Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Aurora

Door Marthe Verelst

Uit alle ogen die haar aanstaarden, koos ze de zijne. Ze waren diepblauw met een kleine fonkeling. Alsof ze naar de hemel keek, wanneer de zon net onder was en een enkele heldere ster – Venus, godin van de liefde – het donkere gewelf sierde, al dan niet vergezeld door de maan. Vanaf het allereerste contact wilde ze alleen nog naar boven zweven, zichzelf verliezen in de prachtige nacht die hij uitstraalde. Ze zag, hoorde en voelde niets anders dan de lonkende roep van zijn irissen en baande zich een weg door de zee van mensen die tussen hen in stonden. Zodra hij haar plan in de gaten kreeg, zette hij eenzelfde beweging in en ergens in het midden ontmoetten ze elkaar. Pas op dat moment zag ze meer dan enkel de ogen die haar hierheen hadden gelokt. Ze moest zich inhouden om niet naar adem te happen.

Het leek alsof de nacht zelf verscholen zat in een persoon. Zijn huid was bleek als de maan, zijn haren bijna zwart en zijn handen zo groot dat ze haar gezicht gemakkelijk konden omsluiten. Qua lichaamsbouw zag hij er doodnormaal uit. Niet opvallend groot noch bijzonder klein, niet breed noch smal, niet te dik en niet te dun. Als hij niet zulke prachtige ogen had gehad, zou hij haar wellicht niet eens opgevallen zijn. Hij toverde een charmante glimlach op zijn lippen en streek een goudblonde haarlok achter haar oren.

“Zo mooi,” fluisterde hij. “De kleur van de zon.” Zijn stem was zwaar en zijn vingers voelden koud aan, maar toch gloeide ze vanbinnen. Meteen legde ze haar hand over de zijne.

“Ik heb het nogal warm. Zullen we naar buiten gaan?” Hij knikte, pakte haar bij haar pols en trok haar mee door de mensenmassa tot ze uiteindelijk de deur bereikten en frisse lucht konden opsnuiven. De volle maan wierp haar licht over hen, Venus stond er niet ver vanaf en ze ontwaarde ook de Grote Beer.

“Hoe heet je?” Ze keek opzij en knipperde met haar ogen. Het leek alsof het nu pas tot haar doordrong dat ze helemaal niets van hem wist.

“Aurora. Jij?”

Bijna onmerkbaar trok hij zijn neus op, maar ze had het wel gezien. “Dageraad,” vertaalde hij binnensmonds. Onmiddellijk daarna draaide hij zich weer naar haar toe en sprak wat luider. “Nox. Mijn naam is Nox.”

“Nacht.” Het klonk meer als een ademhaling dan als een woord. Ze durfde het gewoonweg niet uitspreken. Op dat moment had ze het kunnen weten – had ze het móéten weten. Het leek wel voorbestemd. Hij gaf haar niet de kans om verder na te denken. “Nu je het zegt, je ziet er behoorlijk licht uit met je goudblonde haren en lichtblauwe ogen. Over je huid zal ik niets zeggen, want die is bijna even wit als de mijne.” Meer dan een glimlach en een hoofdknik kreeg hij niet als antwoord. Ze besefte toen voor de eerste keer dat haar irissen eigenlijk ook hemelsblauw zijn, dat van een zonnige dag aan het begin van de lente of van een mooie zonsopgang, maar lang niet zo diep als de zijne.

“Stoort het je als ik een sigaret opsteek?” Spontaan trok ze een afkeurend gezicht. Ze vond roken een van de meest vieze gewoontes die iemand kan hebben en bovendien een heuse afknapper.

“Als je ervoor zorgt dat ik er geen last van heb, niet.”

Gelukkig stond de wind zo dat de rook niet in haar gezicht terecht zou komen en hij hield het brandende ding aan de andere kant van zijn hoofd.

“Mijn naam is niet voor niets Nox, liefste Aurora. ‘s Nachts gebeuren er wel meer dingen die het daglicht niet mogen zien.”

Ze snoof afkeurend, hij lachte. “Wat doet een meisje als jij hier eigenlijk alleen? Ik had je nog nooit gezien.”

Een beetje onverschillig haalde ze haar schouders op. “Ik had zin om uit te gaan en dit is het dichtst bij huis. Trouwens, mijn broer is ergens daarbinnen.”

Hij gooide nonchalant zijn sigaret op de grond, trapte erop en draaide zijn hoofd naar haar toe. Zijn ogen gleden over haar lijf. Ze huiverde. Het voelde alsof hij door haar heen kon kijken, recht in haar ziel. Op dat moment wilde ze niets liever dan hem kussen, zichzelf verliezen in zijn greep. Voorzichtig stak ze haar hand uit. Haar vingers streelden over zijn borstkas, bewogen als vanzelf naar zijn rug toe en voordat ze goed en wel besefte waar ze mee bezig was, stonden ze tegen elkaar in een innige omhelzing. Ze tilde haar hoofd een beetje op en keek naar zijn lippen. Donkerrood, mooi gevormd en zeer aanlokkelijk om de hare op te planten. Pas toen de geur van sigaretten haar neusgaten binnendrong, liet ze los. Het vooruitzicht van een kus met asbaksmaak vond ze net iets minder aangenaam en ze zette een stap achteruit. Hij trok een grimas dat nog het beste te omschrijven is als pijnlijk en haalde een doosje muntjes uit zijn broekzak.

“Is dat beter?” Ze wachtte tot hij er eentje op had en drukte hem nog eens tegen zich aan in een subtiele poging om zijn adem te ruiken. Pas daarna bevestigde ze.

“Ja, ik denk het wel.” Er was nog steeds een klein spoor van nicotine te bespeuren, maar de aanblik van zijn lippen deed haar dat vergeten. Zonder verder na te denken kuste ze hem. Natuurlijk proefde ze dat hij gerookt had. Het kon haar niet langer schelen, ze wilde alleen maar meer. Ze gingen in elkaar op tot ze bijna één geheel vormden. Haar linkerbeen hing om zijn middel, haar handen verkenden zijn rug. Op dat moment leek ze zich te realiseren wat ze aan het doen was en duwde ze hem voorzichtig een stukje van zich af.

“Sorry,” mompelde hij. “Ik had je niet mogen kussen.” Ze keek hem niet-begrijpend aan.

“Waarom niet? Ik wilde het ook, hoor, en het was nog niet eens zo slecht.”

“Begrijp je het dan niet? Dit is geen toeval, lieveling. Jouw naam is Aurora, de mijne Nox. Jij ziet eruit als de hemel wanneer de vogels weer beginnen te fluiten, tooghangers het café inruilen voor hun bed en ochtendmensen opstaan. Ik ben net de nacht: donker en hard. Bijna iedereen voelt zich onbehaaglijk in mijn aanwezigheid.”

“Ik niet.” Het was een fluistering, want ze besefte stilaan wat hij wilde zeggen.

“Nee, jij niet. Dageraad kan niet bestaan zonder nacht. Als zij er niet was, bleef de aarde voor eeuwig onbelicht. We kunnen niet zonder elkaar, maar we zullen nooit samen zijn. Heb je al ooit dag en nacht op dezelfde plaats op hetzelfde moment gezien?”

Ze begreep het niet helemaal. “Je bent een mens, Nox, en ik ook. Denk je nu echt dat wij niet samen kunnen zijn gewoon omdat de betekenis van onze namen niet bij elkaar past, dat we zelfs niet zouden mogen kussen?”

“Ik denk het niet.” Hij pauzeerde, ze zag de flikkering in zijn ogen kort uitdoven. “Ik weet het zeker. Je broer zal zo dadelijk wel naar buiten komen. Zoek me niet, Aurora, je zult me niet vinden. Als de zon weer ondergaat en je Venus aan de hemel ziet verschijnen, weet dan dat ik over je waak en dat ik je altijd zal beschermen. Ooit snap je het wel, het is gewoon nog een klein beetje te vroeg. Vergeet me niet, alsjeblieft, ik zal jou ook nooit vergeten.”

Ze kreeg niet de kans om nog iets te zeggen. Hij lachte een laatste keer naar haar, draaide zich om en stapte weg over de lange, lege straat voor hen. Achter haar kwam de zon op. Nog geen seconde later ging de deur open en stapte haar broer naar buiten.

“Ha, zusje. We moeten naar huis.” Voordat ze hem volgde, wierp ze nog snel een blik over haar schouder. Nox was nergens te bekennen.

“Wist je dat de zonnegod van de Inca’s dezelfde naam had als ik? Inti.” Hij keek even bedenkelijk en toen klaarde zijn gezicht op. “Zie je, ik ben echt goddelijk!”

Glimlachend schudde ze haar hoofd en dacht aan de mysterieuze jongeman die ze vannacht ontmoet had. Misschien had hij gelijk en was het inderdaad allemaal geen toeval.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch