Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De ambassade van Hongarije

Door Jules Schaper

Ik ben een kind, denkt Pol. Ik ben een 5-jarig kind in het lijf van een 45-jarige man, en iedereen kan het aan me zien en als ze het niet zien, val ik bij het eerste gesprek door de mand. Nauwelijks de kindermaten ontgroeid, geen rijbewijs, elke dag aan je overleden moeder denken, in jezelf praten, zo komt hij nooit aan een nieuwe liefde natuurlijk. Kom Pol, verman jezelf, positief denken. Hij loopt huppel-stap langs de stoeprand, met een glad, lekker-voelend steentje in zijn zak en ongelegen en opdringerige zinnetjes als stoorzenders in zijn hoofd: Neem het me niet af, pak het me niet af. Een teken van aarzelend geluk, van relatieve veiligheid, weet hij inmiddels, een teken dat hij de status quo – dit wandelen, deze zekerheid van een veilig huis om naar terug te keren, deze avond met zachte lucht en ruisende bomen – graag in de hand zou houden.

Ik ben een mán, dwingt hij zichzelf te denken bij de volgende huppel. Ik ben een Hongaars-Nederlandse man, huppel-stap. Ik ben een biseksuele man, huppel-stap. Ik heb een huis, ik heb een huis(!), denkt hij, ik heb een afspraakje, denkt hij en zijn hart maakt een sprongetje.

Bijna iedere dag loopt Pol Szábor een rondje vanaf zijn appartement in de Parkstraat door het Van Stolkpark en de Scheveningse bosjes, langs het Indisch monument en de Waterpartij, om tenslotte weer op de Hogeweg uit te komen in de buurt van de Hongaarse ambassade. Hij houdt van de wandeling en op de dagen dat hij niet gaat, is hij uit zijn ritme en mist het ritueel. Hij staat altijd even voor het pand stil, hij kent het voor zijn gevoel goed, alsof hij er jaren gewoond heeft. Het geeft hem een gevoel van grond onder de voeten. Niet zozeer omdat hij gedeeltelijk van Hongaarse afkomst is, maar om de associatie die hij erbij heeft van dat andere huis in die andere stad.

De eerste keer dat hij de ambassade op de Hogeweg zag, was hij verrukt, al hij had natuurlijk kunnen weten dat er ambassades in de buurt zouden zitten, het is tenslotte een chique buurt. Maar op een of andere manier had hij er helemaal geen rekening mee gehouden dat notabene de Hóngaarse ambassade hier zou zitten. Hij appte meteen zijn broer:

-Ik sta voor de ambassade van Hongarije! Waarop zijn broer antwoordde:

-Huh? Woon je ineens in Den Bosch dan?

-Nee, de échte ambassade, appte hij terug. Maar het lijkt wel wat op ‘onze ambassade’, alleen veel groter en chiquer natuurlijk.

-Niet teveel bij het verleden stilstaan, waarschuwde zijn broer, die hem al langer kent dan vandaag.

-Er staat een bord: afspraak maken verplicht, appte hij, de boodschap van zijn broer negerend.

-Ja, dan moet je wel, grapt zijn broer. Meteen doen 😉

-Wie weet of de geest van tante tevoorschijn komt, appte hij en stak zijn telefoon weer in zijn zak.

Hij denkt terug aan het huis van hun oom en tante in Den Bosch. Een huis dat wel enige gelijkenis had met dit statige pand aan de Hogeweg, al is het natuurlijk een stuk kleiner en staat het in een minder lommerrijke buurt. Maar de bouwstijl en de tijd waarin ze gebouwd zijn, komen wel overeen, allebei statige grote panden met schuine daken en allerlei erkers en houten betimmeringen. Een fijn huis, hij weet nog hoe hij daar sliep in zijn bed onder het schuine dak, beschut en geborgen onder de houten balken, naast de erker. Het oude hout dat piepte en kraakte bij harde wind, de regen die in de goot kletterde, een heerlijk plekje had hij het altijd gevonden, veilig.

Zijn tante riep altijd dat ze de Hongaarse cultuur hooghield in Nederland en eigenlijk de ambassadrice van Hongarije was. Het huis stond altijd vol met de mooiste Hongaarse volkskunst; borduurwerk, potten en aardewerk en op de gladde houten vloeren (waar je heerlijk op kon schaatsen met je sokken) lagen her en der rijk bewerkte tapijten.

Maar meer nog dan de mooie dingen, maakte de sfeer in het huis indruk op hem; er heerste geluk en liefde in dat huis, harmonie, het rook er zelfs lekker. Iedere zomer dat hij er was, kon hij even proeven aan een andere wereld, een wereld waarin de volwassenen van elkaar hielden en vrolijk waren en de kinderen kind konden zijn. Er werd Hongaars gesproken en dat leek hem altijd gemakkelijker af te gaan in dit huis. Fouten maken was ook minder erg dan thuis, geen boze vader die hem zo vaak corrigeerde en de mond snoerde dat de woorden in zijn mond leken te stollen.De klanken leken hier zachter en zich vanzelf te voegen naar zijn mond en lippen.

Het is net of we hier even asiel hebben, zei zijn broer op een avond, in dit huis. Het is onze ambassade van Hongarije. En zo hadden ze het huis sindsdien altijd genoemd, maar alleen onder elkaar. Hunkerend keken ze uit naar zomers waarin ze weer een paar weken naar Den Bosch mochten. Die zomers waren er lang niet altijd, oom en tante waren vaak in het buitenland, soms jaren achtereen en dan was het huis verhuurd aan expats.

De fijnste herinnering bewaart Pol aan een zomer dat ook zijn moeder Ildikó erbij was geweest. Een heerlijke zomer lang, was zijn moeder gezond, vrolijk, stabiel geweest, een heerlijke zomer lang was de dreiging van zijn vader afwezig. Mogelijk had Ildikó ook kracht ontleend aan het huis en de sfeer. Ieder klein detail van die zomer staat hem nog bij: hoe ze met zijn allen, oom, tante, moeder, hij en zijn broer Twister hadden gespeeld en over de grond hadden gerold van het lachen. Hoe hij ’s morgens met zijn tante de tuin inging om de tamme kraai te voeren die iedere dag aan kwam vliegen en ’s middags in het opblaaszwembad (in zijn nieuwe zwembroek) mocht en zijn moeder een eigen badje voor de kraai ernaast neerzette; een stenen schaaltje. En hoe de kraai inderdaad kwam kijken en na een tijdje, tot Pols verrukking, ook echt het badje inging en spetterend en badderend naar Pol keek met zijn kraaloogjes. Dat beeld van die vogel naast hem in het stenen kommetje, hij in het zwembad en zijn moeder die op het randje van de stoep toekijkt in de zon, naar hem knipoogt en er jong en zorgeloos uitziet, dat is hoe Pol het liefst aan zijn moeder denkt. Dat is het beeld dat hij wil onthouden.

Als Pol aan de geschiedenis van zijn ouders denkt, duizelt het hem; hun leven is zo bepaald geweest door grote wereldgebeurtenissen: de Tweede Wereldoorlog, de Hongaarse opstand in 1956 en het harde optreden van de Sovjet-Unie daarna. Wat lijkt zijn leven dan klein gebleven, of liever gezegd wat is hij klein gebleven daardoor, zonder gelegenheid te groeien in een eigen geschiedenis met zoveel andere, heftige geschiedenissen om zich heen. Maar vanavond wil hij helemaal niet denken aan zijn familie, zelfs niet aan zijn tante, en Pol stopt niet bij de ambassade. Hij haast zich naar huis om op tijd voor zijn afspraakje te zijn.

Eenmaal thuis in zijn flat kleedt hij zich snel om. Voor het eerst sinds lange tijd heeft hij een date en hij is een beetje zenuwachtig. Hij spreidt wat kleren uit op zijn bed en kiest een mooie blauwe broek en een heel kort zwart jasje met borduursel langs de mouwzomen en de hals. Zelfgemaakt, zijn opa was kleermaker, zijn tante en moeder konden prachtig borduren en hij heeft die vaardigheid geërfd.

Ze staat op de hoek van de straat voor het café op hem te wachten. Een kleine vrouw met stevige korte laarzen, een maillot onder een jurk en een enorme bos rode krullen. Ze ziet er een beetje Pippi Langkous-achtig uit; stoer en toch meisjesachtig. Ze is nog kleiner dan ik, denkt hij.

Hoi, zeggen ze allebei tegelijk en lachen dan.

-Jij komt voor mij, zegt ze.

Ja, zegt Pol, dag Sacha, wat zie je er leuk uit.

-Dank je, zegt ze. Jij ook, mooi jasje. Zullen we een stukje lopen in plaats van koffie drinken?

Goed, zegt Pol, ik weet een leuke route langs de ambassade van Hongarije naar het park. Terwijl hij het zegt, denkt hij ineens dat het misschien ongepast is voor een man om meteen een avondwandeling door het park voor te stellen aan een vrouw. Maar Sacha lijkt er niet mee te zitten.

-Goed, leuk, zegt ze.

En tot zijn verrukking en verbazing, neemt ze een huppel-stap om met hem in de pas te komen en steekt haar arm door de zijne. Een groep kraaien vliegt over. Hij voelt zich licht.

.

6 reacties

Barbara

dinsdag, 09:05

Dank je! Betrokken en mooi verhaal! Wist niet dat je dit ook al deed en goed in bent! Heel leuk!

Eveline

zondag, 22:03

Vlot geschreven en prachtig verbeeld, waardoor ik er meteen helemaal in opga.

Leonie

zaterdag, 20:12

Mooi verhaal, je kunt je de verschillende plekken en situaties goed voorstellen, zoals je ze beschrijft, echt goed gedaan en mooi!

Marja

vrijdag, 13:30

Mooi verhaal Jules.

Tim

donderdag, 18:30

Prachtig geschreven , leest heel fijn

Piotr Bujak

donderdag, 13:12

Ik heb dit verhaal met plezier gelezen.

0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam