Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Berli(j)n

Door Daniela Ludwig

Met tranen in mijn ogen raap ik de laatste spulletjes bij elkaar. Tranen van verdriet door het afscheid van mijn meisje, dat drie weken met haar vader op vakantie gaat. En tranen van voorvreugde. Vorfreude, schönste Freude. Ik grijp mijn trolley, gooi de rugzak over mijn schouder en huppel de trap af.

“Hoooooi”, zeg ik vrolijk tegen het stel dat ik tegenkom op weg naar de bushalte. Er komt geen ‘Hoi’ terug. Er komt helemaal niets terug. Ik lach om mezelf als ik besef dat ik op dit moment niet de behoefte heb om te sissen ‘Dan niet!’. Vandaag niet. Vandaag kan het me niet schelen, want ik ga: naar huis.

Bij de plaatselijke super haal ik nog snel een doosje Merci voor mijn lieve vriendin, die me morgen meeneemt op stedentrip naar Berlijn. Ik heb de behoefte om over mijn voorvreugde te vertellen, maar de caissière kijkt niet bepaald uitnodigend en haalt het natuurlijk niet in haar hoofd om te vragen voor wie het doosje Merci is.

Toen ze me bezocht, enkele weken na mijn verjaardag, vroeg mijn vriendin waar ik het liefst heen zou willen deze zomer. Ze zag aan me dat ik haar niet begreep en vulde aan: “Stedentrip, meid. Waar wil je heen?”

“Stedentrip? Ik? Wij? Jij en ik? Waarheen? Uhm… Duitsland natuurlijk!”

“Oke, welke stad? Wanneer ben je voor het laatst in Berlijn geweest? Ik twee jaar geleden.”

Ik denk na, tel, en durf het bijna niet te zeggen. “Drieëndertig jaar geleden”, fluister ik. Ik voel het schaamrood op mijn kaken.

“Nou, da’s dan duidelijk. Berlijn it is!”

De bus wordt vandaag weer eens bestuurd door de meest chagrijnige chauffeur die ik ken. In plaats van een begroeting een hoofdbeweging die maakt dat ik achterin ga zitten. Wellicht word ik misselijk, maar zelfs dat kan me vandaag niets schelen.

Vanuit de kiosk de geur van vers (af)gebakken american cookies. Mmm, wat zal ik doen? Ik ga nog zoveel zondigen deze week, dus deze sla ik over.

In de trein zoek ik een lege 4-persoons-plek. Trots zet ik mijn trolley voor mijn voeten en mijn rugtas naast me. Ik voel een stomme grijns op mijn gezicht, die door dit besef nog breder wordt. De meneer schuin tegenover kijkt me aan, maar glimlacht niet. Ik draai mijn hoofd om. Mijn grijns weerspiegelt in het vieze raam.

Het eerste wat ze zegt als ze me knuffelt, is: “Heb je nog wat van Kevin gehoord? Hoe lang is’ t nou geleden?” Mijn vriendin zet de trolley in de kofferbak. Hij wiebelt. “En waar is je wieltje?”

Ik schiet meteen vol. “Vijf weken. Nee, niet echt.”
“Wat zonde hé. Ik vind het zo erg voor je. Maar je hebt de mooie herinneringen. En je droom is uitgekomen. Nog één nacht met hem, zei je altijd. En die heb je.”

“Misschien hou ik er wel meer aan over dan herinneringen.”

“Hoe bedoel je?” Ze ziet de twinkeling in mijn ogen. “Oh god nee hé? Jullie hebben het zonder gedaan natuurlijk. Ben je over tijd?”

“Ja, drie weken.” Een stiekeme glimlach.

“Nou, dan zijn we misschien tegelijk zwanger.” Ik kijk haar verbaasd aan. “Ik moet je iets bekennen.”

“Ik zie hem weer.”

We zijn al vlakbij de grens. Aan haar gezicht zie ik over wie ze het heeft. “Nee joh, waarom? Is die nu ineens veranderd? Wat je ook doet, ’t is jouw zaak, maar mijn vriend is het niet meer, dat weet je!”

“Hij heeft zijn excuus aangeboden, en je weet zelf ook wel dat het maar eenmalig was. Het gebeurt niet weer, en bovendien hebben we alleen seks. Ik laat hem niet meer toe in mijn hart, gevoelsmatig hou ik hem op afstand, echt.”

“Dat jij hem dit kon vergeven, vind ik knap. Ik kan dat niet, niet na mijn verleden. Met agressieve alcoholisten wil ik niets meer te maken hebben. En nu ben je misschien zwanger van hem???”

“Tja, hij weet dat ik niets gebruik en dat ik graag nog een kind wil.”

“Ja, ik ook, maar niet met zo’n klootzak.” Ik vraag mezelf af of Kev eigenlijk ook een klootzak is.

“Nou, doe niet zo bitchy, misschien ben je wel in de overgang! Nix nie zwanger!” plaagt ze. Ik sla met mijn platte hand op haar been en zie op het nippertje het bord: Bundesrepublik Deutschland. Mijn hart slaat een keertje over. “Hup, gas d’r op!”

Nog geen uur later arriveren we bij het lang-parkeren-terrein in Düsseldorf. Lang parkeren, terwijl we over vier dagen al terug zijn. Maar daar wil ik nog niet aan denken.

De jongen achter de balie steekt zijn hand uit om de sleutel in ontvangst te nemen. “En je nummer?” “Die hebben jullie al.”, zegt m’n vriendin. “Ja, maar de jouwe nog niet.”; hij knipoogt naar mij. “Gaan we weer, ’t begint nu al!” Ze rolt met haar ogen en sleurt me mee het busje in. Vrolijke Turkse muziek klinkt uit de speakers. “Hallo die Damen, wo geht’s hin?”

Met een big smile on my face loop ik de luchthaven in. Drie bewakers big-smilen terug. “God, wat is het hier mooi! Kom, selfie-time! Ik ben in Deuheutschland!!!”

Nog vóór het inchecken zie ik een bakker. “Eine Stulle mit Zwiebelmett und eine Streuselschnecke.” “Zooo, heb je honger ofzo? Eet je al voor twee?”

“Nee, ik ben nu in Duitsland. Hier kan dat niet anders.”

“Waarom is het Duitse Easy-Jet personeel vriendelijker dan het Nederlandse?”

“Dat lijkt maar zo.”

“Echt niet. Op Schiphol word ik nooit zo lief aangekeken. En die stewardessen net, kom op. Zelfs de piloot gaf ons een hand. Heb je dat ooit meegemaakt dan?”

“Ik ben misselijk.”

“Wil je wat water, of een stuk van mijn brood? Ik heb nog over.”

“En dat zou je met me delen? Wat lief!”

“Natuurlijk! Alleen op de terugweg niet meer.”, grap ik.

Een uur en twintig minuten later landen we. Berlin Tegel. Ik moet huilen; het is écht. Eerst zien, dan geloven, is mijn motto. En ik zie.

Hoewel ik heus wel opmerk dat alles ietwat grijs lijkt, vind ik deze luchthaven veel mooier dan die in Frankrijk en Egypte. Meer heb ik er nog niet gezien. ‘THE BERLIN PASS’ staat op felrode borden. Daar moeten we zijn.

Na ontvangst van onze pasjes gaan we op zoek naar de juiste bushalte. De schuifdeuren gaan open; ik snuffel zesendertig graden warme Berlijnse lucht. “Jezus”, zucht mijn vriendin. Ik daarentegen geniet ervan. Duitse kentekens, Duitse taal, Duits vuil op straat. In de bus plof ik naast een jonge man neer. Hij lacht naar me: “Müde?”
“Nein, überhaupt nicht.”, lach ik terug.

Op weg naar het hotel lopen we langs een Rewe. Voor de ingang van de supermarkt bevindt zich een bistro. Een heel buffet vol Oost-Duitse lekkernijen. Als een kind voor een snoepwinkel staar ik naar binnen. “Nou gekkie, kom dan, we moeten sowieso nog eten.” Ik ren naar binnen.

De meneer achter de toonbank ziet me kijken. “Na, was darf’s denn sein?”
“Ich hab keine Ahnung. Ich will alles.” Hij lacht. Ik kan echt niet kiezen. Een oudere dame naast me heeft medelijden met me, of geen geduld meer, en roept: “Armes Kind, komm ick helf dir. Ick nehm den Leberkäs, du die Boulette, und dann teilen wir uns dat. So kannst gleich zwee Sachen probiern.”

Verbaasd kijk ik haar aan. “Echt? Das wäre cool. Voll nett! Danke!” We rekenen af en zoeken een tafel voor vier uit. De oudere dame komt bij ons zitten en bombardeert ons met vragen. “Aber Holland is doch ooch schön!?”

Ja, geef ik toe, maar dit, dit is beter. “Ick weess, ick wohn hier schon meen janzes Leben und werd Berlin nie verlassen. Naja, vielleecht mal in den Urlaub, aber Berlin is Berlin.” En zo is dat.

Met volle buikjes lopen we richting het hotel. “Waar is het dan?”, vraag ik. “Hier, vlak voor je neus, doos!” Ik kan mijn ogen niet geloven; ik had zoiets als een jeugdherberg verwacht. Hier durf ik bijna niet naar binnen. De luxe die de buitenkant uitstraalt, wordt binnen in tienvoud overtroffen. We moeten zowat een heel voetbalveld over om bij de enorme receptie te komen. Alles glanst en glinstert. “Weet je zeker dat we hier goed zijn?”, vraag ik. Mijn vriendin duwt me naar de balie. “Jij moet het woord doen, jij kan beter Duits als mij!”
“Dan ik.”, plaag ik.

“Guten Abend, die Damen. Was kann ich für Sie tun?” Voorzichtig zeg ik, dat we willen inchecken. Vriendelijk zoekt hij onze gegevens op en overhandigt ons onze ‘sleutel’. Nadat hij ons uitgelegd heeft welke lift we moeten nemen, waar de spa is, wat de openingstijden zijn, waar het restaurant en de bar zich bevinden, vanaf hoe laat we kunnen ontbijten, met welke tram we naar het centrum kunnen en waar de dichtstbijzijnde supermarkt is, loop ik haast op tenen naar de glimmende liften. ‘Ja, die supermarkt ken ik al’, grinnik ik stilletjes.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch