Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Annie uit Winterswijk

Door Rob Dik Engelsman

Annie uit Winterswijk

Ik wist die zomer niet goed wat ik zou gaan doen. Het was al een tijd uit met Jeltje. Bovendien had ik steeds meer belangstelling voor het soort zestienjarige schoolmeisjes dat voor mij toen eigenlijk al onbereikbaar was. Ik was al een eind in de twintig.

Ik bracht wat bezoeken aan familie en kennissen en zo logeerde ik in juli bij familie in Winterswijk.

Al snel was het me niet meer goed duidelijk wat ik daar eigenlijk moest doen en toen neef Jan Willem me op een avond voorstelde het jongerencentrum “Eucalypta” te bezoeken, vond ik dat niet eens zo’n gek idee.

Het oude schoolgebouw, waarin het centrum was ondergebracht, beviel me wel. Het riep associaties op met de vijftiger jaren. Dat gevoel werd nog versterkt door de kastanjeboom op het plein ervoor. Het publiek dat zich binnen ophield, bestond uit luidruchtige jongens en meisjes.

Er stond een grote filmprojector op een tafel, er zou een film vertoond worden en je kon pils kopen. Dat deden wij.

Ik zat te kijken naar de meisjes. Niet één was ouder dan zestien zo te zien. Jan Willem en ik waren gaan zitten op de rugleuning van een versleten sofa die middenin de zaal was geplaatst. Ongeveer een meter of drie bij ons vandaan zat een meisje met lang donker haar. Om haar heen zat een aantal jongens. Af en toe draaide ze zich even om en keek naar ons.

De projector werd gestart. “Paranoia”,zei Jan Willem. Zo heette de film. Toen het licht een half uur later weer aanging, omdat er een andere spoel opgezet moest worden, keek ik toch weer naar het meisje. Ze draaide zich om en staarde me aan.

“Ouder dan zestien is ze zeker niet,” dacht ik hardop.

“Wat bedoel je?” vroeg Jan Willem.

Ik zag dat ze opstond en naar ons toekwam. Ik keek een andere kant op.

“Schuif eens op”, zei het meisje en toen dat niet snel genoeg gebeurde, drukte ze zich tussen Jan Willem en mij in.

“Een nieuw gezicht!”, zei ze opgewekt en legde een hand op mijn knie.

“Is dit een vriend van je?” vroeg ze aan Jan Willem. Hij moest het zonder een hand doen.

“Een neef”, antwoordde hij stuurs.

Ik legde tot mijn eigen verbazing een arm om haar middel. Haar hand bleef op mijn knie liggen en haar andere hand kwam er bij. Het licht ging weer uit.

Het meisje praatte wel erg veel, dwars door de film heen.

“Ik heet Annie”, zei ze, “Hoe heet jij? Waar woon je? Blijf je lang in Winterswijk? Ik zal je mijn foto sturen, mag ik je adres? Op de foto ben ik erg mooi.”

“Je valt zo ook best mee”, antwoordde ik, maar ze was niet te stuiten. Er was een flinke vrijpartij gaande in de film. Dat maakte haar aan het giechelen. Ze sloeg op mijn knie van de pret en maakte opmerkingen over de borsten van het meisje.

“Ben je student?” vroeg ze later, “Heb je een mooie kamer? Misschien kom ik wel bij je wonen.”

Aan het einde van de avond stonden we onder de kastanjeboom op het schoolplein en de maan scheen volop. Het was of de duvel ermee speelde. Jan Willem fietste er mopperend in grote kringen om heen.

“Ik ga naar huis hoor!” riep hij om de vijf minuten, “Ik ga nu echt naar huis!”

Ik zei telkens dat hij nog even moest wachten. Ik wist de weg niet en had ook geen sleutel. Jan Willem draaide in steeds kleiner cirkels om ons heen.

“Volgende week is het mijn beurt”, riep hij kwaadaardig.

“Dat had je gedroomd”, protesteerde Annie.

Dat was meer dan hij kon verdragen en hij fietste weg, zodat ik vliegende haast moest maken om hem nog in te halen.

“Ik kom volgende week terug”, zei ik tegen Jan Willem.

“Zou je dat wel doen?”vroeg deze bezorgd, “Ze is wat eigenaardig.”.

De week daarop kwamen er twee eigenaardige briefjes met de post: hanepoten en een spelling van een vijfjarige. Er stond in dat ze van me hield (i luv joe) en vaak op haar bed lag te huilen, omdat haar vader haar weer eens binnen hield. Ik besloot er niet meer heen te gaan, maar toen het weer zaterdag geworden was, zat ik op het stoepje van mijn woning te bedenken, dat er eigenlijk nog maar weinig gebeurd was deze zomer. Bovenbuurman hing uit het raam en maakte schampere opmerkingen over mijn somberheid.

‘Doe er wat aan jongen’, riep hij.

Ik kondigde aan dat ik naar Winterswijk ging op de motor. Een half uur later was ik onderweg.

Om half negen stapte ik Eucalypta binnen. Annie had gezegd dat ze daar iedere zaterdagavond kwam, maar ik zag haar niet. De jongerenwerker aan wie ik het pas na geruime tijd durfde te vragen, had haar ook nog niet gezien.

Naar haar huis gaan durfde ik niet goed, maar teruggaan naar Groningen was ook niks. Tenslotte koos ik toch maar voor de eerste mogelijkheid. Mijn tas liet ik maar even achter bij het jongerencentrum. Ik zou wel weer vrij snel terug zijn, met of zonder Annie.

Het adres was niet moeilijk te vinden. Een tijdlang bleef ik staan aarzelen voor het huis. Er was door de vitrages niets te zien van wat er binnen gebeurde. Ik belde aan. Mijn hand beefde een beetje. Ik schrok, omdat er heel snel werd opengedaan. .Een dikkig meisje in smoezelige kamerjas stond voor me.

“Dag”, zei ik, “is Annie ook thuis?”

Ze keek me verbaasd aan.

“Annie?….Kom je voor Annie?” Ze bleef me een tijdje aanstaren. Ik glimlachte nerveus terug.

“Ben je Annie’s nieuwe vriend?”, vroeg ze toen.

“Och eh… dat is te zeggen…”

“Nee, Annie is er niet”, onderbrak ze me, “maar kom even binnen. Dat maken we niet zo vaak mee, dat de jongens waar Annie mee scharrelt, aan de deur komen.”

Ik liep achter haar aan naar de huiskamer waar de TV aanstond. Er was een dolfijn te zien.

“Annie is met mijn ouders op de camping”, zei ze even later zonder haar ogen van het scherm te wenden. “Ik ben ziek, daarom hoef ik niet mee, maar Annie moet in de gaten gehouden worden, zie je?’

Ik knikte maar, alsof ik het begreep. “Welke camping?” vroeg ik.

Buiten sloeg een autoportier dicht. Het meisje liep naar het raam en keek naar buiten.

“Daar zijn mijn ouders net. Ik verwachtte ze al”. Ze was alweer op weg naar de voordeur.

De deur ging open en een wanstaltig dikke vrouw kwam binnen. Ze wierp een taxerende blik op mij.

“Wie is dat?” vroeg ze wantrouwig aan haar dochter. Achter haar werd nu ook een klein mannetje zichtbaar.

“De nieuwe vriend van Annie. Misschien kan hij straks meerijden naar de camping.”

“Nee!” snauwde het mannetje en snelde, zonder me verder een blik waardig te keuren, het huis in. De dikke vrouw aarzelde even, maar knipoogde toen.

“Trek je maar niets van hem aan hoor, hij is wat humeurig.”

Ze dacht even na.

“We gaan zo weer naar de camping. Rij maar mee, dan kun je misschien nog aan de dropping meedoen, we brengen je vanavond op tijd terug”, beloofde de vrouw.

Toen we eenmaal een eind op weg waren, draaide de vrouw zich om en lachte me vriendelijk toe.

“Zo, jij bent dus de nieuwe vriend van Annie,” constateerde ze tevreden, “Annie had tegen ons gezegd dat je in Aalten woont.”

“Nou nee”, antwoordde ik, “,maar misschien bedoelt ze iemand anders.” Ik kreeg het een beetje warm.

De man achter het stuur hield zich stil, maar zat wantrouwig in zijn achteruitkijkspiegel te loeren.

“Nee nee”, zei de vrouw geruststellend, “ze bedoelde jou. Ze vertelt ons nooit precies hoe het in elkaar zit. We moeten er zelf zo’n beetje achter zien te komen, maar daar kun jij niets aan doen. Je mag trouwens best eens wat vaker langskomen hoor!”

“Nee, nee”, zei ik, “ik ken Annie nog maar zo kort ziet u. Het is echt geen onwil, maar er valt nog zo weinig over te zeggen.”

De vrouw bleef onverstoorbaar glimlachen en de man hield zijn blik op de weg gericht.

We reden de camping op.

“Daar is Annie”, riep het dikke mens verheugd.

Ik schrok en keek in de aangeduide richting, waar ik een groepje jongens en meisjes zag staan. Pas na enig zoeken ontdekte ik het meisje in de groep.

Ik stak aarzelend mijn hand op om te groeten. Haar moeder draaide het portierraampje open en riep: “We hebben een verrassing voor je.”

Ze reageerde niet. Keek somber in onze richting.

Ik stapte uit. Daar kwam ze aan. Ze slenterde langzaam dichterbij en ontweek mijn blik. Pas toen het niet anders meer kon, keek ze me aan.

“Ben je boos?” vroeg ik.

Somber staarde ze langs me heen.

“Dat wordt heibel”

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch