Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Alles wat heilig is

Door Lisette Geel

Verweerde brokstukken steen en resten van pilaren stonden her en der verspreid op het windstille terrein. Het was verzengend heet, al was het laat in de middag. Stof prikkelde mijn neusgaten. We waren in Kouklia, op de berg waar de godin van de liefde meer dan tweeduizend jaar geleden aanbeden werd. Maarten pakte voor de derde keer binnen enkele minuten zijn flesje water. Hij liep heen en weer zonder echt te kijken.
Met een vasthoudendheid die me zelf verbaasde, deed ik mijn best een verhaal te ontdekken in een beschadigd mozaïek op de grond. Ook fotografeerde ik de enige pilaar die nog rechtop stond. Nergens zag ik iets dat erop wees dat deze resten juist de tempel van Aphrodite vormden.
Plotseling schoot er een kleine, zwarte slang weg tussen de stenen. Ik voelde mijn hart bonzen en ik keek om me heen of ik Maarten zag. Niemand te zien. Snel liep ik door een poort in een oude muur. Daar zat hij, op een bankje onder een moerbeivijg, en hij kneep ritmisch in zijn lege waterflesje. Het gaf een hard, knappend geluid. Achter hem zag ik een deuropening waar enkele toeristen in en uit liepen.
“Kom,” zei ik, “misschien valt daar meer te zien.” Langzaam stond hij op en volgde me.

Toen we binnen waren, duurde het even voor mijn ogen gewend waren aan de schemering. Er stond een kleine badkuip, die bestond uit duizenden aan elkaar gelijmde stukjes. Daarnaast een manshoge kruik. Hoe zouden ze die vroeger opgetild hebben, vroeg ik me af.
Ineens viel mijn oog op een matzwarte steen. Hij stond rechtop en was meer dan een meter hoog. De onderkant breder dan de bovenkant. Conisch. Als vanzelf werd ik ernaartoe getrokken en ik legde mijn rechterhand erop. De steen voelde koel aan, maar mijn hand werd warm.
“Maak er een foto van als je die steen zo mooi vindt. Ik wil hier weg”, zei Maarten.
“Mag niet”, fluisterde ik. “Kijk maar op de bordjes.”
“Dan flits je toch niet”, zei hij. “Ik ga wel op de uitkijk staan.”
Ik aarzelde. “Oké dan.”
Ik drukte af en Maarten siste: “De bewaker komt eraan.”
Ik hoorde de man al voor ik hem zag.
“Don’t say sorry”, hoorde ik hem zeggen. Ik liep ook naar buiten en zag dat Maarten de suppoost niet aankeek. Ik had een vreemde knoop in mijn buik. Maarten wilde me tegenhouden, maar ik liep naar de man toe en keek hem recht aan. Zijn ogen waren samengeknepen en zijn mond stond strak.
“Waarom mag ik de steen niet fotograferen?”, vroeg ik in het Engels.
“De regering vindt het niet goed dat er foto’s gemaakt worden.” Hij sprak met een zwaar accent.
“Waarom niet?”
“Ze zijn bang dat mensen foto’s met onjuiste informatie op internet plaatsen of mozaïeken namaken. Het zijn niet mijn regels, mevrouw.”
“Zal ik de foto weer verwijderen?”
“Laat maar”, zei hij.
“Ik zal geen foto’s meer maken.”
“Ik weet zeker dat je dat niet zult doen.” Even was er iets van een glimlach. Toen draaide hij zich om en ik zag dat hij weliswaar een blauw uniform droeg, maar lang haar had, in een paardenstaart.
“Je paardenstaart past nu niet direct bij al die regels.” Het was eruit voordat ik het wist. Hij trok zijn linker wenkbrauw op.
“Ik heb toestemming.”
“Van wie?”
“Dat doet er niet toe.”
Ik maakte aanstalten om weg te lopen.
“Wacht”, zei hij.
Ik bleef staan.
“De steen is het teken van vruchtbaarheid”, zei hij. “De maagden van Cyprus moesten hier eenmaal slapen met een vreemdeling, ter ere van de godin. Pas daarna konden ze trouwen.” Ik merkte dat ik hem aanstaarde.
“Ik moet gaan”, zei ik ten slotte. Op weg naar de uitgang wiste ik de foto van mijn camera.

Een liefdestempel. Ik zag niet wat seks met een vreemdeling te maken had met liefde. Het hield me ’s nachts wakker. Ik bleef denken aan de Cypriotische, jonge vrouwen en probeerde me voor te stellen wat ze doormaakten. Maarten lachte me uit.
“Je maakt je weer eens veel te druk, zoals gewoonlijk. Die godin bestaat niet en heeft nooit bestaan. En die steen is gewoon een steen. Anders had je die foto wel moeten verwijderen.”
“Ik heb hem verwijderd.”
Nu begon hij onbedaarlijk te lachen.
“Pas als je ergens in gelooft, krijgt het betekenis”, zei ik. “Wat betekent onze liefde? Ze betekent alleen iets als we er zelf betekenis aan geven. Welke betekenis heeft ze eigenlijk voor jou?” Ik werd stil van mijn eigen woorden. Ik wist niet waar ze vandaan kwamen, maar ineens leek alles helder.

Na twee nachten zonder slaap ging ik opnieuw naar het heiligdom. Maarten weigerde om mee te gaan en ik was er blij om.
Ik parkeerde de auto, trok mijn rok recht en liep naar de ingang. De deur was nog gesloten. Even leunde ik tegen de oude muur. Toen zag ik een donkerrode auto de helling op rijden. Het was de suppoost. De tempelbewaarder.
“Again?”, vroeg hij toen hij uitstapte. Ik knikte. Hij opende de deur en verkocht me een kaartje. Ik vroeg hem om een boekje met een plattegrond.
“Ik zal je rondleiden”, zei hij. “Voorlopig is er nog niemand.”
Het voelde natuurlijk om naast hem over het terrein te lopen. Ik wist niet eens hoe hij heette, maar vroeg het niet. Het viel me op dat hij maar iets groter was dan ik. Zijn lichtblauwe overhemd spande om zijn schouders.
“Waarom ben je teruggekomen?”, vroeg hij.
Ik haalde mijn schouders op. “Ik moest het begrijpen.”
Hij trok zijn wenkbrauwen op.
“Ik wil weten hoe de meisjes die hier kwamen zich gevoeld hebben. Of ze zich trots voelden of bang. In mijn hoofd hoor ik meisjes gillen. Ik zie donkere vreemdelingen die meisjes met volle maan het struikgewas in leidden als de tempel overvol was.”
Hij grijnsde. “Misschien was het prettig voor die meisjes om een ervaren man tegenover zich te hebben. Of misschien waren ze wel bang, maar geloofden ze echt dat ze vruchtbaar zouden zijn.”
“Misschien”, zei ik. “We zullen het niet weten. Maar ik kwam eigenlijk ook voor iets anders. Ik zoek het heilige van de plaats. In deze resten”, ik schopte tegen wat steentjes, “zie ik het niet. Het enige voorwerp waar ik iets bij voelde, was die steen.”
Hij glimlachte. “Als je rondloopt op zoek naar tekens om het te begrijpen, zul je het niet vinden.”
“Hoe weet jij…?”
Hij maakte een korte beweging met zijn hoofd en legde zijn vinger op zijn mond. “Sht. Ga ergens zitten op een plek die je bevalt en blijf daar tot je het voelt.”
“En jij?”, vroeg ik.
“Ik wacht op je bij de steen.” Hij knikte kort en liep weg.
Ik voelde paniek opkomen en ik begon naar de uitgang te lopen. Toen bedacht ik dat ik hier nu juist voor gekomen was. Ik ging zitten op de stoffige aarde, tegen de stam van een johannesbroodboom. Ik keek naar de weinige resten van de tempel en sloot mijn ogen. Steentjes prikten in mijn bovenbenen. Beestjes liepen over mijn armen. Ieder moment wilde ik mijn ogen openen, maar ik deed het niet. Mijn lichaam werd zwaar. Mijn ademhaling verdiepte zich. Op een bepaalde manier werd ik een met de plek. Alsof de energie van de aarde door mijn aderen ging stromen. Voor het eerst tijdens deze reis kwam er rust en een enorme blijheid. Mijn ogen werden vochtig. Ik knipperde en opende mijn ogen.

Ik liep naar de suppoost, die stond te wachten bij de ingang naar de steen. Hij knikte toen hij me zag.
“Je hebt het gevoeld. Ik zie de zachtheid in je gezicht.”
Ik keek hem zwijgend aan. Ik kon mezelf niet langer uitdrukken.
“Wat je voelt is het leven zelf. Dat wat heilig is. Het leven ademt.” Hij aarzelde even. “Wat heb je met de foto gedaan?”
“Gewist.”
“Dat had ik wel verwacht. Kom.” Hij pakte mijn hand, liep naar binnen en leidde me naar de steen.
“Leg je hand erop”, zei hij.
Ik deed wat hij zei. Weer voelde ik de warmte en nu ook een tinteling die door mijn hele lichaam trok.
“En nu je andere hand.”
Mijn handen gleden rond de steen en mijn armen volgden. Een omhelzing. Mijn armen rond het smalle gedeelte, mijn borsten platgedrukt. Ik legde mijn gloeiende wang tegen de koelte en sloot mijn ogen. Toen de suppoost zijn handen over mijn armen liet glijden en zich tegen me aan drukte, was ik niet verbaasd. Ik ademde zijn kruidige warmte diep in. Zo stonden we een tijdje. Na een paar minuten maakte hij zich los. Hij trok mijn rok omhoog en ik hoorde dat hij zijn riem losmaakte. Toen drukte hij zich opnieuw tegen me aan. Zijn woorden waren zacht. Ze beroerden ieder plekje van mijn oorschelp en dieper. “Ik ben een vreemdeling”, zei hij.

5 reacties

Thea

zondag, 16:57

Mooi en opwindend verhaaltje wat helaas abrupt eindigt. Kortom het smaakt naar meer. Leest ook fijn

Nathalya

zaterdag, 18:01

Prachtig, romantisch en toch onverwacht verhaal.

Johan Zonnenberg

zaterdag, 15:58

Prachtige omschrijving van haar binnen- en buitenwereld. Mooie, gestadige opbouw van de spanning. Geweldig einde!

Jeanet Steen Van Der

zaterdag, 11:05

Wat een mooi verhaal.. spannend en romantisch

Lida van der steen

zaterdag, 11:02

Prachtig

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch