Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Als je hard genoeg schudt, gaat het sneeuwen

Door Sofie Van Breuseghem

Wat was dat toch met haar? Huisje, tuintje, huwelijk, twee gezonde kids. Het leven had haar alle geluk gegeven, en toch voelde het als leven onder een glazen stolp, als gevangen zitten in zo’n perfecte sneeuwbol.

Ze wou een stuk van de échte wereld zien. Échte sneeuw.

Maar door de kou was ze niet verder geraakt dan het dichtstbijzijnde café.

Hij zat daar al een tijdje, warm te worden. Drank hielp.

Hij hield niet van reizen, en al zeker niet van koude of natte landen zoals Canada of Ierland, en hij wist niet waarom hij daarover begonnen was, zei hij. Misschien door de zenuwen, misschien omdat zij hem van streek maakte, misschien omdat hij aan het zwaar bier zat terwijl hij liever aan het licht bier zat, maar dan in grotere hoeveelheden.

Dat kwam mogelijk op hetzelfde neer, maar misschien ook niet.

En zij lachte en voelde haar hart warm worden door zoveel openheid en eerlijkheid en ze was verloren.

Hij had veel gestudeerd: fietsmonteur, financieel analist, forensisch onderzoeker, fotografie, fysica en uiteindelijk filosofie. Soms tegelijkertijd en nooit volledig en nooit af, maar zo was het leven toch ook; tegelijkertijd en onvolledig en nooit af.

En zij zei: “Misschien heb je een voorliefde voor de f”.

Want alles wat hij opsomde, begon met die letter en dat viel haar op, want die letter kwam ook voor in haar naam en ze zocht graag naar verbanden die er niet waren maar die ze toch vond en dan betekenisvol achtte.

Hij zei: “O, zo had ik het nog niet bekeken, misschien heb je wel gelijk, maar ik heb vooral een voorliefde voor de e, de e van entropie, de neiging van het universum naar een algemene wanorde”.

Hij zei niet wanorde maar rotzooi, maar zij hoorde wanorde. En wanorde was een neiging die ze ook in zichzelf herkende, en de e was nog een letter van haar naam. Hoe alles zo mooi op zijn plaats kon vallen zonder dat ze er moeite voor hoefde te doen, ze hield van dat gevoel.

Hij hield van veel dingen niet en dat deed hem plezier, zoveel plezier dat hij er niet over kon zwijgen. Hij hield niet van werken of van de maatschappij of van de regels en de mensen. Hij hield niet van zeikerds en kutwijven en mensen die deden alsof en mensen die hem veroordeelden omdat hij niet met hen meedeed. Hij hield niet van meedoen en ook niet van doen alsof, van engagement of van wereldverbeteraars. Hij hield niet van die perfect uitziende sneeuwbollen.

Hij hield niet van eten of van de boodschappen op zijn sigarettenpakjes die zeiden dat hij binnenkort een pijnlijke dood tegemoet zou gaan. En hij wist dat daar een zekere waarheid in zat en daar hield hij ook al niet van, niet van het zekere en niet van de waarheid. Hij hield niet van de prijs van die sigaretten en van het feit dat hij bijna nergens nog mocht roken. Hij hield ten slotte ook niet zo van zwaar bier, maar af en toe had hij er behoefte aan omdat de wereld soms onprettig aanvoelde, zei hij.

En hij wist niet waarom dat zo was.

Zij vroeg waar hij dan wel van hield en hij zweeg even en zei dan: “Boeken, maar niet altijd, en films, maar niet altijd, en tv-reeksen, maar niet altijd en drugs, maar niet altijd. En van seks.”

En toen zweeg hij even en leek hij na te denken, maar misschien slikte hij gewoon want hij had net een grote slok van zijn bier achterover gekapt. Hij ging verder en zei: “Niet altijd, van mezelf, maar niet altijd en van mijn vrienden, maar niet altijd. Meestal niet zelfs want er zitten ook heel wat zanikerds tussen maar wat doe je eraan, een mens blijft nu eenmaal een mens en daar heb ik vrede mee. Maar niet altijd”.

“Dat laatste eigenlijk eerder niet”, voegde hij er nog aan toe. Toen zweeg hij en staarde hij naar het achtergebleven schuim in zijn glas. Het leek een beetje op van die bruine smurriesneeuw.

“Voel je je dan beter dan de rest?”, vroeg ze, terwijl ze merkte dat ze gekwetst was omdat zij niet voorkwam in het rijtje waar hij wel van hield, maar niet altijd.

Wat misschien goed was, want misschien was zij het enige waar hij altijd van hield, maar ze wist dat die gedachte naïef was, dus probeerde ze die te vergeten.

Wat wonderbaarlijk genoeg totaal niet lukte.

Hij zei: “Nee, dat niet”, maar dacht stiekem van wel, want hij was alleszins anders. Anders dan de rest, maar wat maakte het uit. Beter of slechter, binnenkort was hij hier toch weg, uit dit hol, dit tranendal. Weg van die waanzinnige plek waar alles neigde naar rotzooi en niets kon zijn zoals het moest zijn, en hij al zeker niet want daar hield hij niet van; van zijn zoals het moet zijn of van zijn zoals al de rest.

Zij geloofde hem niet en zag in zijn ogen de afgrond waar ze onbewust naar op zoek was en die bij de meeste mensen dieper verborgen lag, maar ze vroeg er niet naar.

Ze besloot daar en dan om zich erin te gooien, om zich over te geven aan iets dat haar kapot zou maken, waar ze spijt van hoorde te krijgen. Het zou haar recht uit haar burgerlijke bestaan naar de marginaliteit verbannen. Het zou haar perfecte bol door elkaar schudden.

Het zou eindelijk gaan sneeuwen.

Ze zag het en ze voelde het en ze rook het (of misschien waren dat de sigaretten) en ze wou het. Haar denkend brein schreeuwde het uit, verweet haar en gooide alle argumenten in de strijd om haar ervan te weerhouden, en ze wist dat iedereen dacht dat de ratio bij de mens het hoogste woord voerde en dat we er met zijn allen beter van zijn geworden, maar zij was dan of geen mens of ze voelde zich er alleszins niet beter door.

Ze negeerde haar gedachten, volgde haar lichaam en veegde de vloer aan met haar denkend brein.

Als je hard genoeg schudt,

gaat het gewoon stuk.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch