Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Als toekomst vooral verleden wordt

Door Samuel Derous

Er is iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat.

Dat moet ik uitzoeken, voordat ik er helemaal onderdoor ga. Daarom vlucht ik, deze avond nog. Waarheen weet ik niet, ook niet of ik het zal overleven. Ik weet simpelweg niet waar ik ben. Voor hetzelfde geld zitten we te midden de Sahara-woestijn. Ik laat dit achter in de hoop anderen wakker te maken, ik zit hier namelijk niet alleen… Of zijn het acteurs? Velen zie ik voor het eerst, terwijl sommigen doen alsof ze me kennen. Sommigen die ik dan wel lijk te kennen, doen alsof ze me niet kennen. En waar ik ze van ken, is zo vaag, het ligt steeds op het puntje van mijn tong, maar ik kan er gewoon nooit opkomen.

Het is hier net een gekkenhuis. Maar één ding weet ik zeker: ik ben niet gek!

Ik weet niet eens hoe ik hier terecht ben gekomen. Ik ben een gedecoreerde militair uit het Belgisch leger, dat weet ik nog. Ik heb jaren in Duitsland gediend. Ben ik ooit terug naar België gekeerd? Ook dat is vaag.

Er komt hier een vrouw op bezoek. Ze is midden veertig. Ze zegt dat ze mijn dochter is. Ze is vriendelijk, dat wel. Iedereen is hier vriendelijk. Verdacht vriendelijk. Volgens mij is de vrouw de sleutel. Ik ken haar niet, nog nooit gezien, laat staat dat ze mijn dochter is. Soms zie ik beelden als ik slaap van een meisje in een roze jurkje dat mij papa noemt, maar die is hooguit zeven, laat staan, in de veertig.

Hoe laat is het eigenlijk? Ik moet me haasten. Ik heb niet veel tijd meer!

Mijn dochter dus. Mijn dochter is geboren in ‘69. Het is echt een schatje. Ze is nu zeven en haar lievelingskleur is roze. Als ze een tekening voor me maakt is zelfs de zon roze. Vorige zomer wilde ze dat ik haar kamer in het roze verfde, de schat. Het was blauw eerst, hemels blauw. Anna, mijn vrouw, dacht dat we een zoontje gingen krijgen, dat voelde ze aan hoe het stampte, zei ze. Maar ik ben dolblij met mijn dochtertje, hoor. En ze aanbidt me. Ik weet dat dat niet blijft duren, maar nu geniet ik in volle teugen.

Ik denk dat het aan de pillen ligt. Vanavond kreeg ik een blauwe pil. Om in te slapen, zeiden ze. Maar ik heb hem niet genomen. Ik heb hem doorgespoeld in het toilet op mijn kamer.

Er is hier iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat.

En waar is hier? En hoe kan een mens hier eigenlijk slapen met al dat licht en dat lawaai. Het is niet de Sahara-woestijn. Als ik door het raam kijk zie ik een snelweg in de verte, of dat denk ik toch te oordelen aan de gele straatlantaarns en de vele autolichten.

Ik heb mijn rijbewijs gaan halen gisteren. Mijn voorlopig, zes maanden proefrijden en dan mijn vast rijbewijs.

Er zijn niet zoveel mensen die met een auto rijden waar ik woon. Ook Anna zegt dat ze geen behoefte heeft aan het stuur te zitten van een voertuig dat sneller rijdt dan dat zij loopt.

Anna wil met mij trouwen, dat heeft Peter, haar broer, me onlangs verteld. Ze wacht erop tot ik eindelijk op één knie ga zitten. Dat moet, zou ze gezegd hebben, als hij niet op één knie gaat zitten, trouw ik niet met hem. Ik wil eigenlijk nog een beetje wachten. Tot ik iets meer geld heb. Tot ik een origineel idee heb. Iedereen kan op één knie gaan zitten en een ring om iemands vinger schuiven. Uiteindelijk moet ik voor de KMS ook nog heel veel werk doen. Anna werkt al, studeren zag ze niet zitten, dat doen vrouwen doorgaans trouwens toch niet. Waarom zouden ze? Om te kuisen en eten te maken? Dus kan ik me wel inbeelden dat ze niets liever wil dan haar leven te beginnen, maar voor mij is het anders. Ik heb zeker vier jaar van studies voor de boeg. Nog enkele weken en ik wordt gepromoveerd tot korporaal.

Er is hier iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat!

Eigenlijk moet ik dat uitzoeken. Uitzoeken waarom ik hier ben. Waar hier is. En vooral uitzoeken waarom een vrouw van in de veertig mij papa noemt. Zie ik er dan al zo oud uit? En waarom komt ze hier? Ze komt bijna alle dagen, zegt ze, maar vanmiddag was de eerste keer dat ik haar heb gezien. Ik ben hier pas, hoe kan ze me dan bijna dagelijks opzoeken?

God, ik ben zo moe. Hoe laat zou het zijn? Al na middernacht? Ik ben geen nachtmens. Nooit geweest. Als ik in de kazerne slaap, worden we gewekt om 05,00 uur. Ik ben benieuwd of dat morgenochtend hier ook zo zal zijn. Zelfs in het weekend sta ik niet later op dan 07,00 uur, tot groot ongenoegen van Anna. Zij zou heel de morgen in bed kunnen blijven liggen. Dat is wel het meest ondraaglijke punt aan haar. Ze kan ook zo laat opblijven. Nog één hoofdstuk, zegt ze dan en wijst naar de pagina’s van haar boek, terwijl ze lieflijk naar me glimlacht. Die glimlach laat iedereen smelten, en mij in het bijzonder. Maar dat ene hoofdstuk is meestal wel een heel lange.

Misschien ben ik neergeschoten en is dit hier een militair hospitaal. Maar ik kan me niet herinneren in actie geweest te zijn.

Ik moet echt weten waar ik ben, en vooral waarom mensen doen alsof ze me al jaren kennen. Of ben ik in een Russisch experimenteel laboratorium. Ik heb er al horen over vertellen. Dat de Russen gedragsveranderende experimenten uitvoeren op betrapte spionnen en krijgsgevangenen. Maar ik ben geen spion. Het laatste wat ik weet is dat mijn statieplaats Duitsland was. Vlakbij de grens, dat wel, maar nog altijd het Vrije Duitsland.

Misschien hebben ze me ontvoerd. Dat kan natuurlijk. Alles kan.

Nee, niet zo zwart denken, Honoré, er zal wel een logische verklaring zijn.

Goh, ik een spion, het zou wat zijn. Ik kan nog niet eens mijn gevoelens verbergen voor mijn eigen vrouw. Hopelijk komt zij morgen op bezoek in plaats van die vrouw van in de veertig die me zelfs kust alsof ze me al jaren kent.

O, hopelijk komen ze dan beiden niet op hetzelfde moment. Hoe moet ik een veertigjarige dochter uitleggen aan mijn vrouw?

In Duitsland ben ik niet meer, daarvoor spreken er hier veel te veel en veel te goed Vlaams.

Ik zorg voor de eerste opleiding van de jongens die hun dienstplicht komen doen. Jonge, klungelige knullen die met hun armen geen weet hebben. Zo moet ik er ook uitgezien hebben toen ik die eerste dag op het appèl van de KMS verscheen. Met dat verschil dat wij het met volle overtuiging deden.

Toch vinden de meesten, wanneer ze afzwaaien, het de beste tijd van hun leven. Soms verlang ik er naar om zelf ook terug zo jong te zijn en alles opnieuw te kunnen beleven. Ik zou niets veranderen. Niets!

Wat is er toch met mij aan de hand? Ik weet het echt niet meer. Wat geven ze me hier dat ik me zo buiten de tijd voel? En in godsnaam waar is hier? Zou ik met iemand hier kunnen praten? Als het een ziekenhuis is dan moeten er ook dokters voor de ziel zijn, toch? Maar ik ben niet gek! Daar ben ik honderd procent zeker van. Het is gewoon wazig, dat is het, alles is gewoon wazig. Alsof er een mist in mijn hersens hangt. Als ik terug in een vertrouwde omgeving zal zijn dan komt het allemaal wel terug, dat moet wel!

Ik ben moe, doodop. Ik heb nood aan slaap. Even de zorgen vergeten. Met een frisse kop denk je beter.

“Honoré, nog niet aan het slapen?”

Verschrikt draai ik me om en kijk in de vriendelijke ogen van een zwarte, iets te dikke vrouw. Haar witte kleren steken scherp af tegen haar zwarte huidskleur. In mijn concentratie heb ik de deur niet horen opengaan.

“Kom, ik help je naar bed,” zegt ze, terwijl ze naar me toe stapt. “Te weinig slaap is niet goed voor je Alzheimer, weet je.”

“Komt mijn vrouw morgen? Anna?”

“Je vrouw? Maar schat die is al twaalf jaar dood!”

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch