Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

barstend van verhalen

Door veere wachter

Ze strijkt met haar vinger over mijn arm. Een teder gebaar. ‘Mijn moeder had precies dezelfde kleur huid’ glimlacht ze. Ik zit aan een ronde eikenhouten tafel hoog aan een gracht in Amsterdam, bij mensen die ik nog niet ken, maar wel herken. Zij: zacht aanwezig, hij: witte haren en een iets melancholieke oogopslag, een shagroker. Er gaat een familiealbum open. ‘Dit is mijn grootvader’ wijst ze, naar een Indonesische man, in een wit pak, in een witte kamer ‘hij was tandarts en dit is zijn vrouw, mijn grootmoeder’. Een Hollandse vrouw gekleed in Sarong Kebaya. Het kindje op de foto moet haar moeder zijn. Of ze dezelfde huidskleur heeft als ik, kan ik niet zien op deze foto die sepia kleurt. Sepia. Dat is misschien mijn kleur wel. Uit een speciale enveloppe, die achterin het album zit, wordt een aparte foto gehaald. ‘En dit’ verzucht ze ‘is mijn vader’. Deze man lijkt zoveel op mijn vriend, dat ik mijn verbazing niet kan verhullen. ‘Ja kind, ze lijken op elkaar, niet alleen fysiek hoor, karaktertrekken, interesses, het is vrij bijzonder. Ik heb mijn zoon daarom ook naar mijn vader vernoemd, intuïtief haast, wonderlijk toch?’ Ik ben ergens blij dat ze zelf ook nog wat verrast is, nu, 33 jaar na de geboorte van haar zoon die de naam van haar held-vader draagt.

In het Wertheim park wordt haar vaders verjaardag jaarlijks gevierd. De datum is een familiedag geworden. Een Nederlandse kumpulan. We spelen croquet in het al koud aandoende, vochtige gras. De trams ringelen voorbij, het water klotst geruisloos door de gegraven kanalen – de stad in al haar glorie en veiligheid om ons heen. De laatste paar bladeren aan de bomen kleuren septemberrood. Ik ontmoet nu de hele familie, de andere kinderen van de held-vader, en hun kinderen, maar bij niemand herken ik de held-vader zo duidelijk als in de oogopslag van mijn blauwogige vriend aan wie ik mij grenzeloos aan het hechten ben. Het verhaal dat mij een paar dagen geleden aan de ronde houten tafel in de keuken verteld werd, laat me niet los. Over het witte koffertje van de held-vader, de grootvader van mijn vriend: Cary Mohr.

Ik heb iets met koffers en kisten. Zo lag er bij mijn oma thuis een kist met een batikken doek erover, soms een vaas met plastic bloemen of elektrische theelichtjes erop geplaatst. Ik wist wel dat dat de kist was, die ene hutkoffer die ze hadden mee mogen nemen, aan boord gestuurd naar Holland. Maar wat erin zat, of zit, wist ik niet en weet ik nog steeds niet. Hij zal ongetwijfeld geopend zijn op onbewaakte ogenblikken maar ík had hem nog nooit opengemaakt.

Eenzelfde koffer had ik eens bij een vriendinnetje thuis gezien. Boven op een kast. Niemand kon erbij. Het was geen hutkoffer, maar een handkoffer. De koffer, die ene koffer die men mee mocht nemen op transport gezet naar onbekende oorden, koud, ver weg, niet wetend. Deze koffer kwam terug met haar oma aan wie de koffer toebehoorde. Er lagen nu oude dekens in, en dingen nog van haar grootmoeder die ze ‘nog weleens uit moest zoeken’. Zo’n koffer ligt daar dan, op een kast, onder een bed, verhuld als bijzettafeltje. Ligt daar dan te zwijgen en te wachten. Barstend van verhalen.

Wie wil ze horen? Wie wil ze weer horen. Die verhalen vol met tranen. Laten we ze toch vergeten.

Mijn vriend gaat naar Amerika. Lang geplande reis. We kennen elkaar nog niet en zoeken nog. Maar er is weer dat ene, die ene onbenoembare liefde die terug gaat naar een verhaal dat buiten ons om is gegaan maar toch bij ons leven hoort, het verhaal van onze voorouders.

Een oogopslag wordt herkend. Een snaar wordt geraakt. Er wordt gekust, zachtjes naar elkaar uitgereikt in het holst van de nacht. Gaan we? Twijfel en angst. Niets is zeker. Ik was toch niet het meisje dat hij zocht en hij was niet de man die ik zocht. Maar we zochten elkaars verhaal. Een diepe duisternis gingen we in. We moesten elkaar door een tunnel slepen van angst en twijfel. Bij de uitgang lieten we elkaar los. Een noodzakelijk afscheid dat pijnlijker bleek dan ooit bedacht. De touwen van onze familieverhalen hadden zich in elkaar vervlochten maar wij werden geen verhaal. We gingen niet.

Na ons afscheid duurde het nog een tijd voordat de touwen ontknoopt werden, ook al zagen wij elkaar nooit meer. Ik miste zijn moeder, zijn vader. Het zoeken naar het geheim van de held-grootvader naar wie hij genoemd was. Het zoeken naar Indische verre vlammen en vragen. Ik drukte mijn neus in zijn vaders trui toen ik van hem afscheid nam. Hij rook naar tabak, naar warmte en liefde, naar verscheurdheid, naar de citronellaolie uit Java waarmee hij mijn gespannen nek eens had gemasseerd. Pitjit, zoals hij zelf zei. Hij noemde me meisje. Ik nam afscheid van familie die mijn familie nooit werd. Aan zijn moeder schreef ik een brief. We hadden elkaar op zo’n bijzonder moment in ons leven ontmoet schrijft ze me dankbaar terug. Het was waar. Handen die reikten naar elkaar vanuit een duister verleden; toekomst niet gegarandeerd.

Bij mijn oma op bezoek loop ik naar boven, de logeerkamer in. Daar staat de hutkoffer. Ik haal de lelijke decoraties eraf, de batikken doek, en open de sloten. De eerste laag is leeg. Ik haal hem eruit. Daaronder liggen mappen met brieven, foto’s, Chinese sterk geurende zeepjes, vreemde objecten waarvan ik zeker weet dat ze niet uit Indonesië komen, mottenballen, geurkaarsjes, wierookstokjes. Een pak tarotkaarten, tijdschriften over de oorlog. Een bamboe ruggenkrabber, een waaier, een grote schelp, wajangpoppen met enge ogen en broze armpjes. Een boek met een foto van grootvader erin, de boekenlegger wijst me de weg. Sigaret tussen zijn vingers, arm rustend over zijn omhoog gestoken knie. Een vermagerd gezicht, jukbeenderen goed zichtbaar, diepe oogopslag. Een wit onderhemd aan. Hij kijkt niet de camera in. Zo ken ik mijn opa, deze pose, deze karakteristieken nuances. Ook al is hij hier niet ouder dan 20 jaar en heeft hij vierentwintig uur per dag honger.

Bij mijn vriendinnetje die haar tweede kindje heeft gekregen ben ik op bezoek. Het babytje is naar haar oma vernoemd. Die overleed vorig jaar. Die overleefde Bergen-Belsen. De koffer hoog op de kast was die van haar. ‘Durf je die koffer open te maken?’ ‘Oh daar zit niks meer in hoor, maar ga je gang’. Ik klim op een stoel en reik naar de bruine koffer. Stof dwarrelt in mijn ogen. We maken samen de koffer open. Ik ben gespannen. Mijn vriendin heeft haar blik, even geconcentreerd en opgewonden, op haar kersverse babytje gericht. In de koffer zitten stoffen doeken met zilverwerk. Een koperen menora. Een visbestek. Een tinnen bekertje met gravures van Hebreeuwse letters. Een kleine Thora. Een kersenhouten kistje. Het kistje maken we open. Foto’s van oma’s en opa’s, van het kamp, van kinderen die onbekend bleven, die stierven. Een kettinkje met een Davidster. Mijn vriendin begint te huilen. Ze biedt haar excuses ervoor aan. Waarom? ‘Ik wist niet dat dit er allemaal nog inzat’ zegt ze zacht. Ze noemt de voornaam van haar dode grootmoeder, hardop. Even lijkt het babytje te reageren op haar nieuwe naam.

Het koffertje van Cary Mohr bleef veertig jaar onder een bed verscholen. Op een dag werd het geopend door zijn dochters. Het bevatte waardevolle historische documenten, uitgetypte verslagen, krantenknipsel, ansichtkaarten, foto ́s. Het koffertje werd geschonken aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Daar werd het verhaal verteld dat bij de inhoud hoorde. Wie hij was en wat hij deed. Ik was erbij op die dag, dat het koffertje werd geopend en overhandigd. Mijn vriend in Amerika. Ik ging als zijn afgezant en ik zou hem per e-mail verslag doen. Wist hij dat hij mij een groot cadeau gaf? Dat ik me ongeacht ons verhaal, aan zijn familieverhaal zou hechten? Waanzin van verstrengeling.

In dit koffertje zitten de schatten die zijn leven redde en dat van vele anderen in de kampen van Dachau en Natzweiler. Het exemplaartje van Seneca dat hij onder de ene oksel schuilhield. Het schriftje met het ragfijne potloodje, dat hij onder de ander oksel schuilhield. Dit schriftje bevatte het dichtbundeltje dat uit het gezamenlijk geheugen van de gevangenen was samengesteld. Met gedichten in het Russisch, Engels Frans, Duits, Nederlands. Cary Mohr sprak zijn talen. Verbond mensen met elkaar door te delen. Het hielp de gevangenen op adem komen, hoop behouden, in het kamp van dood en bederf. De poëzie die hij mensen hielp herinneren, op te schrijven, en te delen, redde levens. Op zondag werd eruit voorgelezen. Een ogenblik vrede in het midden van de oorlog. Het bundeltje gedichten van drie verzetsmannen, ware vrienden geworden in het kamp, was verloren. Maar werd hervonden toen het koffertje geopend werd. Vriendschap in een tijd van honger, angst en gevangenschap is niet vanzelfsprekend. Het is een godswonder.

Alle koffers van de wereld moeten open. Alle verhalen verteld. Ze zullen vrede scheppen in dit leven.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch