Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

de asielzoeker

Door Jacqueline Brouwers

De asielzoeker

De eerste keer dat wij elkaar zagen klampte ze zich direct aan mij vast. De mevrouw van 82, vluchteling in het asielzoekerscentrum waar ik werkte en ik. We verstonden geen woord van elkaars taal, maar we begrepen elkaar volkomen. Bijna blind was ze. Vaak zat ze in de lange gang op een stoeltje. Ik zag haar van verre, zij mij niet. Ik riep haar bij haar voornaam zodat ze wist dat ik er aan kwam. Dat mocht ik, ik was immers ook een oma. Ze lachte dan naar me en ik werd geknuffeld. Ze hoorde bij een liefdevol gezin dat goed voor haar zorgde. Ik maakte altijd even tijd voor haar, hoe druk het ook was, daar werden we allebei blij van. Toen ze ziek werd organiseerde ik een rolstoel en nam ik haar mee naar buiten, daar dronken we een kopje thee. Ze gaf me een paar oorbelletjes, er miste een steentje.
Het gezin kreeg een huis en de oma mocht mee. Uiteraard heb ik afscheid genomen. Een fijne herinnering om te bewaren, dacht ik. Die zie ik niet meer terug, dacht ik ook. Tot de schoondochter mij opzocht op de sociale media. Het ging slecht met oma. Erger dan slecht, ze had niet lang meer te leven en ze lag in een hospice. Mijn adem stokte, shit. Dan ben je eindelijk veilig na al die ellende, en dan gebeurt dit. Ze wilde mij graag nog een keer zien. Ik ging dus.
In een groot herenhuis in Amsterdam had ze een kamertje. Klein teer en bleek lag ze in het bed. Slangetjes waren verbonden aan haar lichaam. Bij binnenkomst riep ik haar voornaam, zodat ze wist wie ik was. Het licht in haar ogen ging aan. Ik werd weer geknuffeld. We keken elkaar aan en we huilden. Ik had een witte roos voor haar meegenomen en een flesje handcrème met een zachte geur. Wat kun je doen? Ik heb haar handen even gemasseerd. We hebben ons laatste gesprek gehad, beide in onze eigen taal. In haar toestand vroeg ze nog of het goed met mij ging, en met mijn kinderen en kleinkinderen. Ik kreeg een chocolaatje dat ik zoals gewoonlijk niet weigeren kon. Ik begreep dat ze op een zoon wachtte, hij woonde in Canada, ze had hem twintig jaar niet gezien. Daar moest ze voor blijven leven. En daarna wilde ze wel naar Jezus. Een kruisje om haar nek en een enorm houten Christusbeeld aan de muur wees ze me aan.
Ik ben gebleven tot haar ogen dichtvielen omdat lief voor mij zijn enorm veel energie kostte. Met kramp in mijn maag ging ik de Amsterdamse straat weer op, waar het leven gewoon doorging. De tram kwam voorbij, iemand lachte net iets te hard. De duiven pikte patatjes uit een verloren bakje. Ik hoopte dat haar laatste reis een geweldige mocht zijn, niemand verdient meer een blije overtocht dan deze vrouw. Ze heeft gewacht tot haar zoon kwam, en toen is ze gegaan. Ik kon het hem vertellen op haar begrafenis, ‘Ze heeft op je gewacht en nu is ze naar Jezus gegaan, zei ze.’ In de palm van mijn hand liet ik hem de oorbelletjes zien die ik altijd in mijn tas heb. Hij herkende ze uit zijn jeugd.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch