Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Ballon

Door Kai Thoumas

Vanaf een bankje aan de oever, aan de rand van het parkje aan de Oude Plantage, kijk ik uit over de rivier. Die doorklieft met een ruime bocht het land en stroomt naar de stad verderop, daarachter naar de zee. Het is een prachtige herfstdag. De zon staat laag aan de hemel en schenkt haar laatste warmte van het jaar. Er is geen wind. Aan mijn voeten liggen bladeren, oranje, geel, en oker van kleur. Thuis bood zelfs Bach geen troost meer en ik moest naar buiten, weg uit mijn burcht, weg van de onrust. Ik wilde ademen, gedachten verzetten, kijken, en voelen dat ik nog leef.

Ik heb een notitieblokje bij me. Ik kijk en schrijf op wat ik zie. Hoe meeuwen krijsend vechten om een plaats op de reling van de houten steiger. Hoe het ijle licht op het fletse beton van de stad aan de horizon valt, hoe de stoere stalen peilers van de bruggen uit het landschap oprijzen. Hoe een boeggolf zich pas uitstort over de oeverstenen als het passerende schip al bijna uit het zicht verdwenen is; alsof de rivier zich te laat en met een ruisende zucht realiseert dat er iets belangrijks is gebeurd.
Ik neem wat foto’s, en merk dan pas dat een klein meisje naast me op het bankje is gaan zitten. Ze kijkt dromerig uit over het water. Haar rossige haar heeft ze in een staart en haar gezicht is bedekt met sproeten. Ze draagt een warme witte jas en een groene broek met witte polkadots. Haar beentjes zwaait ze heen en weer, ze zijn nog te kort om de grond te raken. In haar rechterhandje heeft ze twee ballonnen aan draadjes, een knalrode en een donkerblauwe. Ergens komt ze me bekend voor.
“Wat een mooie ballonnen heb je daar. Hou ze maar goed vast, want anders vliegen ze weg,” zeg ik vaderlijk.
Ze kijkt even naar de kleurige objecten in haar hand, en dan naar mij.
“Waarom zit je hier?” vraagt ze met een glimlach.
Even ben ik verbaasd dat ze me tutoyeert, alsof ze me heel goed kent.
“Ik wilde wat foto’s maken van de rivier,” antwoord ik.
“Niet waar,” zegt ze, en kijkt weer naar het water.
“Wel waar, kijk maar.” Als bewijs laat ik haar mijn fototoestel zien.
Ze slaat nauwelijks acht op de kloeke camera en wendt haar vrolijke gezichtje weer naar de rivier.
“Waarom ben jij verdrietig?” vraagt ze, voor zich uitkijkend.
“Ik verdrietig? Hoe kom je daarbij?” zeg ik met een lach.
“Ik zie het toch,” zegt ze.
Even ben ik in de war. Wat een raar kind. Dan realiseer ik me dat iemand die gelijk heeft, hoe jong ook, niet raar is, hoogstens bijzonder.
“Ach weet je,” zeg ik terwijl ik de camera aan de kant leg. “We hebben allemaal wel eens verdriet, grote mensen net als kinderen.”
“Vind jij jezelf groot?” vraagt het rossige meisje.
Er prikt even iets in mijn hart, en ik laat haar vraag onbeantwoord. We zwijgen een moment en zwaaien samen naar de schipper van een passerende sloep.
“En jij? Wat kom jij hier doen?” vraag ik dan.
“Ik kom afscheid nemen van mijn ballonnen.”
Ik lach.
“Afscheid nemen? Waarom zou je dat doen? Ze zijn hartstikke mooi!”
Het meisje knikt driftig.
“Ja, ze zijn héél mooi. Ik heb ze gisteren van opa gekregen. Ik heb ze meegenomen naar mijn kamer. Maar daar zweefden ze meteen naar het plafond, alsof ze niet bij mij konden zijn maar naar buiten wilden. Dat vond ik heel zielig voor ze.”
Het meisje springt op van het bankje en neemt in elke hand het draadje van één ballon.
Dan opent ze de vingertjes van haar rechterhand.
“Dag lieve ballon!” kirt ze.
We kijken omhoog en zien hoe de donkerblauwe stip langzaam kleiner wordt tegen de lichtblauwe hemel.
“Wat zonde,” zeg ik.
“Nee hoor,” zegt het meisje lachend en met alle vanzelfsprekendheid van de wereld. “Ik ben superblij voor de ballon, die kan nu heel ver kijken!”
Ze reikt me haar linkerhand en geeft me het draadje waaraan de rode ballon vastzit.
“Hier, deze is voor jou. Misschien ben je dan niet meer zo verdrietig. Maar wel lief zijn voor de ballon, hoor! Dag!”
Verbouwereerd kijk ik haar na als ze vrolijk weghuppelt en in het park verdwijnt, net zo plotseling als ze is gekomen. Een wandelaar passeert me en ik zie zijn frons over een volwassen vent met een rode ballon op een bankje aan de rivier.
“Zou u een foto van me willen maken?” vraag ik beleefd.
De man versnelt nerveus zijn pas en kijkt nog eens om of ik hem niet volg.
Een volgende boeggolf spoelt ruisend over de oever. Het schip heb ik niet eens gezien. Ik neem een stift uit mijn etui, knel de ballon tussen mijn knieën en schrijf voorzichtig een paar letters op het gekromde oppervlak. Dan laat ik hem los.
“Dag lieve ballon,” fluister ik, en kijk de rode stip na tot die helemaal uit het zicht verdwenen is.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch