Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Cel

Door maartje molenaar

Cel
De stilte overstemt de geruisloze gedachten die ongemerkt zichzelf naar de voorgrond slepen, als verminkten, duplicaten, niet meer het origineel en zonder geluid. Tot ze bleven waar ze nu zijn en zich daar fluisterend laten horen. Soms. Bijna ongemerkt. Maar bijna telt niet, bijna is niet helemaal. En dan weer de stilte, zij dreunt genadeloos je oren binnen, doet het hart stollen, de kou koelt en je voelt niets meer.
Ze drukt op opslaan en schuift haar telefoon, zoveel meer dan alleen een telefoon om mee te telefoneren tegenwoordig, terug in het kleine strakke vakje achter in haar handtas.
Vervolgens propt ze haar handtas in de al vrij volle weekendtas. Met ongepast geweld rukt ze de rits dicht, wat bijna lukt totdat haar roze bloesje met korte mouwen zich op laat eten door de ineengrijpende plastic haakjes. ‘Jezus Christus,’ mompelt ze bijna onhoorbaar en trekt de roze stof los. Zonder de schade op te nemen propt ze alles nog eens goed naar binnen en sluit het sluiten af.
Met een geïrriteerde zucht laat ze zich achterover tegen de plastic bekleding vallen. Haar hoofd draait ze naar rechts terwijl ze niet probeert te denken aan de achterhoofden die voor haar de stoel aanraakten. Het lukt niet. Ze gaat rechtop zitten.
Met haar voet druk ze de tas verder onder haar stoel en uit haar gedachten. Deze omgeving is ook weinig inspirerend, ze zal het later op een beter tijdstip-in een historie ademende omgeving- nog eens proberen. Ze laat haar handen rusten op de kaft van Kafka. De weilanden met dotten schaap laten haar netvlies krampen, de snelheid geeft geen tijd de beelden rustig door te geven. Even sluit ze haar ogen. Een moment. Lang genoeg om het schuldgevoel haar te laten besluipen en zachtjes te nestelen in haar buik. Onbewust leg ze haar hand erop. Het moet weg geademd worden. Ze telt haar ademhalingen en voelt zich weer zichzelf worden.
Er is niemand bij haar komen zitten dus legt ze het boek op het kleine tafeltje. Serieus lezen was ze nu niet van plan. In de eerste instantie wel, thuis voor vertrek, maar Mulisch was te dik voor de tas en vervolgens heeft ze het dunste boek van de stapel meegenomen. Geen goede selectiemethode want hierdoor moet ze zichzelf op rantsoen zetten wil ze vanavond op de kamer nog iets te doen hebben. Zal ze nog even de bevestigingsmail van de reservering doorlezen? Klopt de datum wel? Het besluit om even tijd voor haarzelf te nemen, zoals het tegenwoordig zo hip heet, kwam vrij abrupt. Ze had geluk dat Eva naast haar thuis was, zonder haar oogje in het zeil was ze niet vertrokken.
Met haar linker wijsvinger drukt ze de twee centimeter uitstekende foto, in gebruik als boekenlegger, helemaal tussen de pagina’s- tussen pagina twaalf en dertien, weet ze bijna zeker- omdat ze denkt dat de aanblik van haar kleintjes, al zijn ze inmiddels helemaal zo klein niet meer haar onrust zal doen aanwakkeren. Alleen deze handeling laat het gemis al toeslaan als een…als een…tja als een wat? denkt ze. Ze zucht nog maar eens. Wat een flut schrijver zeg, ik kan niet eens een rakend diep gemis beschrijven, een amputatie van een deel van mijn ziel. Ook al voel ik hem nu live. Het doet gewoon echt een beetje pijn, denkt ze te voelen. ze stelt zich voor hoe het zou voelen om ze nooit meer te zien. Als zij of zij er niet meer zouden zijn. Zomaar weg. Voor altijd. Tranen laten een spiegelend glanzend vlies achter op haar donkere ogen, waardoor het blauwe bordje met de naam van station Castricum vervaagt tot slechts een blauwe waas. Vervaagd om niet meer gezien te kunnen worden zoals ook zij dan uit hun gedachten en geheugen zal verdwijnen. Met een piep en een schok haalt de stilstand van de trein haar uit haar voortrazende, ontspoorde gedachten. Vlug veegt ze langs haar ogen, voorzichtig om geen make up uit te vegen, en schud even met haar hoofd. ‘Doe toch eens normaal,’ zegt ze, waarna ze melancholisch glimlacht. Glimlachen en praten gaan niet samen; woorden dienen te allen tijde serieus genomen te worden. Is dit waar? Ze neemt de proef op de som. Ze weet er gewoon een ‘goedemiddag’ uit te glimlachen en denkt verrast: het kan dus wel. Dan ziet ze de angstige blik van de onbekende meneer op het zwart ijzeren bankje op het perron. Ze zal eruit hebben gezien als een waanzinnige, hier zittende in de stilstaande trein naar Amsterdam. Dat is dan wel weer positief bedenkt ze zich, want zijn alle briljante mensen niet ietwat gek?
Zonder nadenken heeft ze de tas uit de tas gehaald en de telefoon ontgrendeld. Op hetzelfde moment “pingt” een agenda afspraak in beeld. Afspraak dokter Frans, 09:00. Linksboven in het scherm ziet ze dat het op dit moment 11:11 is. Ze zal gemist worden inmiddels. Wellicht belt hij, of zijn assistente Felice dadelijk wel. Ze zet haar geluid uit en opent “notities”. De cursor knippert ongeduldig, of juist geduldig, het is maar net of je jezelf eraan stoort. Ze zal schrijven. Al is het alleen maar om niet aan thuis te denken. Misschien moet ik dichten proberen? Ze probeert tevergeefs inspiratie uit het door de grijze lucht overheerste polderlandschap te halen. Knotwilgen staan deels geknot, deels ongeknot langs de muffe groene sloten. De paarden staan met hun kont in de wind in hun dekens gekropen.
Opeens schrikt ze. Twee grote ogen kijken haar indringend aan; ze zijn de tunnel ingereden.
De zon schittert door afwezigheid daar waar de wind dof doet stralen en het zand, immer kerend het tij…
Nee, dit is het ook niet, ze backspacet alle woorden het zwijgen op, ongezien. Ze kijkt haar nog eens aan. Is ze echt wie ze is? Niets meer, niets minder?
Met het verdwijnen van het laatste woord is haar gezicht weer vervangen door uitzicht.
Door de luidsprekers in het treinstel schalt een vriendelijke damesstem dat er een ogenblik geduld nodig is. Ze staan stil op Sloterdijk. Op de borden is niet aangegeven hoelang de vertraging duurt. Het zal wel meevallen. Ze is er bijna. Bijna ontspannen bekijkt ze de reservering nog eens. Voor de vierde keer. Het klopt. Achter haar gaat de schuifdeur open en voetstappen komen haar kant uit. Een hand op haar schouder, gevolgd door een zucht van opluchting. Niet de hare.

‘Dokter Frans zei me dat je de afspraak gemist had.’
Ze kijkt op en knikt. Zwijgend. Zonder te glimlachen. Al zou ze wel kunnen praten en glimlachen tegelijk denk ze. Toch een kleine glimlach nu.
‘Eva was zo vriendelijk mij in te lichten over je bestemming. O, en ik heb je Cavia’s maar even bij Mark neergezet. Was je vergeten waarom Eva niet meer op de kinderboerderij werkt?’
Ze slikt. Ja, vergeten inderdaad. Stom stom stom. Ze begint zichzelf ongecontroleerd en hard met haar vlakke hand tegen het voorhoofd te slaan. ‘Stom, stom stom!’ gilt ze nu door de coupé.
‘Kom, we gaan terug. Frans heeft beloofd dat je geen “isoleer” hoeft als je zonder morren mee terug gaat.’
Met een lege blik en rood voorhoofd staat ze op, Kafka valt met een knal en de kaft open, de foto dwarrelt neer. Knabbel en Babbel kijken haar met kraaloogjes aan vanaf de met kauwgum besmeurde vloer.
Als ze over het perron richting de roltrap, richting de uitgang en de auto lopen, haar pols stevig omklemd door Felice haar dunne harde vingers, voelt ze de ogen van de overige reizigers in haar rug priemen. Denkt ze. Tot ze- opgelucht- een groepje wachtenden kan horen praten. Een gezette grijze man praat het luidst: ‘Deze trein komt door Heiloo en Castricum, hè.’ De twee kort gekapte huisvrouwen kijken hem niet-begrijpend aan.
‘Daar staan de Ggz instellingen. Wacht maar, zo dadelijk roepen ze om dat er een aanrijding met een persoon is geweest.’
Ze ziet de jongeman met grote gitaarkoffer zijn geïrriteerde blik veranderen in een meelevende.
Ze voelt iedere cel in haar lichaam warm worden, daarna koud. De man heeft ongelijk. Zij is niet aangereden. Deze persoon is er nog. Als laatst zijn haar hersencellen aan de beurt; warm, koud. Dat zou pas echt een reis zijn. Dé reis, de enige echte.
Haar glimlach verstilt.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch