Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Beste man op de muur

Door Cliff de Rouw

Ik kon weer eens niet slapen, maar dat is niet erg. Het is een mooi gezicht om de stad te zien uitgaan. Dat kan ik altijd goed zien van vanaf zeven hoog. Nu is de straatverlichting de mensen alleen nog tot last. Ik breng de fles naar mijn mond en de jenever brandt in mijn keel. Een bodempje gutst terug de fles in. Verdomme is die alweer bijna op. Wat zeurt er hier toch zo? Zijn het de leidingen? De verwarming staat toch uit?
‘Dag beste man op de muur, wat ben je helder vannacht. Dat komt goed uit, want ik kijk liever naar jou dan naar die kerel in de spiegel. Jarenlang heb ik naar hem gekeken. Ooit met voldoening en dan kamde ik zijn blonde haardos naar achteren. Het was in een tijd dat ik nog voor de liefde danste. Dat ik voor haar op mijn knieën viel om te lachen of te huilen. Noem me een simpele jongen, maar mijn eerste liefdeservaringen deed ik op in de kroeg. Het bier deed mij daar schommelen als een matroos in een storm op zee. Meestal sloeg mijn boot om en zoete parfum lokte me dan naar rondingen toe alsof het reddingsboeien waren. Een vrouw hoefde van mij geen sprekend gezicht te hebben, zolang ik aan het einde van de avond maar de wijn van haar lippen mocht kussen, dan ging de storm vanzelf weer liggen. Zo dacht ik liefde te kennen totdat ze in de vorm van Eva voorbijkwam. Ze stapte de kroeg binnen. Een verschijning vol contrasten. Ze sloeg haar rode haar naar achteren, waardoor het tussen haar schouderbladen golfde en het licht op de witte huid in haar hals viel. Ze droeg een satijnen, donkerblauwe jurk, de contouren van haar heupen en lange benen kwamen er mooi in uit. God wat moest dat stofje fijn voelen. Ze keek de zaal in. Haar felblauwe kijkers schenen op mij en weer verder. De schoonheid was op zoek naar vermaak. Dat zag ik aan het glimlachje dat doorbrak toen ze even naar me keek. Het was een kleine lach vol ondeugd. Bij zo’n vrouw moet je natuurlijk niet te lang wachten. Ik liep op haar af en pakte haar hand. Ze ging met me mee en we dansten, elegant en in stijl, en we haakten in om te stampen op de houten vloer zo hard dat het klonk alsof we klompen aanhadden. Maar wat we ook deden, zij straalde als de hemel, ik was de gelukkige. Die avond ging ze met me mee en ze liet me haar vasthouden. Het was alsof de wereld om ons heen vergaan was en ik met haar in de eeuwigheid zou rondzweven, maar dat was niet zo. Een paar weken later lag ze weer naast me in bed. Met een blos op haar wangen keek ze me aan. Haar ogen sprankelden en een gloed van voldoening rustte op haar. Op dat moment was ze op haar mooist. Een absolute Venus. Nooit meer zou dit beeld geëvenaard kunnen worden, niet in mijn leven, en niet in dat van haar, althans niet met mij. Ik had het hele universum in mijn handen en ik kon alleen nog maar verliezen. Dat wist ik, een mens kan niet weten wat liefde is zonder pijn te kennen. Het is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het leek me voor ons allebei beter om wat afstand te bewaren, niet te veel natuurlijk, maar gewoon wat, om haar daar te houden. Een beetje liefde, een beetje pijn, dat was wel genoeg voor ons. Sukkel dat ik ben. Ik had haar moeten vastpakken en tegen me aan moeten drukken, om alles van haar in me op te nemen. Met het risico dat ik en alles waardoor ik overeind bleef zou instorten wanneer ze bij me weg zou gaan. Ik dacht dat te voorkomen, maar een dom manwezen als ik kent zijn eigen zwakte niet. Toen het eenmaal zo ver was klapte ik op de grond en boorde er dwars doorheen, rechtstreeks naar een plek waar een mens zeker wist dat het niets meer voorstelde. Een zwart stinkend gat, waar ik meteen weer weg wilde, maar de drank hield me daar. Het donker en de geur van oud bier en zweet wende. Het voelde al gauw als thuis, het was er veilig, ver van mensen, ver van liefde, ver van pijn. Soms probeerde een vrouw me nog weleens uit dat gat te halen. Maar dat moest ze niet willen, zij niet, ik niet, niemand niet. Of Eva is ingestort, weet ik niet. Ik weet wel dat ze eruit is gekomen. Jaren later zag ik haar lopen aan de arm van een man. Voor hen liep een jongetje. Gelukkig zag ze me niet. Ze keek naar de man en het jongetje met een blik die in het niets viel bij de blik toen ze naast me lag. Dat was liefde.’
Diep adem ik in en ik zucht het weer uit. Mijn voeten zijn koud, ondanks mijn sokken. De verwarming staat zeker niet aan.
‘Toen Eva bij me weggegaan was, stond ik nog vaak voor de spiegel. Het haar van de man was stroachtig geworden, de huid kende meer rimpels op het voorhoofd en leek rossiger op de wangen. Dat is de tijd, of het leven of allebei. Het maakte ook niet uit. Ik wilde weggaan, maar bleef toch staan. Het zat hem in de ogen. Qua structuur en kleur leken die niets veranderd, het was de blik. Ik vertelde de man dat hij nog altijd dezelfde was. Glazig staarde hij me aan. Ik zocht naar de levendige jongen die ooit in hem zat, maar na lang zoeken ben ik weggelopen. Vanaf toen ging ik nog weleens voor de spiegel staan, rimpels veranderden in groeven, daar kon ik niets meer aan doen, ik kwam alleen nog voor het haar, maar ook dat werd minder. Daarom, beste man op de muur, ben ik blij dat jij er bent. Jij bent grijs, vlak, en ook alleen. Maar wat kan een man alleen? Wat is er nou nog voor ons? Ik heb het allemaal wel meegemaakt. Wat moet ik hier in godsnaam nog doen?
Ik zet de fles aan mijn lippen en gooi mijn hoofd naar achteren. Een scheutje prikkelt op mijn tong. Ik zuig en schud nog, maar er komt niets meer uit. De fles glijdt uit mijn hand en klettert op de tegels. Ik zet een paar stappen naar voren en ga met mijn vingertoppen over het stucwerk op de muur.
‘Antwoord me, alsjeblieft?
De wind suist langs de ramen, alsof ze naar me roept, en de gedaante voor me vervaagt.
‘Waarom ga je er nou vandoor? Vuile klootzak! Je hebt zeker geen antwoord!’ Mijn vuisten rammen op de wand en het dondert door de hele kamer totdat ik alleen nog de wind hoor roepen. Ik loop naar het raam. Buiten hebben de wolken de nacht zwart gekrast.
‘Ik begrijp wel dat je bij me weggegaan bent. Ik heb je dat verhaal over Eva al meer dan tien keer verteld. Eigenlijk ben ik de enige die jou hier houdt. Jij zit vast aan mij. Jij kent de verdoemenis van een schaduw die geketend zit aan een ziel die wil leven in het donker. Maar weet je wat, beste man op de muur? Jij hebt me lang genoeg vergezeld. Ik zal je verlossen.’
Ik schuif het raam open en steek mijn kop naar buiten. Het is alsof er beneden niets meer is, alleen een donkere waas. Ik wrijf in mijn ogen, maar zie de straat nog steeds niet. Ik zie alleen een leegte, een leegte voor mij alleen. Ik laat me voorovervallen, met mijn kop naar beneden, zodat ik dadelijk zeker weet dat ik dadelijk niets meer voorstel.De wind gilt in mijn oren en de adrenaline giert door mijn borst naar mijn tenen en weer terug naar mijn hoofd. Knal! Het is koud hier en alles is zwart. Rechts slaat een deur open en Eva stapt naar binnen. Haar felblauwe ogen schijnen door de ruimte en landen uiteindelijk op mij. Ze lacht naar me, ondeugend. Ik ga eropaf en pak haar hand vast. ‘Kom schat, laten we zweven.’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch