Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

de alarmroep van de tureluur

Door cornelie minnigh

De alarmroep van de tureluur

Op een dag in mei, met een heerlijk zacht briesje en een prachtige heldere hemel, koopt Anne vijf bossen rode tulpen. Niet dat ze zo graag koopt, helemaal niet zelfs, ze is een beetje zuinig, maar ze kan al die bloemen kopen voor heel weinig geld. Er is wel hier en daar een blad geknakt en een paar knoppen hangen zielig naar beneden, maar als boeket is het mooi.

Ze is die ochtend heel onrustig, altijd als de zon schijnt. Ze weet dan niet hoe ze haar dag leuk moet invullen, naar zee of wandelen in een bos of gewoon in de stad wat rondlopen. Ze kan toch niet de hele dag thuisblijven op zo’n mooie dag. Ineens krijgt ze een idee, bloemen leggen bij de as van haar man. Dan heeft ze wat te doen en kan ze dat ook aan haar dochter vertellen, die er verbaasd en licht geërgerd over is dat ze haar leven als weduwe zo makkelijk oppakt. ‘Mama, mis je papa nou helemaal niet?’, zegt ze maar steeds. Zo kan ze in ieder geval vertellen dat ze naar papa’s as is geweest en op die manier laten zien dat ze veel verdriet heeft. Ze loopt er niet mee te koop, ze huilt nooit, zet geen kaarsjes bij zijn portret, er staat helemaal geen portret eigenlijk.

Peters liefde voor de natuur en de vogels heeft ze altijd bewonderd, ze was er zelfs een beetje jaloers op. Uren kon hij lopen over uitgestrekte velden op zoek naar vogelnesten, met zijn verrekijker elke beweging in de lucht volgend. Daarom had ze zijn as uitgestrooid over het grasland van een boer op wie hij erg gesteld was.

De oude boerderij ligt een eindje van de weg af, diep in het land, een kalenderplaatje. Om er te komen moet Anne een lang hobbelig pad afrijden omzoomd met geknotte wilgen. De wilgen lopen uit en de jonge twijgen zijn prachtig lichtgroen. Onder de bomen bloeit het witte fluitenkruid uitbundig. Nederland is de bruid, mijmert ze.

Zelf was ze veertig jaar geleden de bruid geweest, niet in het wit, in het paars. Ze dacht waarschijnlijk dat dat vlot was. Ze trouwde met een kunstenaar, paars leek haar toen de juiste kleur. Ze had voor Peter een zwart overhemd gekocht, maar zijn moeder vond dat niet feestelijk en had zomaar uit eigen beweging het zwarte overhemd vervangen door een rode. Hem kon het niets schelen. Dus zo stonden ze in het stadhuis, zij met een lange paarse jurk en hij met een rood overhemd, ruige haren en een niet gefatsoeneerde baard. Ze had zich snel aangepast aan het kunstenaarsleven. Ze was er Peter altijd dankbaar voor gebleven dat hij haar daarin geïntroduceerd had. Anne hield van haar man, op haar manier, dat wil zeggen, ze was wel wat flirterig maar dat had nooit veel te betekenen en ze zorgde altijd goed voor hem. Peter hield veel van haar, onvoorwaardelijk. Nooit had ze enige twijfel gehad over zijn liefde. Wat zou er van hem geworden zijn zonder haar. Ze had het goed gedaan in haar huwelijk. Ze was heel lief en zorgzaam geweest toen hij kanker kreeg. Ook na zijn dood had ze alles prima geregeld.

Anne parkeert haar auto voor de boerderij. Wat een prachtexemplaar, helemaal authentiek nog. Zouden Arie en Ria thuis zijn? Vast wel, ze zijn altijd thuis.

Daar komt Arie al aanlopen vanuit de stallen. Zijn haar staat recht overeind, zijn blauwe overall is helemaal opgelapt, zijn klompen vuil van de modder. Hij lacht vriendelijk. Het is de eerste keer dat ze komt, misschien herkent hij haar niet eens.

‘Hi Arie, ken je me nog?’

‘Anne, jij hier? We denken nog vaak aan Peter.’

Ze meent iets ongemakkelijks te bespeuren in het vriendelijke getaande gezicht van de boer als hij zegt:

‘Wil je een kopje koffie? Ria is er niet, maar ik kan er ook wel een zetten.’

Zou hij cappuccino hebben? Vast niet.

‘Ik wil zo graag mijn bloemen over je weiland strooien, mag dat? Het is zo’n mooie tijd nu. Zijn er nog veel grutto’s? Daar hield Peter zo van’.

‘Je hoort nu vooral kieviten en veel scholeksters, bijna geen grutto’s, jammer.’

Keuvelend lopen ze naar het perceel waar Anne, twee jaar geleden, zo plechtig de as had uitgestrooid. Nico doet het grote hek open. Luid piepende scholeksters vliegen over hen heen. Wat voor geluid is dat eigenlijk, piepen of zingen of fluiten. Krijsen is misschien beter. Peet zou dat geweten hebben.

Arie kijkt de lucht in, met een verliefde blik bijna:

‘Luister, hoor je de tureluur? Dat is zijn alarmroep. Prachtig, echt voorjaar.’

Anne kijkt zoekend naar boven, zonnestralen verwarmen haar gezicht. Als ze weer naar beneden kijkt naar het gras verstijft haar glimlach en roept ze uit:

‘Oh, er liggen al bloemen Arie.’

Ze kijkt opzij. Hij staat nog een beetje aan het hek te frunniken als hij zegt:

‘Ja, er kwam begin deze week een vrouw langs die had gehoord dat de as van Peter hier was verstrooid. Ze vroeg ons of ze bloemen mocht neerleggen. We hebben haar nog koffie aangeboden en een tijdje met haar gepraat, over het bedrijf en de koeien. Ze kende Peter van vroeger, meer zei ze niet. Ze moest wel vreselijk huilen toen ze bij dit weiland aankwam.’

‘Weet je hoe ze heette?’ vraagt Anne.

‘Ja, Marijke. Haar achternaam heb ik niet gehoord. Die heeft ze misschien ook niet gezegd. Een blonde, lange vrouw met een beetje vooruitstekende tanden.’

Anne begint langzaam een voor een de tulpen rond te strooien. Ze wilde eerst het hele boeket neerleggen, maar nu lijken losse bloemen haar een beter idee.

– Marijke?, die kunstenares? Maar die heb ik al 40 jaar niet gezien. Ik heb Peet nooit over haar horen praten. Ze was wel bij de crematie, dat herinner ik me nu. Heb ik haar uitgenodigd? Thuis maar eens in het condoleanceboek kijken of haar naam erbij staat. –

Ze gooit de laatste tulpen met een wild gebaar over het land en zegt:

‘Nou dag Arie, heel fijn dat ik hier mocht komen. Doe je de groeten aan Ria?’

‘Wacht, neem nog wat eitjes mee, vanmorgen geraapt. En wil je jam? Ria maakt die altijd zelf, dat weet je. Peter kreeg ook altijd een potje van ons mee.’

– Jam? Hij heeft toch die jam niet in zijn eentje op zijn atelier op zitten eten?-

Haastig rijdt ze met de jam en de eitjes op de stoel naast haar langs het fluitenkruid en draait de snelweg op. Wat een verkeer. Waarom rijdt die vent voor haar 90, dat is toch veel te langzaam. Zo houd je het hele verkeer op. Ze is zenuwachtig en al die drukte maakt haar nog nerveuzer.

Voordat Anne haar huis ingaat raapt ze nog een paar gevallen bloemknoppen uit de auto op. Verkeerde sleutel, die sleutelbos moet nodig uitgedund worden. De trap is smerig. Wat kan haar het schelen, ze is toch alleen. Waar is dat verdomde boek gebleven met die adressen. Haastig zoekt ze de boekenplanken af. Ze heeft er ooit ingekeken om bedankkaartjes te sturen, daarna nooit meer. Wat zijn er veel mensen geweest, ja hij was geliefd. Kijk hier, Toon, die moet ze nodig eens bellen, en Nico, die heeft er wat bijgeschreven: ‘rust zacht’. Nou dat kon wel wat origineler. Oh kijk, daar staat ze, ze heeft er ook iets onder gezet:

Marijke Versteeg,

Pompweg 23,

Sliedrecht.

Mijn Liefde, mijn collega.

Anne knijpt de tulpenknopjes in haar linkervuist heel langzaam fijn.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch