Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Als ik ga

Door Heidi Hulst

We zitten op het bankje voor haar huis.

“Mooi, hè,” zegt ze.

“Vind je?”

Het huis ken ik alleen met haar erin. Zittend in een stoel, benen gekruist en met de voeten op tafel. Alsof ze vastgekoekt zat aan het leer, ze stond maar zelden op. Tegenover haar haar man. Tussen hen in de tafel. De televisie stond aan, soms op een spelprogramma, soms op het nieuws maar meestal op de sport. Wielrennen. Voetbal. Tennis. Alles werd gevolgd. Door hem. Niet door haar. Naast haar, op de grond, een tas. Daarin sleutels die nergens op pasten, brillen waar niemand door kon zien, geld, geld en voor de zekerheid, geld. Op tafel onder het kleed een schaar, eindeloos veel briefjes met nodeloze notities, zonnebrillen, bonnetjes van boodschappen die altijd hetzelfde waren en pennen die niet meer schreven. Op de gaskachel een theepot met thee zo donker als koffie, op de schoorsteenmantel beeldjes, foto’s van mensen die niet meer kwamen of niet meer zouden moeten komen en post met dagstempels die terug gingen naar de jaren zestig. Het huis was groot maar ze beperkten zich tot de twintig vierkante meter die voor hen zo vertrouwd was en voor mij zo onbegrijpelijk.

Ze hadden elkaar leren kennen toen ze jong waren, in tijden waarin alles anders was en waarin hij haar vroeg om te trouwen en ze gewoon “ja” zei. Ze wist niet waarom maar ze zei “ja”. Het verhaal was een sprookje. Inderdaad, het verhaal. Hij werkte, veel en vaak, verdiende, kwam en ging en zij acteerde in een toneelstuk waarvoor ze nooit auditie had gedaan. Ze kocht banken waar niemand op kwam zitten, kleren die ze nooit zou dragen, kunst waar ze niets van begreep en sieraden die schitterden zoals haar ogen nooit hadden gedaan. Ze rookte op feestjes, kwam in mantelpakjes en bontjassen, vertrok in de BMW en zwaaide als de Koningin. Ze woonde in het huis op het plein, had een man op “de zaak” en kinderen die studeerden ook al studeerden ze niet. Ze had een doofpot waar alles in paste en op papier hetgeen haar hartje maar kon begeren.

De zaak verdween, de auto werd geparkeerd, er werd niet meer gerookt of gefeest en hun wereld werd kleiner en kleiner en kleiner. Zij zat in de blauwe stoel, hij in de groene. En dat was dat.

Hij ging.

In het huis waar ze woonden woonde zij al tachtig jaar. Ze zei: “als ik ga ga ik dood en als ik ga, ga ik dood.”

Ze ging. Dood.

Het huis is een schim van wat het ooit geweest is. Het leven is eruit, het beetje liefde ook. Het is grauw en grijs, triest en troosteloos.

“Dat was je leven, zie je dat?”

“Ik zie het”

“Hoe voelt dat?”

“Meestal doet zeer en soms doet het pijn en soms voel ik niets en dat is het ergste.”

We zitten op het bankje voor haar huis.

“Mooi, hè'” zeg ik.

“Vind je?”

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch