Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Bitterbal

Door Renze Borkent

Daar lag hij. Hij was groter dan alle andere geweien die ik eerder vond. Met mijn vingers voelde ik aan de harde punten. De Jeep die achter me stopte, hoorde ik niet. Toen ik me omdraaide was de onderzoekende blik van de boswachter op me gericht, voor zover minder intelligente mensen onderzoekend kunnen kijken.

‘U bent van het pad af,’ zei hij.

‘Dat klopt. Er is niets heerlijkers dan struinen in de natuur, niet dan?’ Tegenover sukkels als deze kon je beter de vermoorde onschuld spelen, een beetje meebewegen; zo bood je ze de gelegenheid nog enigszins zonder reputatieschade het veld te ruimen.

‘Weet u niet dat u op de paden moet blijven? Heeft u de borden niet gezien bij de ingang? U verstoort zo de rust van de herten.’

Dacht deze stakker werkelijk dat mijn gestruin door het bos meer onrust veroorzaakte dan zijn dagelijkse geïnspecteer van het welzijn van de herten? Met z’n four-wheel-drive Jeep? Of was het gewoon ordinair machtsmisbruik? Ik keek naar de boswachter. Oom agent was steeds meer in hem naar bovengekomen. Eerst leunde hij nog tegen de Jeep, nu stond hij wijdbeens recht tegenover me.

‘Hier staat een boete op van 180 euro, vanwege toenemende misstanden zijn we hier strenger op geworden,’ zei hij.

Iets in de toon van zijn stem maakte dat mijn vingers gingen trillen, mijn spieren verkrampten, ik zette me schrap.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei ik, ‘dan heb ik de borden over het hoofd gezien.’ Die borden had ik al twintig keer gezien.

‘En u hebt daar een gewei, die kunt u meteen aan mij geven. Geweien zijn eigendom van Staatsbosbeheer en worden in beslag genomen,’ zei hij. Hij dreunde zijn standaardlijstje op.

De verkramping in mijn spieren zette door, ik wist het nu zeker: dit is een schlemiel die blijft doordrammen. Ik weet niet precies meer hoe het daarna ging. Het gebeurde me de laatste tijd wel vaker dat er opeens flarden weg waren, stukjes tijd, onbewaakte ogenblikken, zeker als ik mijn medicijnen niet had ingenomen. In ieder geval hielden we op een gegeven moment allebei het gewei vast. Getouwtrek. Een instinctief gevoel van woede maakte zich van me meester. De verkramping in mijn spieren zette zich om in een vulkaanuitbarsting, een explosie van wilde razernij. Een lawine tegenhouden is onmogelijk, al zou je het willen. Met een felle haal bracht ik de stang naar me toe, de punt schoot omhoog toen hij opeens losliet. Het volgende moment lag hij op de grond. Het gewei stak door de bovenkant van de keel zijn strot in, dwars door zijn luchtpijp. Het bloed spoot alle kanten uit en zijn luchtpijp en keel maakten een gorgelend geluid, als een stofzuiger die te grote stukken papier opzuigt.

Daarna was het stil.

Ik pakte het gewei en smeerde de rode punt af aan wat bladeren en mos op de grond. Ik weet nog dat ik om me heen keek en niemand zag. Snel, terug naar de auto, dacht ik. Ik rende niet, maar ik liep sneller dan normaal. Terug op het pad kwam ik de eerste mensen tegen. Ze keken wel even naar het gewei, trokken hun wenkbrauwen op, maar hadden verder niet iets in de gaten.

Na ruim een kwartier bereikte ik de parkeerplaats bij de ingang van het bos. Het gewei legde ik achterin mijn Peugeot. Ik stopte de autosleutels in mijn zak en liep richting de koffietent. Normaal gesproken zou iemand in zo’n situatie misschien keihard zijn weggerend, totaal radeloos. Ik voelde wel een soort zware steen die om mijn nek hing, maar tegelijkertijd een vreemd soort opgeluchtheid. Niemand had iets gezien en het gewei lag veilig in de kofferbak. Ik liep, zelfs rustiger dan ik normaal zou doen, richting het terras aan de achterkant van de koffietent. Tegen de tijd dat ik daar aankwam hoorde ik een sirene van een politieauto. Mijn vrouw Iris en schoonzus Babette hadden een glas witte wijn, broer Herman dronk een kop koffie en onze jongens genoten van de cola.

Het terras zat ongeveer halfvol en er waren genoeg stoelen waar ik uit kon kiezen. Ik koos voor een stoel die mij uitzicht verschafte op de ingang van het bos. Nadat ik net een dubbele espresso had besteld hoorde ik een tweede sirene. Een ambulance.

Achter de bomen en de heg rond het terras zag ik zwaailichten. De politieauto stond bij de ingang van het bos, een meter of dertig van het terras vandaan. Ik had sterk de neiging ernaartoe te rennen en als eerste te vragen wat er aan de hand was, of gewoon de ramptoerist te spelen, als een misdadiger die terugkeert naar de plek waar hij heeft toegeslagen. En precies hierom bleef ik zitten in de rieten stoel op het terras. Ik had ook kunnen voorstellen om te vertrekken, nu kon het nog. Maar het zou nergens op slaan, Iris en Babette hadden hun wijntje nog niet half op en mijn bestelde dubbele espresso moest nog worden gebracht. Een gesprek aanknopen met Herman was het laatste waar ik nu behoefte aan had. Gelukkig was hij nog altijd verdiept in zijn smartphone.

Ik keek naar de ingang van het bos, waar zich inmiddels een groepje mensen had verzameld, blijkbaar nieuwsgierig geworden door de zwaailichten. De meeste mensen op het terras bleven gewoon zitten.

De dubbele espresso werd gebracht; ik gooide hem in één keer naar binnen. De scherpte en concentratie die nu nodig was kwam alleen niet. Ineens veranderde de opgeluchtheid in een zekere opgelatenheid. Mijn spieren voelden even stram als het gevlochten riet in de stoel waarop ik zat. Mijn hart sloeg heipalen in mijn binnenste. Ik bestelde een witbiertje met bitterballen en deed er een jonge jenever bij, voor de zekerheid. Ik moest losser worden, relaxter.

Op een gegeven moment – voor mijn gevoel zat ik al een eeuwigheid op het terras – was in het bos een luid blaffende hond hoorbaar. Niet dat ik er veel aandacht aan kon schenken, want in mijn hoofd hoorde ik meer en meer stemmen die om het hardst riepen. Scenario´s. Vluchtwegen. Ik oefende ze een voor een, of beter gezegd, allemaal tegelijk. Hard wegrennen. Kokhalzend het terras verlaten, geveld door een plotselinge buikgriep. Naar de auto lopen, ik ga alvast even tanken. Naar het toilet, heel lang. Hoe meer varianten ik me voorstelde, hoe vaster ik kwam te zitten in mijn stoel.

Ik pakte een houten prikkertje en stak hem diep in het vlees van de laatste bitterbal. Gelukkig stelden Babette en Iris op dat moment voor om naar de auto te gaan, de jongens waren het ook zat. De politieauto´s – inmiddels waren het er drie – stonden er al een tijdje, ze sloegen er geen acht meer op. Ik draaide me om en keek in de ogen van Iris. Er was iets, ik zag het meteen. Ze keek langs mij heen, naar iets in de verte, naar de parkeerplaats. Ik volgde haar blik. Een opgewonden politiehond stond met zijn voorpoten op de achterbumper van mijn Peugeot.

‘Wat krijgen we nou!’ zei ze. Ze beende met snelle passen richting de parkeerplaats, meteen gevolgd door Babette. Ik bleef zitten, ik kon niet anders.

Dat gewei was ik dus kwijt. Die wilde ik ook best teruggeven, zo belangrijk was het nu ook weer niet. En de rest was een ongeluk. In de hitte van de strijd, zo gaan die dingen.

Wat er daarna gebeurde kan ik me niet zo goed meer herinneren. Ik weet nog dat Iris met twee politieagenten stond te praten, naast onze Peugeot. Ze keken door de achterruit in de kofferbak. Op een gegeven moment keken ze naar het terras. Ze keken naar mij. De geluiden om me heen werden doffer, mijn hoofd zat vol watten. Herman, die opeens een en al aandacht voor mij had, stond op me in te praten. Ik verstond er bijna niets van, het waren holle frasen, fragmenten, flarden. Iets met ‘gaat het goed’, wat ik op dat moment een rare opmerking vond. Dat vraag je meestal aan het begin van een ontmoeting, niet aan het eind. De stoel waarop ik zat werd steeds zwaarder en leek langzaam een moeras in te zakken. Mijn vingers begonnen te tintelen, de dingen om me heen werden fletser. Als in een zwart-wit film die in slow motion wordt afgespeeld, zag ik de agenten en Iris naderen. Die ogen van Iris, zo had ze nog nooit gekeken. Het was een ongeluk, wilde ik nog zeggen.

Daarna werd het zwart voor mijn ogen.

*

‘Dat was het?’ vroeg de psychiater nadat ik een tijdje stil was geweest. Hij had de hele tijd aandachtig zitten luisteren, maar nu zakte hij onderuit in zijn stoel.

‘Ja,’ zei ik, ‘dat was het.’

‘Goed, goed,’ zei hij langzaam. ‘We gaan morgen verder.’

Ik stond op en liep weer terug naar mijn cel in de observatiekliniek.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch