Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Bellenblazen

Door Alex Madoc

Het regende al drie dagen onophoudelijk. De regen kwam in dikke, kaarsrechte stralen omlaag.
,, Alsof Vrouw Holle de kraan open heeft gezet,” zei Arie tegen Jelle, zijn zoon.
Arie verzamelde al het hout wat hij vinden kon en begon een boot te bouwen.Eentje, die groot genoeg was voor zijn vrouw en zijn kind, met roeispanen, een roer en een zeil.
Toen het na vijf dagen nog steeds regende werd Jelle thuis gehouden van school.
,, Je bent klein voor je leeftijd, zei zijn moeder, Stel dat je struikelt en verdrinkt? en bovendien:Welk kind kan zich goed concentreren met natte voeten?”
Na zeven dagen begon het water de huizen in te stromen.Zandzakken hielpen niets meer, het water klotste er gewoon overheen. Arie bracht zijn gereedschap, het hout en het begin van de boot naar zolder om daar ongestoord verder te kunnen werken.Tegen die tijd begon het openbare leven stil te vallen; mensen gingen niet meer naar hun werk, scholen werden gesloten. Ziekenhuizen behielpen zich zo goed en zo kwaad mogelijk: Patiënten lagen dicht op elkaar, vanaf de tweede verdieping naar boven, want de begane grond veranderde in een aquarium.
De brandweer pompte onophoudelijk water weg. Niemand wist waarheen, maar veel mensen vonden het toch geruststellend dat ze dat deden.
,, Het komt goed, dachten ze, De brandweer heeft alles onder controle.”
Wanneer Arie niet aan het bouwen was, leerde hij Jelle kaartlezen en een kompas gebruiken. Ondertussen hamsterde zijn vrouw drinkwater en van alles wat niet zo snel bedierf, zoals voedsel in blikjes en potjes.
Op de negende dag kondigde de regering de noodtoestand af.
Arie had alle elektriciteit in het huis afgesloten. Hij had een wereldontvanger op zolder staan, die werkte op batterijen. Jelle zat op de grond te tekenen en te luisteren naar de radio.
,, Wat is een noodtoestand, pap?” vroeg hij.
,, Ieder voor zich en God voor ons allen, antwoordde Arie, En hopen, dat het goed komt.”
Hij wreef met een pijnvertrokken gezicht over zijn maag.
,, Gaat het, Arie?” vroeg zijn vrouw.
,, Goed genoeg, Femke,” antwoordde hij.
Buiten regende het onvermoeibaar door.
De boot vorderde gestaag. Hij had de kleur van sinaasappelkistjes, hij zag er prachtig uit.
De mast maakte Arie van een raamstok, het roer van een tafelblad, en hij bedacht, juist op tijd, dat een anker ook wel handig zou zijn.
Na vijftien dagen was de boot klaar. Arie lakte hem glanzend.
,, Nu alleen nog een paar dagen drogen,” zei hij, niet zonder trots.
De zolder was nog het enige droge gebied in huis. Ze deden er alles; slapen, eten. Jelle tekende en las boeken. Femke breide extra dikke sjaals voor als het koud werd op de boot.
Plassen en poepen deden ze in een emmer. Dat vond Jelle vies en leuk tegelijk.
De inhoud van de emmer kieperden ze uit het zolderraam, niet erg fris, maar tegen die tijd dreef er van alles voorbij, wat ook niet hoorde rond te dobberen. Zo zag Arie een collega van zijn werk langs drijven en een koe. Femke zag haar vaste kapster voorbij komen alsof ze de rugcrawl deed.
In een opwelling zwaaide Femke naar haar, maar de kapster kwam in een onverwachte stroming, kantelde een halve slag en dreef op haar buik verder.
Op de zeventiende dag dreef Jelles beste vriendje voorbij tussen graspollen en stukken plastic, zijn moeder hield hem bij de hand.
,, Ach! Misschien zijn ze verrast tijdens een wandeling,” dacht Femke.
Ze wachtte even met het leegkieperen van de emmer.
Berichtgeving op de radio gaf aan, dat het overal ter wereld regende, en omdat dat zo was, was er steeds minder berichtgeving, totdat de radio uiteindelijk stil werd. En toen klonk er niets meer, behalve een geluid, als van een gigantische douche, het roepen van mensen, die op de daken van huizen zaten en het gebonk van objecten, die tegen de muren van het huis aanbotsten.
De zolder stond nu ook onder water. Arie brak het zolderraam verder uit tot een opening, die groot genoeg was om de boot door omhoog te takelen. Door de opening in het dak stroomde de regen het huis in. Femke stond met Jelle onder een paraplu, terwijl haar echtgenoot eerst de boot het dak op takelde en daarna de bagage. Het viel haar op, hoe mager Arie geworden was. Zijn huid was geel, alsof hij teveel kerrie had gegeten, en zijn maag was gezwollen.
,, Je moet naar de dokter, Arie,” zei ze.
,, Die kwam juist voorbij, antwoordde hij, En hij zag er niet uit, alsof hij nog veel voor mij kon doen.”
Hij reikte zijn armen naar zijn vrouw en zijn zoon.
,, Kom, zei hij, Hoogste tijd als je het mij vraagt.”
Buiten was het een drukte van belang. Er werd geroepen vanaf de omringende daken.
,, Mooie boot, Arie! Kunnen we mee?”
Arie deed alsof hij niets hoorde.
,, Loop voorzichtig, de dakpannen zijn glad, zei hij, Stap snel in de boot en trek het dekzeil over je heen. Nu is het een kwestie van wachten, tot het water genoeg gestegen is.”
,, En jij dan? vroeg Jelle, Stap jij niet in, pap?”
,, Dalijk, jongen, zei Arie, Alles op zijn tijd.”
Het water steeg met toenemende snelheid. Er brak paniek uit.
,, Waar blijven de helikopters?!” was een veelgehoorde noodkreet.
,, Die komen niet voor ons,” dacht Arie.
Hij zat onbeweeglijk op het dak, met een paraplu boven zijn hoofd en een bezem in de aanslag.
Femke was naast Jelle onder het zeil gekropen. Er kwam Arie zacht gesnurk tegemoet.
Die nacht hadden verschillende mensen geprobeerd naar de boot te zwemmen. Eén had het gehaald.
Arie had hem zonder pardon met de bezem terug in het water geduwd. Het was Barend, zijn overbuurman. Hij kende hem al jaren. ’s Ochtends groetten ze elkaar glimlachend, voordat ze hun auto’s instapten om naar het werk te gaan. Nu duwde Arie Barend zonder pardon terug het water in, hij hoorde hem spartelen. Tot de bezem geen weerstand meer voelde.
Arie ging weer zitten, een beetje buiten adem. Er leek iets van ochtend te gloren, maar het onderscheid tussen dag en nacht was nauwelijks waarneembaar door het dichte regengordijn.
Jelle stak zijn slaperige hoofd onder het zeil door.
,, Kom je nou, pap?” vroeg hij.
Het water raakte de bodem van de boot.
,, De boot zal zo gaan dobberen, zei Arie, Ik duw hem van het dak af zodra hij los is. Gebruik je kompas. Navigeer naar de bergen.”
Arie legde zijn grote handen om het gezicht van zijn zoon, hij kuste hem op zijn voorhoofd. Het was een onwennig gebaar. Arie deed niet aan liefkozingen, dat was meer iets voor zijn vrouw.
De boot begon te wiebelen. Arie liet zijn zoon los, en maakte aanstalten om de boot een flinke zet te geven.
,, Pas goed op je moeder, jongen,” zei hij.
,, Kom jij dan niet, pap?” vroeg Jelle geschrokken.
,, Nog niet. Ik kom later. Ik ga eerst oma ophalen. Maar maak je geen zorgen: Oma heeft een opblaasboot, daarmee komen we achter jullie aan.”
Met een schokje kwam de boot los van het dak. Arie gaf hem een duw. De wind greep het zeil voordat Jelle nog iets kon vragen.
,, Blijf uit de buurt van de huizen, jongen!” riep Arie zijn zoon achterna.
Hij liet de paraplu als een kleurige bloem wegdrijven in het kielzog van de boot.Daarna klom hij omhoog naar het laatste stukje schoorsteen, dat nog boven het water uitstak. Er lag een tafel op met de poten omhoog. Arie kroop op het tafelblad. Hij begon te huilen. Het duurde even, voordat hij het doorhad; hij was al zolang zo doorweekt van alle regen, die onophoudelijk door sausde, dat hij het verschil tussen regen en tranen niet opmerkte. Totdat hij zout in zijn mond proefde.
Er streek een zilvermeeuw naast hem neer. Het dier keek hem oplettend aan, de kop een beetje schuin, zijn snavel schoot uit naar Arie’s arm. Arie draaide hem zonder pardon de nek om.
,,Ik zit op de top van een gigantische vuilnisbelt, dacht hij, Ik ben een nat feestmaal.”
De maagpijn overmande hem.
Hij kreunde, terwijl zijn bewustzijn het begaf.

Eindelijk was het stil.
Het was gestopt met regenen zonder dat Arie het merkte. Er was geen schoorsteen meer te zien, er was alleen nog een spiegelend, rimpelloos oppervlak, zo ver het oog reikte.
De tafel dreef aarzelend van de schoorsteen af en maakte snel water.
Arie was juist in een droom verzonken.
Hij zag Jelle bellen blazen in de achtertuin, zijn vrouw hing neuriënd de hagelwitte was aan de lijnen.
De hemel strekte zich eindeloos blauw.
Er bibberde een enorme bel omhoog in alle kleuren van de regenboog.
Jelle gaapte hem na.
,, Dat is zonder enige twijfel de allergrootste zeepbel, die ik ooit gezien heb,” zuchtte Arie bewonderend, terwijl hij traag het water ingleed.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch