Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De adem van onverschilligheid

Door Ilse Lindeijer

Gaat de fase voorafgaand aan doodgaan gepaard met spijt? Berouw om dingen die je ooit gezegd hebt, gedaan hebt, iemand aangedaan hebt, of juist dingen die je niet gezegd of gedaan hebt? En als je daar dan last van hebt, moet je dan dingen alsnog recht gaan zetten, willen zetten, voor jezelf, voor de ander? Gek wordt hij van alle gedachten die door zijn hoofd spoken.
Het liefst zou hij de man in de witte jas tegenover hem een beuk voor zijn kop geven. De enige reden waarom hij dat niet doet, is dat hij daar vast morgen spijt van heeft, dat zijn lijst daardoor alleen maar langer wordt.

Hij snapt niet waarom hij naar deze afspraak is gekomen, de uitslag had hij zelf wel kunnen raden.
Heel even voelt hij zich schuldig als hij een vaas om stoot. Uit angst die te moeten vergoeden, zal je net zien dat zo’n afzichtelijk exemplaar een godsvermogen kost, draait hij zijn scootmobiel te gehaast om. Een van de wielen laat zwarte strepen op een smetteloze witte muur achter.
In de hal hoort hij haar al. Ze jankt en blaft dat het een lieve lust is. Die spastische regels hier, ze doet toch niemand kwaad? Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week zijn ze goddomme samen, ze laat hem niet eens alleen schijten.

Grijze wolken zijn samengepakt boven de stad. Het stortregent al twee dagen onafgebroken. Binnen een paar minuten zijn alle vezels van zijn kleren verzadigd, ze hangen als een loden last aan zijn lichaam. Hij steekt een kankerstaafje aan en inhaleert diep, probeert krampachtig een hoestbui weg te slikken. Geen mens waagt zich met dit pokkenweer op straat. Als je hart al warm kan aanvoelen, dan gebeurt dat bij hem als hij haar ziet. Vastgebonden aan een lantaarnpaal, heeft ze meer weg van een verzopen kat. Zodra ze hem ziet springt ze op en neer, haar oren flappen net een tel later vrolijk mee. Ze lijkt het touw te vergeten, breekt bijna haar nek, maar blijft evengoed springen. Op de dunste plekken huid in haar nek ontstaan schuurplekken en wondjes. Alsof zij bloedt voor zijn zonden.
Op schoot draait ze rondjes, likt hem in zijn gezicht en kruipt snel onder haar deken. Hij drukt op het startknopje, de scootmobiel zet zich in beweging. Ze zijn nauwelijks het ziekenhuisterrein af als het lampje van de batterij dooft. De scootmobiel rolt nog even door en komt dan tot stilstand. Hij drukt een paar keer de knop in. Er gebeurt niets. Zal overlijden net zo gaan; simpelweg een machine die onaangekondigd op een gegeven moment ermee uitscheidt? Hij wil uitstappen, maar blijft met een voet haken achter het hengsel van een plastic boodschappentas met blikjes van de Aldi die hij tussen zijn voeten had gezet. Onbewust moet hij lachen als hij met zijn gezicht op de straattegels smakt. Uit de tas die verderop terecht is gekomen komt een sissend geluid, het stemt hem weemoedig.

Sinds hij en Koosje op straat leven, komen geluiden anders binnen, dwingend en schel. Soms is hij jaloers op mensen met hoorproblemen. Krijsende jengelende verwende kutkinderen die theatraal op de grond liggen te trappelen alsof ze een epileptische aanval hebben, toeterende voorbijrazende auto’s, brommers met opgevoerde uitlaat waar kneiterharde teringmuziek bovenuit schalt, vuurwerkbommen die elk jaar eerder af lijken te gaan. Gezucht en geklaag van mensen die uitpuilende boodschappentassen met zich mee zeulen. Scheldpartijen en explosieve ruzies door teveel mensen op een te klein stukje aarde. Gillende Marokkaanse pubermeisjes die bang zijn voor Koosje. Of gillen omdat ze denken zo indruk te maken op puisterige slungels met afgezakte spijkerbroeken waarboven de onderbroek duidelijk te zien is. Kansloos.

Hij probeert door het zwerfafval heen de schoonheid van de wereld te zien, met een beetje moeite ziet hij er soms zelfs kunst in. Een colablikje tapdanst over de stoeptegels. Een afgedankte paraplu, als een vogel met lamme vleugels die zich dapper probeert te weren tegen een windvlaag, de strijdt verliest, de weg wordt opgeblazen en onder een auto terecht komt. De brei in de uithoek van de sloot; een voetbal, plastic flessen, blikjes, een verfemmer, wikkels van chocoladesnacks. Alles is bedekt met groenachtig schuim waar een chemische gloed vanaf komt. Vissen die het zich tegoed doen aan de uitbraaksels van de wegwerpmaatschappij moeten bekopen met de dood, hun opgezwollen lijven hulpeloos ondersteboven dobberend aan de oppervlakte. Grote hoeveelheden leeggezogen gaspatronen rinkelen als de niet goed op elkaar afgestemde toetsen van een kerkorgel. Een trosje ballonnen, verstrikt in een tak, overgeleverd aan de grillen van de wind. De feeststemming ingeruild voor troosteloosheid.
Op een fietspad ligt het verstijfde lijf van een rat, de ingewanden hangen uit zijn opengereten buik. Hij pakt het bij de staart en gooit het in een struik. Alles beter dan het te laten vermalen onder de wielen van de onverschilligen.

Hij kan zich niet meer herinneren wanneer hij zich voor het laatst begeerd voelde, werd bemind, beminde. Seks puur voor de ontlading, daaraan heeft hij geen behoefte. Het gaat om iets diepers, om geborgenheid, de warmte van een ander. De vrijwilligers bij de opvang doen hun best hoor, geven hem soms een bemoedigend klopje op de schouder, alleen jammer van die plastic handschoenen. Zien ze hem als een besmettelijke ziekte, een bacterie waar geen antibiotica tegenop is gewassen? Of erger; een virus, geen kans op genezing, alleen het gevaar voor verdere verspreiding. Er komt een moment dat een vlek meer of minder niet meer uit maakt, er ontstaan gaten in jassen en truien door slijtage en brandende vonkjes. Harde onuitwasbare gele vlekken in de oksels van shirts, sokken die stijf staan van het vuil, kleren die ook in droge toestand naar natte hond blijven ruiken. Nagels met rouwranden, bruine teervlekken tussen lippen en op vingers. Vet vervilt haar, roos op je schouders, smeer dat zich ophoopt in de voegen van je oren. Je herkent de persoon die je in het spiegelbeeld aanstaart niet meer. De huid van je gezicht gelooid leer. Vuil wat als onkruid je poriën binnendringt. Ogen waar alle glans uit is verdwenen. Je trekt je lippen opzij, schrikt van wat zij blootgeven. Het zijn de golven van een verontreinigde oceaan die over je heen spoelen, er komt steeds meer shit bij, het is niet te stoppen.

De overgang van gever naar ontvanger was geleidelijk gegaan, bijna onmerkbaar. Bedelen vraagt een hoge prijs. Gaat je niet in je koude kleren zitten. Je zelfwaarde, trots, alles moet je inleveren. Wat je ervoor terug krijgt is minachting, medelijden, onbegrip, walging. Vernederd worden tot op het bot, ontweken worden. Je bouwt een muur op, raakt afgestompt. Op schaarse momenten dat iemand de moeite neemt om je geld te geven of een praatje te maken, moet je nog beleefd bedankt zeggen ook. Het kost steeds meer energie.
Daar zit hij dan, zesenvijftig jaar, in weer en wind elke dag te sappelen om een paar rottige kranten te verkopen. Hij heeft ontdekt dat het geen zak uit maakt of het zeikt van de regen, hij uit z’n hemd waait, de mussen dood van het dak vallen of de ijspegels aan zijn neus hangen; “heb uw naasten lief” is vervangen door egocentrisme.

Tot op dit moment heeft hij zich nooit afgevraagd hoe hij aan zijn einde zou komen. ‘Paletitief’ of wat die geleerde bal met hete aardappel in zijn strot ook had gezegd, allemaal lapmiddelen. Hij snapt Herman Brood’s sprong van het Hilton hotel wel. Beter met open vizier je einde tegemoet treden.
Koosje is ook steeds vaker ziek, ze hijgt als een oud paard, een gil van een mager speenvarken als hij haar dwingt om een paar stapjes te lopen. Met haar twaalf plus is ze verworden tot een slap oud vel met botjes. Hij wil niet voor God spelen, maar ze laat hem geen keus. Haar lijden is zijn lijden. Een afscheidsbrief zal hij niet schrijven, hij zou niet weten voor wie.

3 reacties

Ilse Lindeijer

Auteur woensdag, 10:06

Dank je wel Eveline en Lethi voor jullie mooie complimenten. Daar word ik blij van. 🙂 Hartelijke groet, Ilse

Lehti Paul

woensdag, 09:31

‘De overgang van gever naar ontvanger was geleidelijk gegaan, …’
Mooi gezegd.

Eveline Herklots

zondag, 09:38

Heel goed geschreven Ils!! Het pakte me vast..en toen was het helaas al uit.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch