Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

ARGUS

Door Kathinka Kreeberg

Als je mijn zoon was geweest, had je Argus geheten. Zo argwanend en wantrouwend je naar me kijkt, je maakt me zo nerveus dat ik je voor straf Argus had genoemd. Argus Brusselmans. Onwaarschijnlijker kan het niet. Ik ben niet het type vrouw waar Herman Brusselmans ooit op gevallen kan zijn en zelf geloof ik nog altijd dat er voor mij een poëet in ’t verschiet ligt. Een poëet met de spiritualiteit van een profeet. Een man die al jong was toen Remco Campert nog geboren moest worden, en zich schuil gehouden heeft in boeken van W.F. Hermans tot hij oud genoeg was om in de schaduw van Mulisch zich te meten met Hugo Claus. Desondanks ziet hij er nog patent uit. Niet zo verweerd en levensmoe als Brusselmans, met zijn huid als het perkament waar Homerus nog zijn Ilias op had kunnen schrijven en haar wat meer in verwarring is dan Boudewijn Büch was over zijn eigen leven.
Nee, de poëet die ergens ter wereld, of tenminste het universum, voor mij bestemd is lijkt op de jonge Mick Jagger, ruikt als sigaren op een zwoele zomernacht en beweegt als de golven van de zee. En dat allemaal zonder weerzinwekkend te zijn.
Mijn lieve Argus, zo noem ik je maar, ik denk dat ik gewoon jaloers ben. Vaak is dat de verklaring voor dit soort aversies tegen onschuldige mensen. Jij bent net zomin schuldig als die arme Herman Brusselmans, die hier ook niet om gevraagd heeft. En misschien ben ik wel jaloers op jou, met je grote bruine ogen en je onbewuste toestand. Wat kan jou het allemaal schelen. Ik ga zo dadelijk heel boos worden op de man die zojuist heeft voorgedrongen, maar daar moet jij je niks van aantrekken. Die man dacht dat hij alles kon maken. Zijn vrouw draagt ook niet voor niets een zonnebril. Mensen gaan zonnebrillen dragen als hun ogen het daglicht niet kunnen verdragen, of het daglicht hun ogen niet kan verdragen. Of als ze griezelboeken schrijven voor kinderen en zo hun imago in stand houden. Of als ze zanger zijn van een band genaamd Gouden Oorbel en zo hun imago proberen te slijten aan een gemakzuchtig publiek.
Zo. De laatste keer dat ik zo kwaad geworden ben, was toen ik kritiek kreeg op de middelbare school. De docent Nederlands geloofde niet dat ik zelf mijn strafwerk had geschreven en toen ik hem uiteindelijk wel had overtuigd, keek hij misprijzend en zei: “Het perspectief klopt niet.”
“Zeik niet,” zei ik. “Met je perspectief. Wat kan mij het perspectief schelen. Misschien klopt jouw perspectief wel niet. Ik moet toch zelf weten wat ik doe met mijn perspectief. Weet je welk perspectief niet klopt? Het perspectief dat jij voor de klas staat en mij de les probeert te lezen over perspectief. Terwijl ik jou eigenlijk zou moeten vertellen dat er maar een perspectief is, en dat is van de waarheid. Mijn waarheid. En als het jouw waarheid is, is het jouw perspectief. Dan schrijf je zelf maar een verhaal. Ik geef je nu strafwerk omdat je zo’n stomme opmerking gaf. Jij moet nu een opstel schrijven van vier kantjes over je eigen zinloosheid. Begin maar. Anders bel ik je ouders.”
Ik beland niet heel vaak in een cel. Eigenlijk nooit. Ik ben nog nooit in een cel beland. Weet je hoe dat komt, Argus? Ik ben verbaal sterk. Maar fysiek niet. Ik kan niet vechten. Ik wil dat ook niet. Want als je fysiek vecht, beland je in een cel. En daar gebeurt het. De eenzaamheid en de machteloosheid vormen een kwaadaardig leger van jeuksoldaten. Ze kruipen over je huid, op zoek naar open wonden waar ze in kunnen zieken en etteren. Als dat niet lukt, rijten ze oude wonden open en gaan alsnog zieken en etteren. Als je geen oude wonden hebt, boren ze in je littekens en anders wrijven ze net zolang over je blauwe plekken dat het ruw en schraal wordt en je zelf je eigen huid openkrabt. Als eenzaamheid en machteloosheid eenmaal binnen is, maken ze een zombie van je. Ik moet er niet aan denken in een cel te belanden. Met de deur op slot. Daarom vecht ik ook niet. Ik laat me nog liever in elkaar slaan dan dat ik in een cel beland. Toch is dat niet nodig, want meestal slaan mensen me niet. Die man van daarnet bijvoorbeeld, met zijn vrouw. Hij zei ‘sorry’ en liet me voorgaan. Ik durf te geloven dat er nog wel wat goedheid in de mensen zit, Argus. In tegenstelling tot jou. Ik bedoel, in jou zit vast ook wel wat goedheid, maar je ziet er niet uit alsof je dat gelooft. Je ziet eruit alsof je van een andere planeet komt, waar alles groen en blauw is en de mensen alleen maar knuffelen en glimlachen. Dan begrijp ik dat het hier, in deze miezerige straat waar deze zielloze supermarkt nou eenmaal staat, het niet zo fijn toeven is. Maar het ligt ook een beetje aan jezelf, Argus. Je kijkt ook heel gemeen. Zo lacht niemand naar je. Mensen worden niet graag geconfronteerd met hun eigen tekortkomingen, en jij houdt ze de hele tijd een spiegel voor met die valse gezichtsuitdrukking.
Ik word eigenlijk wel graag geconfronteerd met mijn tekortkomingen. Ik bemin mijn tekortkomingen. Aan alles waaruit blijkt dat ik het niet op kan brengen, dit aardse bestaan, groeit een trots boompje omdat ik het toch doe. Een boompje dat met bladeren tot aan de hemel reikt, groeit aan mijn frustratie vast. Aan mijn ergernissen. Aan mijn heimelijk verlangen om honderden ogen op de huid van Herman Brusselmans te tatoeëren.
Ik vind jou wel aardig, Argus. Als ik naar je glimlach moet je niet gaan huilen, goed? Dan glimlach ik een week niet meer. En dat zou slecht uitkomen, want vanavond krijg ik misschien bezoek. Vandaar de rode wijn. Aan de andere kant, als je er bang of verdrietig van word, huil dan maar. Dan weet ik dat ook weer. Dan is het ook beter dat ik niet glimlach naar mijn bezoek. Ik wil mijn bezoek niet wegjagen.
Dat is lief.
Je glimlacht terug.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch