘Ik denk dat we daarheen moeten.’

We liepen een kamer binnen.
Ik zag een man zitten, stil, hij bewoog niet. Ik kon mijn blik niet van hem afhouden, ik herkende elke lijn in zijn gezicht, zijn houding, zijn… alles. Maar tegelijkertijd straalde hij iets uit wat ronduit afstotelijk was: hooghartigheid, kilheid, desinteresse, nihilisme.
‘Nee.’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, nee. Zo ben ik toch niet?’ Ik keek wanhopig naar Alicia.
‘Nee, zo ben je niet,’ fluisterde ze, ‘Niet voor mij.’ Er verschenen nu voorzichtige tranen in haar ogen, terwijl ze haar hoofd schudde. ‘Zo ben je niet,’ herhaalde ze, ‘en zo moet je ook niet worden.’
Ze keek me nu strak aan. ‘Je moet hem kapotmaken.’
‘Wat?’ zei ik.
‘Met de steen.’
‘Maar…,’ zei ik, ‘dat kan toch niet. Ik kan toch niet…’
‘Je moet!’ zei Alicia. ‘Snel.’
Ik keek haar besluiteloos aan en schudde mijn hoofd.

Op dat moment werd er een deur hard dichtgeslagen. Het meisje dat ik in de eerste kamer had gezien stormde de ruimte binnen.
‘Ik wist het,’ riep ze, ‘kreng!’
Ze vloog Alicia aan. Ik verwachtte een gevecht, maar Alicia deed niets. Het nieuwe meisje hield haar armen over Alicia heen en keek me kwaad aan. En Alicia kromp. En kromp. En smeekte me. Onhoorbaar.
De man die eerst wezenloos in de kamer zat, leek langzaam tot leven te komen, te groeien. Hij keek me donker aan. Het voelde alsof hij op me drukte, alsof hij met mij hetzelfde zou doen als het meisje met Alicia. Alsof hij me ook zou laten krimpen en langzaam zou laten verdwijnen.
Ik keek naar de steen in mijn hand, naar Alicia die wanhopig ‘nu’ leek te roepen, en toen schreeuwde ik, zwaaide met mijn arm, sprong op de man af, en stootte de steen in zijn lichaam.

Ik zat weer in onze huiskamer, Alicia stond bij de deur.
‘Het spijt me,’ zei ik, maar ze wuifde dat weg.
‘Ik hou van je,’ zei ze. Even verscheen er een angstige blik op haar gezicht, even verscheen er paniek.
‘Je hoeft niet bang te zijn,’ zei ik.
‘Dat weet ik,’ zei ze, en ze lachte weer.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam