Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De aanslag

Door Wouter De Moor

Van alle vlaggen die in top hangen wordt er geen enkele tot wapperen verleid. Met de zon aan een helderblauwe hemel is het perfect voorjaarsweer maar ik wil hier liever niet zijn. Soms is het beter dat het regent.

Ik zie ons weer lopen, je vader en ik. We zijn vandaag vroeg opgestaan om een wandelingetje te maken. Over een lommerrijk pad, met zonlicht dat ons karig door de bomen toeschijnt, lopen we richting de stad. Op de vrijmarkt kopen we voor een euro een paar zelfgebakken koekjes van een kind. Er staan er meer dan vorig jaar, met stoepkrijt hebben ze dagen van tevoren hun plek al afgebakend. We knopen een praatje aan, sommigen zitten er al vanaf middernacht, in het oog gehouden door een enkele ouder. Als we rond het middaguur terug naar huis gaan horen we over een auto die het publiek is ingereden. Thuis zet ik koffie voor je vader en mezelf en eten een koekje terwijl we televisie kijken. Het is heel erg wat er is gebeurd. Na vandaag zijn er mensen die iemand zullen moeten missen waarvan ze houden. Van alle mensen waarvan ik hou ben jij er een.

Je was nog klein, amper vier jaar oud, en ontsnapte in een winkelcentrum aan mijn aandacht. Op een drukke zaterdagmiddag, iedereen was bezig zijn wekelijkse boodschappen te doen, kroop je achter een koelcel in de supermarkt. Een half uur lang wist ik niet waar je was, voelde het alsof het leven uit me werd weggezogen – de angst dat ik je nooit meer zou terugzien. Ik zou het niet hebben overleefd als ik je kwijt was geraakt.

Ik raakte je alsnog kwijt, jaren later, tot een paar keer toe, maar vond je iedere keer weer terug. De laatste keer op mijn verjaardag. Je belde op om me te feliciteren en klonk opmerkelijk gewoon. Ontelbare malen heb ik me afgevraagd of ik toen iets heb gemist.

De laatste keer dat ik je zag was op de verjaardag van Nicole. Je leek je leven weer op de rails te hebben, die vaste baan bij dat tankstation deed je zichtbaar goed. Je had een cadeautje voor je nichtje meegenomen, een rugzak van Hello Kitty, ze deed hem de hele middag niet meer af. Er stonden kinderen bij te kijken, jongens en meisjes in de leeftijd van Nicole, kinderen die je op hun verjaardag een cadeautje kunt geven. Kinderen waar je met honderd kilometer per uur overheen kunt rijden.

Je broer belt op om te zeggen dat jij het was. De politie zal twee uur later bevestigen wat ik weiger te geloven.

Je zusje klopte eens op de deur van de badkamer om je tot opschieten te manen. Toen je haar van achteren bij de schouders pakte schrok ze zich rot. Je was de badkamer uitgeslopen en had de kraan laten lopen. Later die dag bouwde je samen met je broer op zolder aan een hut van kartonnen dozen en oude lakens. Toen hij af was zei je dat er geen meisjes in de hut mochten. Jongens waren jullie.

Je draagt een rode sweater over een witte, geruite blouse als ze je uit de zwarte Volkswagen Polo zagen. Ik wil het niet zien maar ik moet. Ik weet niet hoe ik hier terecht ben gekomen en liever zou ik weggaan maar er zijn mensen die me tegenhouden – mensen die na vandaag niet meer thuis zullen komen. Het mooie weer heeft velen op de been gebracht. Soms is het beter dat het regent, niet alleen voor de plantjes.

Ik zie je nog, lichtjes voorovergebogen, het pad afslenteren dat tussen je appartementje en ons huis ligt. Ik doe je was wel als je dat wilt.

Dat kwaadheid zo kan groeien in iemand die in mij is gegroeid. Dat er wreedheid kan huizen in je eigen vlees en bloed. Hebben wij iets van ons aan jou doorgegeven waarvan wijzelf niet weten dat wij het in ons hebben? Als we om tien voor twaalf ‘s ochtends op de vrijmarkt een paar koekjes kopen, je vader en ik, ben jij op een punt in je leven aangekomen dat met honderd kilometer per uur inrijden op een groep mensen het enige is dat nog rest. Je hebt je het kapsel van een filmster laten aanmeten, ik ben zijn naam vergeten. Er zullen veel mensen zijn die jouw naam niet meer vergeten. Ik wil je je daad niet vergeven maar kan een bloedband niet doorsnijden. Ik heb je het leven gegeven, zonder je iets te vragen, je hebt het me blijkbaar nooit vergeven.

Ik zie enkel nog je schaduw, een silhouet gesneden uit het zonlicht dat bijna 150 miljoen kilometer heeft afgelegd en het aardoppervlak, op een paar meter na, nooit zal raken. Door jou. Er zijn mensen die na vandaag hun kinderen niet meer zullen zien opgroeien, mensen die vanaf nu een verjaardag minder te vieren hebben. Door jou. Er zijn mensen die mijn naam kennen. Door jou.

Soms is het beter dat een mens niet alles weet, wat ik niet over jou weet – wat ik blijkbaar over het hoofd heb gezien – doet een gedachtestroom ontspringen die ik liever zou droogleggen. Ik wil in een kuil zitten waar de rest van de wereld me niet ziet en waar ik niets van de wereld hoef te zien. Een plek van waaruit de wereld is teruggebracht tot een blik op een grijsblauwe lucht, gevuld met stapelwolken die regen aankondigen. Als het vandaag had geregend waren we niet gegaan, waren we binnen gebleven en met ons een heleboel andere mensen. Wat is slecht weer? Drinkwater is het gevolg van slecht weer. Soms is beter dat het regent, ook als het buiten feest is.

Nu wil ik slapen en niet meer wakker worden voordat alles weer normaal is.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam