Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Ave Maria

Door Ietje van Poll

Ave Maria

‘Sta nou toch ‘ns efkes stil,’ moppert moeder. Ze bukt zich om de gespen van mijn schoenen vast te maken. ‘Jij moet ook altijd zo wiebelen.’ Moeder zucht. Ze trekt haar regenjas aan en knoopt het sjaaltje onder haar kin vast.
Altijd gespt ze mijn schoenen te strak. Ik probeer de bandjes los te peuteren, het lukt niet.
‘Schiet op, wat ben je weer aan het treuzelen.’
Moeder wacht niet op mij. Ze haalt haar fiets uit het schuurtje en loopt het paadje achter ons huis in. Ik ren achter haar aan, de laan met de hoge populieren in. Met een flinke zwaai tilt ze me op de bagagedrager.
De fiets zoeft over het gladde wegdek. Moeder trapt flink door, haar brede rug wiegt van links naar rechts in een gestadig ritme. Voorzichtig probeer ik met één hand bij mijn voet te komen, het doet nog steeds zeer bij mijn enkel.
‘Zit recht,’ klinkt het voor me.
Snel kom ik overeind. Ik kijk naar beneden, naar de glanzende punten van mijn nieuwe schoenen. Voor het eerst mocht ik in de winkel zelf kiezen. Toen ik de witte lakschoenen zag, wist ik het meteen. Het duurde nog tot Pasen voor ik ze aan mocht. Al die tijd stonden ze in de kast op mijn slaapkamer te wachten. Af en toe haalde ik het deksel van de doos. Het papier knisperde bij het openvouwen. Dan keek ik naar de schoenen, hoe ze glansden als spiegeltjes. Ik stak mijn neus in de doos. Niets rook zo lekker als het leer van die schoenen.
Eindelijk was het Pasen. Op paasavond had ik de schoenen al klaargezet op de stoel. In bed kon ik er de hele tijd naar kijken. Ze glansden zo mooi en ze hadden van die spitse punten, dat was hip. Laatst hadden de kinderen in de straat me nog uitgelachen omdat ik zo’n rare jurk aan had. Die had moeder zelf genaaid. Met deze schoenen zou niemand me uitlachen.
Na Pasen mocht ik ze eerst alleen op zondagen aan. Ik durfde er bijna niet mee naar buiten, bang dat er vlekken op zouden komen. Later mocht ik ze ook doordeweeks dragen, anders zou ik er al snel uitgegroeid zijn en dat zou zonde zijn van het geld, zei moeder.
De fiets maakt snelheid als we de Zandbergstraat afrijden, langs de hoge muren van het oude kerkhof. Op Paaszondag gingen we naar Neelkes graf. Moeder veegde de blaadjes van de steen, ik mocht de narcissen die we in de tuin hadden geplukt op het graf leggen. Samen zeiden we een weesgegroetje. Daarna stonden vader en moeder heel lang naar het graf te kijken. Al die tijd zeiden ze niks.
Ik weet best wie Neelke is. Ze staat op de foto die boven de schoorsteen hangt. Ze is mijn zusje boven in de hemel. Ik vind de grafsteen heel mooi. Er staat een knielende engel op met puntige vleugels. Hij is gemaakt van gekleurde mozaïeksteentjes. Moeder zegt dat die engel op Neelke zal passen, net als de Engelbewaarder die boven mijn bed hangt. Ik snap niet wat Neelke nou in de hemel aan een Engelbewaarder heeft. Dat durf ik niet hardop te zeggen.
De zon schijnt in mijn ogen. Met mijn voeten op de steuntjes en mijn handen stevig om moeders middel probeer ik voorzichtig langs haar brede rug te gluren. Door de spleetjes van mijn ogen zie ik dat de huizenblokken plaats hebben gemaakt voor weilanden, waarin koeien sloom staan te grazen. Flarden mist hangen boven een beekje. In de verte doemt het silhouet van een kerktoren op. Moeder begint te zingen van Kortjakje. Dat kan ik al aardig meezingen, ik heb het net op school geleerd. Als mama zingt word ik altijd vrolijk, dat gaat vanzelf.
Vroeger zong ze nooit. Ze ging de deur niet uit, zat maar stilletjes op de bank voor zich uit te staren. Ik mocht van vader niet naar haar toe gaan. Soms lag het jurkje van Neelke op haar schoot, dat smockjurkje van de foto boven de schoorsteen. Daar aaide ze met haar hand overheen. Het was zo stil in huis, dan durfde ik ook geen geluid te maken. Ik ging met Bram in een hoekje zitten en wiegde hem net zolang, totdat hij in slaap was gevallen. Beertje Bram was vroeger van Neelke, dat weet ik.
Op een morgen, toen ik nog in bed lag, hoorde ik moeders stem ineens klinken. In de keuken was ze aan het zingen. Een hele tijd bleef ik liggen luisteren, haar stem was zo helder als glas. Ze zong zo mooi als de zangeres op die elpee die vader laatst draaide. Op de platenhoes stond een prinses in een hoepeljurk. Nu gaat moeder weer vaak weg, dan moet ze zingen in de kerk. Soms mag ik mee.
Ze tilt me van de bagagedrager af en zet haar fiets tegen de muur. Voor de kerk staat een groot beeld van Maria in een lange jurk. Ze steekt haar armen naar voren. Het witte beeld steekt fel af tegen de helderblauwe lucht. Je kunt haar hart zo door haar kleren heen zien zitten, dat vind ik eng.
We lopen een lange trap op naar de ingang van de kerk. Moeder duwt de houten deur open. Binnen ruikt het naar wierook. Ze doopt haar hand in het wijwatervat en maakt eerst een kruisje op mijn en daarna op haar eigen voorhoofd. Het is donker in de kerk, zo donker als ’s nachts in mijn slaapkamer, wanneer ik zelfs de knuffels boven mijn bed niet eens meer kan zien. Moeder pakt me bij de hand en als mijn ogen wat aan het donker gewend zijn lopen we verder. Onze voetstappen klinken hol op de stenen vloer.
In het midden van het gangpad, tussen twee rijen kerkbanken in, knielt moeder en slaat een kruis. Ik doe haar na, de stenen voelen koud aan mijn knieën. Achter haar aan klim ik de smalle trap op, almaar rond gaat de trap, er lijkt geen einde aan te komen en ik word er draaierig van.
‘Denk erom, stil blijven zitten,’ zegt moeder, nadat ze me op het bankje naast de organist heeft gezet. ‘Als je lief bent gaan we straks een ijsje kopen.’
De organist is een oude man. Op het puntje van zijn neus balanceert een bril met halvemaansglazen. De paar haren op zijn hoofd heeft hij naar één kant gekamd. Over zijn brillenglazen heen tuurt hij aandachtig naar de bladmuziek op de standaard voor hem.
Ik ga zo ver mogelijk bij de organist vandaan zitten. Zit stil, zeg ik tegen mezelf, maar mijn benen willen niet luisteren. Ze stoppen niet met bungelen en mijn billen blijven op het harde houten bankje naar evenwicht zoeken. De bandjes om mijn enkels doen nog steeds zeer en ik heb het koud. In mijn zomerjurk zit ik te bibberen. Voorzichtig pak ik met duim en wijsvinger de zoom van mijn jurk vast en trek hem zo ver over mijn benen, dat ook mijn knieën bedekt zijn. Ik hoop dat we straks terug via de Hendriklaan rijden, dan komen we langs bakker Smeets. Die heeft de allerlekkerste softijsjes.
Moeder loopt naar de balustrade. Ze kijkt naar beneden, naar de volle banken aan weerszijden van het kerkschip en de pastoor bij het altaar. Ze let niet meer op mij. Ik kijk naar het orgel. De metershoge orgelpijpen tegen de muur reiken tot aan het gewelf. In elke pijp zit een gapende mond. Als magere, geharnaste soldaten staan ze in het gelid. Ze brengen me aan het duizelen. Daaronder zitten rijen witte en zwarte toetsen, ronde glanzende knoppen en houten pedalen vlak boven de grond.
Beneden hoor ik de pastoor praten, vanuit de kerkbanken mompelen mensen iets terug. Iemand moet hoesten. Er klinken belletjes, daarna is het helemaal stil. Door het gebrandschilderde raam valt een zonnestraal op de handen van de organist. Stofdeeltjes dwarrelen in het licht. Een paar tellen lang hangen zijn handen roerloos boven het klavier, de vingers gespreid. Dan laat hij ze neerkomen op de toetsen. De monden van de pijpen stoten hun klanken uit en de kerk wordt overspoeld door orgelmuziek.
Moeder staat rechtop naast de organist met de partituur in haar handen. Ze schraapt haar keel, zet haar voeten iets uit elkaar en dan voegt haar altstem zich bij het galmen van het orgel en klinkt het door de hele kerk: ‘Ave Maria.’
Het enkelbandje knelt nog steeds. Ik laat me van de bank afzakken. Nog één keer wil ik het proberen. Met alle macht trek ik aan het bandje, eindelijk lukt het om de gesp uit het gaatje te trekken en hem in het gaatje ernaast te peuteren. Snel klauter ik weer op het bankje. Zit stil, zit stil, nog even volhouden nu, het kan niet lang meer duren. Dan mag ik straks vast een oubliehoorn.

2 reacties

Mary van Dongen

zondag, 13:10

Heel beeldend beschreven, je ziet het voor je.

Wim Vonk

woensdag, 09:33

mooi in de beschrijving van details

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch