Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Blijf nog even, mama

Door Eline van Bruggen

De ademhaling vertraagde. Het hart kwam tot stilstand. Was er nog iets wat ik kon doen? Nee, natuurlijk niet, ik had twee linkerhanden en reuma in beide. Wat kon ik nou helemaal doen? Dat hart zou stil komen te staan, zoveel was zeker. Met of zonder reuma.

Het had plotseling gemoeten. De morfine was al geregeld; dat had zij gedaan. Illegaal, natuurlijk, hoe kon het ook anders. Haar nieuwe man vertelde het me, over de telefoon. Te laf om het me in mijn gezicht te zeggen. ‘Je moeder, ze heeft het weer eens op haar heupen. Ze wil ermee ophouden.’
De zon scheen die dag, dat was fijn. Het was een mooie ochtend, volgend op zoveel grijze dagen, alsof de zon wist dat hij van de tijd gebruik moest maken om nog even gezien te worden. Alsof hij wist dat hij het binnenkort met een paar ogen minder zou moeten stellen. Ik zou met de kinderen een fietstocht gaan maken – de belofte van een ijsje bij de molens had hen overtuigd. Misschien dat we nog even bij oma langs zouden gaan, als ze zich goed voelde.
Dat ijsje is er niet van gekomen.
Haar nieuwe man hield niet van ijsjes. Ook niet van fietsen, of van kinderen, overigens. Heel misschien dat hij van mijn moeder hield, maar ik betwijfelde het. Echte liefde vergt iets wat hij simpelweg niet had.
‘Ik ben even aan de telefoon, Geertje,’ ging hij verder, nog voor ik hem kon onderbreken. Gemompel aan de andere kant. Ik beeldde me in hoe mijn moeder een gezicht trok en zich weer op haar krant richtte. Met mijn gezicht spiegelde in het hare.
‘Het is beter als je hiernaartoe komt,’ klonk het scherp. Pas na een lange stilte kwam het hoge woord eruit. ‘Ze wil dood, Kasper.’
Het weigerde bij me binnen te komen. Ik zag haar zitten, met haar voeten in versleten pantoffels onder de dekens uit, omdat het anders te warm zou zijn, en haar krant dicht op haar oude ogen. Lachend om de strips en zuchtend om al het andere.

De kinderen. Godver, ik was hen helemaal vergeten. Hoe zeg je zoiets? Oma kon nog lachen en zuchten. Natuurlijk, ze was ziek en had veel pijn, maar een oma die nog kan lachen en zuchten, die is er nog wel even, toch? Dat zei ze ook altijd, wanneer ik haar als klein kind vroeg of ze op een dag dood zou gaan. ‘Dood gaan we allemaal. Maar ik ben er nog wel even.’
Even leek toen lang genoeg.

Niet veel later zat ik op haar bed. Papa was naast ons, in een zilveren lijstje, glimlachend op het nachtkastje. Mijn moeder keek van papa naar mij en weer terug, alsof ze wilde zeggen:
‘Kom nou, Emile, een paar woorden maar. Wat zeggen de doden zoal?’
Ze wilde er niet teveel woorden aan verspillen. De zaak was, wat haar betrof, uitgemaakt. Ze hield mijn hand vast, zo stevig als ze kon.
‘De dood wacht om de hoek op me. Dat heb ik altijd geweten. Ik wist alleen niet welke hoek. Laat het dan maar deze zijn.’

Ze wilde het hem niet aandoen, haar nieuwe man. De pijn die haar te wachten stond, die ook hij zou voelen, het verdriet. En mijn verdriet dan? Ik zou het langer met me mee moeten dragen. Wanneer ik zelf zou sterven zou het verdriet meer zijn, langer zijn, dan het anders was geweest. Was dat wat ze wilde, voor ons beide, zo’n einde?

Ze was nog zo mooi, in de stilte die om haar heen hing. De stilte die haar zo goed stond, zoals alles haar altijd goed had gestaan. Ze was oud geworden zonder dat ik er erg in had gehad. Ik had beter moeten kijken, bedacht ik me te laat.
Ze haalde haar agenda uit het laadje van haar nachtkastje.
‘Kijk,’ zei ze, terwijl ze met trillende vingers naar het einde van die maand bladerde. Ze liet me de pagina’s zien. Hier en daar had ze iets neergekrabbeld: verjaardagen, de planten water geven, Het geheime dagboek van Hendrik Groen op maandagavond. Op woensdag kwam Sanne, de hulp in de huishouding, op donderdag stond alleen een kruisje.
‘Ik mis de rest van de serie, maar goed, zoveel maken die oudjes nou ook weer niet mee. De hulp durfde ik niet af te bellen, daar reageert ze nooit zo goed op. Het is ook wel fijner, een schoon bed. Een schone wc, voor het geval dat je toch op het laatst nog even moet.’
Ik lachte met een snik. Mijn moeder deed haar best om haar hand op te tillen, mijn wang aan te raken – ik boog voorover en legde mijn hoofd in haar knokige vingers.
‘Niet huilen,’ zei ze, het puntje van mijn neus met haar duim strelend om de tranen weg te vegen.
‘Ik huil niet. Hoe kan ik huilen als ik kwaad ben?’
‘Niet boos zijn,’ fluisterde ze.
Ik wilde het, voor haar.

Ik denk dat ze ernaar uitkeek; de eeuwige slaap. Ze verheugde zich op het weerzien met papa, dat wist ik zeker.
‘Geef hem maar een kus van me, als het zover is,’ had ik haar glimlachend gezegd. ‘Maar nu ben je gelukkig nog even hier.’
‘Nu ben ik nog even hier,’ had ze beaamd.

Het einde van de maand kwam veel te snel. Mama deed iets wat ze nog nooit had gedaan: ze huilde, alsof ze de tranen die ze van mijn neus geveegd had nu zelf kwijt moest raken. Ze huilde bij de ongevallen van Hendrik Groen, en bij het zien van de hulp, en toen ik de planten een voor een naar haar kamer tilde zodat ze die vanuit haar bed een ruime hoeveelheid water kon geven. Op donderdag waren de tranen op. Ze had die nacht geprobeerd wakker te blijven, voor mij, omdat ik weigerde van haar bed op te staan, maar toen de zon opkwam begonnen haar ogen dicht te vallen.
‘Brand je een kaarsje voor me?’ murmelde ze nog.
Dat deed ze altijd voor mij, in elke kerk die ze binnenliep, en dat waren er veel. Daarna vertelde ze me dat ze weer even extra aan me had gedacht, en ik zei haar dan dat ik dat gevoeld had.
‘Zo’n kaars is een uiting van liefde,’ zei ze altijd, ‘en het kost maar een gulden. Da’s goed bekeken, niet waar?’

’s Ochtends hadden de kinderen haar een kus gegeven, toen ze al sliep. De avond daarvoor zaten ze nog even bij haar op bed. Ze speelden schaak, mijn moeder gaf advies.
‘Komt u ook naar mijn eindfeest van school, oma?’ vroeg mijn oudste. ‘We doen de musical dan, met heel groep acht. Ik speel een zuster die aan iedereen koekjes uitdeelt.’
‘Ah, koekjes,’ zei mijn moeder, ‘wat een mooie rol.’ Daarna was ze stil.
‘Oma?’
‘Ik ben er toch altijd, meis. Altijd.’
Altijd is niet hetzelfde als even. Ik wilde altijd, net als mijn kinderen. Maar anders dan mijn kinderen wist ik dat mijn moeder haar belofte zou moeten breken. Ik had me ingebeeld dat mijn moeder op de voorste rij zou zitten, naast mij, wanneer mijn dochter met haar koektrommel door de zaal liep. Oma zou twee koekjes krijgen en het hards klappen van iedereen. Ik wilde altijd, en als dat niet kon, dan toch nog iets langer dan even. Er zijn momenten waarop een mens zelfzuchtig mag zijn, dat is nou eenmaal zo. Dat gold voor mama, maar het gold ook voor mij.

De geur van ouderdom hing in de kamer, en die van slaap. Gerijpte slaap, te lang op de planken laten liggen. Er klonk gesnurk vanonder de dekens. Mama snurkte niet.
Ik kwam dichterbij, slootte mijn tenen tegen het nachtkasje en vloekte zacht. Mijn stem verstoorde de slaap, ogen glommen op in het donker. Ze vochten tegen de rimpels die hen omringden, gleden toen van mijn gezicht naar mijn hand.
‘Is dat…?’
Ik knikte.
Ik had nog nooit iemand zo’n spuit toegediend. Het had net zo goed een griepprik kunnen zijn. Een medicijn tegen overrijpe slaap.

‘Ik had geen keuze, dat snapt u toch wel? Wat zou u gedaan hebben, in mijn plaats? Als het uw moeder betrof?’
‘Ik zou geen moord hebben gepleegd.’
‘Dit is geen moord. Dit is redding.’
‘Van wie?’
‘Van mijn moeder natuurlijk. En van mij.’

Om haar nieuwe man hoefde mama zich in ieder geval geen zorgen meer te maken. Hij was de hoek om gegaan.

Zij en ik, we konden nog heel even huilen. Nog heel even kon ik kwaad op haar zijn. Haar warme handen vasthouden. Even nog kon ik een kaarsje voor haar branden, naar het vlammetje kijken en aan haar denken, en haar dat later vertellen, zodat ze mij kon zeggen dat ze dat gevoeld had.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch