Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Briezen

Door Dieter Desmet

Ik heb een kleine werktafel neergeplant in een verloren veld. De ijskoude grond doet mijn blote voeten verstenen, haast gevoelloos worden. Een sombere kraai vliegt vrijwel meteen weer op wanneer de ondoordringbare leemgrond hem een halt toe krijst. Kille wind laat de herinneringen die het veld ooit wist te planten weer opvliegen. Hij streelt het door vriestemperaturen versteende oppervlak. Sust het. Dommelt rustig in. De bries krult zich rond mijn naakte voeten, klampt zich vast en gaat op zoek naar nieuwe feiten. Routineus dwaalt ze rond. Emotieloos.

‘Kom hier’, fluistert ze me in wanneer ze op oorhoogte komt, ‘kom hier en breek me zodat ik overleef.’

Op tafel liggen vergeelde vellen papier waarvan de rand zich al naar boven krult. Neemt de wind in ontvangst. Een welkom. Een halfleeg geschreven, inktvlekken stotterende balpen brengt sporadisch haar lippen naar het blad. Emotieloos.

Kruimels die ooit onder het schap van het simpele bureau werden geveegd laten zich gewillig wiegen in de wind. Als een man die van hot naar her loopt en zelf leger en leger wordt geperst. Omdat het zo hoort. Zo moet, heeft hij van horen zeggen.

Als ik heel erg mijn best doe, kan ik, door om te kijken, de holle warmte van het dorp voelen. De plaatsen waar ik opgroeide en dat nog steeds doe. Hoe meer lentes ik tel, hoe minder het dorp zijn roep me weet te overhalen. Ik verwijder me steeds meer en meer van de kreten die geen kreten zijn. Van figuren die de bodem van hun biotoop blijven kussen in de hoop er veilig met hun speeksel aan vast te roesten. Van dieren wiens territorium hén afbakent.

Nachten kent men er nauwelijks. Dagen zijn snel met te veel. Een bries neemt me mee.

*

Ik loop de trap op die de geplaveide kasseien met het café verbindt. Twee kleine treden die voor vele klanten genoeg zijn om hun ego en alwetendheid te laten proeven van een eindeloze hemel.

Het is de geur van koffie en de voorbije avond die me nog voor de barmeid welkom heten. Ik bestel een zwarte koffie en hang mijn jas met sjaal naast de voorlaatste tafel op de gelijke grond, vlij me neer op een massieve houten bank die over de hele lengte van de rechtermuur de zaak van zitruimte voorziet. De onuitgesproken socialistische krant ligt ondertussen voor me op de afgeleefde, donkere tafel en neemt het hele tafelblad in beslag. Een grens tussen mijn gedachten en alle andere activiteit rondom me. Ze geeft me het veilige gevoel van de cocon. Een gevoel dat sommigen meer beminnen dan anderen.

Twee meter verwijderd van mijn grens zitten drie mannen op barkrukken. De afgeleefde fluwelen overtrekken als trigger voor de kameleontische vaardigheden van hun kapsels. De kapsels een reflectie van de zielen die geluidloos schreeuwen. Hun weinige woorden breken de normatieve stilte van hun bijeenkomst. Het zijn de stiltes die voor interactie zorgen in plaats van de woorden. De woorden blijven hangen en verdampen richten ramen van het etablissement. Condensatie in een café als dit zijn woorden die hun doel missen.

Na drie consumpties zullen ze opgelucht opstaan en mekaar verder een goed weekend toewensen. Drie mannen omdat het met minder al snel te ongemakkelijk wordt. Drie drankjes als tol voor hun onzekerheid maar uit respect voor elkaars herkende positie.

De smalltalk van de barmeid wordt op de proef gesteld. Geoefend als ze is kaatst ze de ene na de andere opmerking terug naar de zender, beheerst als een volleerde ballerina de meest uitdagende uithalen en landt telkens weer neer met een ogenschijnlijk spontane glimlach.

Ondertussen loop ik verder weg van de grens die openlijk voor mij ligt.

Een koppel met twee kinderen neemt plaats aan een grotere tafel links van me. Vier frisdranken samen met een broodje van om de hoek. Die tripel voor mezelf komt er dan toch niet. Ik bezwijk voor de kans op gestaar op deze gure voormiddag.

‘Nog een koffie alstublieft.’

Het zwarte goud racet naar plaatsen waar nooit iets kwam, tenzij reeds verteerde koffie. Het draait me om als mijn grootmoeder het wafelijzer. Alleen zij kent de geheime code van sierlijke wafelbakhandelingen. In haar witblauwe schort zit de geur van haar wafels geweven. Eén draad die de anderen tot zijn onderdanen degradeert. Herinneringen ruiken het betoverende aroma, dromen proeven het.

Het zijn deze dromen die in dit dorp al te vaak in een donkere steeg worden geparkeerd om ze vier jaar later op een andere plek toch terug tegen het lijf te lopen. Dromen die wegwaaien in de wind, honger die ze verorbert, simplesse die ze verstoot.

*

De grootste bekommernis die me in mijn jongere jaren inpalmde, was dat ik zelf ooit ten prooi zou vallen aan de gapende muil van het dorpsmonster. Ik zie de voorbeelden langs me heen glijden wanneer ik de nauwe straten bewandel. Hun namen staan gebeiteld in de stenen van de huizen. Sommige aangetast door de omgeving, andere oerduidelijk.

Ik loop en wandel en strompel van dorp tot dorp en zie vele bomen in vele bossen. Los van elkaar. Anomalieën op zoek naar orde.

4 reacties

Kristien

dinsdag, 22:22

Wow Dieter, knap! Een verborgen talent dat smaakt naar meer!!

Veerle desmet

woensdag, 08:52

Knap, Dieter! Onder de indruk! Meer van dat!

Rita Jacobs

maandag, 12:50

mooi Dieter iets over na te denken ?

Ruben Herremans

zaterdag, 13:08

Onder de indruk, knap geschreven Dieter!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch