Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De bekkensnijders (proloog)

Door Tseard Zoethout

En de duisternis heeft het niet begrepen.

Het verwachtingsvol zuchten van miljoenen jaren. Eonen verschuiven op aarde, eens brandende zon en gortdroge zandstormen, gletsjers en ijstijden die tienduizenden eeuwen later plaats maken voor strandwallen en duinen en brakke lagunes met steeds zoeter water, grassen, bramen en bessen, inklinkend veen en de eerste rendierjagers, opdoemend uit de verte. Over de lage landen bij de zee, aan de monding van Euribos, een nu verdwenen rivier in Flevo waaruit de Boorne ontstaat, worden plooien getrokken, ruwe glooiingen die nog goed in het landschap vallen te zien. Opgestuwd keileem en stuwwallen, gaasten en kliffen. Bossen verschijnen, niet hier maar iets noordelijker, aan de rand van de geschiedenis, daar, op de grens van donker en licht.

Castellum Flevum, verlaten na nederlaag.

‘De soldaten van het vijfde stormden naar voren, dreven de vijand in verbeten strijd op de vlucht en ontzetten onze cohorten en ruiterij, uitgeput door hun verwondingen,’ schrijft Tacitus. ‘Maar de Romeinse aanvoerder trok niet op wraaktocht uit noch begroef de doden alhoewel veel tribunen, prefecten en de eerste rij centurions waren gevallen. Snel stelde men uit verhoren onder deserteurs vast dat negenhonderd Romeinen tot stukken waren gesneden in het zogenaamde Baduhenna woud nadat ze de strijd tot de volgende dag hadden weten te rekken’, wellicht hetzelfde woud waar missionaris Bonifatius de bijl aan de wortel van de boom legde en er daarom het leven heeft gelaten.

Geloof, mystiek en geweld bepalen de streek.

En veen- en bosbranden waardoor de Friese meren ontstaan. De mythe van Sieuwke en Marchje, twee oude vrijsters, ergens in het dal der tijd. Tijdens een bosbrand aan het eind van een zinderend hete zomer, als ze elkaar door de rottende rookwolken niet meer zien, schreeuwen ze ‘Sieuwke! Marchje!’ naar elkaar om te bepalen waar ze zijn, gooien als blusmiddel melk op het vuur en de vlammen slaan zodoende nog verder om zich heen, oorsprong van de naam ‘Tsjûke Mar’.

Eeuwen eerder.

Het land bijna ontvolkt, inkomende Denen en Saksen voegen zich naar de overgebleven Friese elite.

Met spuitend veel bloed en bottengekraak overwint de held Beowulf het monster Grendel, afstammeling van Kaïn, en later, tot stervens toe gewond, zijn sissende moeder. In de ‘Beowulf’, het oud-Engels epos dat door een groep monniken is geschreven en zich afspeelt rondom het Deense Kattegat tussen 450 en 600 na Christus, staat tevens een passage over Finn Folcwalding, de eerste koning van Friesland.

‘Van vrienden beroofd, keerden de krijgers naar hun woonstee terug, Fryslân al in het oog, hun huizen en forten die ze weerzagen. Maar Hengest, door slachting getekend, dwaalde als afgesproken met Finn. Hij dacht aan zijn heitelân maar kon bij winter het kromstekig schip niet afsteken. De zee werd storm, vocht met de wind en sloot golven in boeien van ijs tot zich volgende jaar voor het hof aankondigde, met lente en zomer die schitterden en altijd en eeuwig de tijd van het jaar in acht namen.’

Ruw stoot zijn lichaam op het hare.

Eens vrije boeren, vissers en handelaren.

En er is niemand die knielt, tenzij voor het hogere.

Uit halfzwangere vrouwen worden soms kinderen geboren, in liefde aanvaard, als bastaard tot balling verklaard. Want in een gemeenschap van enkele honderden tot duizenden zielen in Zuid-Friesland neemt een heerboer of grietman wel eens een meid uit het veld. Soms kan dat kind zich naar boven vechten en tot grootse daden komen, daden die sagen amper vermelden, even zo vaak gaat het jammerend ten onder. De clan is het om het even, gaat na een wijl over tot het ophogen van terpen waar koeien, schapen en pluimvee tijdens hoogtij bijeen worden gedreven. Eeuw na eeuw treden hier, aan het eind van eertijds het ijs, overstromingen en hongersnoden op, het dunne laagje van wat beschaving heet al verder en dieper afschrapend. Op de grootste jaarmarkt van het noorden, eens zetel voor rechtspraak aan de voet van de eik maar na de Franse overheersing tot een dol volksvermaak verworden, verschuilen feiten en achterklap zich achter geweld.

Een boerendochter staat stil achter de stal.

Haar lange, blonde haren wuiven als gerst na gedane arbeid.

Hij kwijlt als een dolle hond.

Wie zich voorbij rang en stand waagt en ongeschreven regels aan zijn kont afveegt, komt in de nevels van Gaast en Klif terecht.

Zijn naam, gekerfd in de eenzame boom tegenover de vaart die elk jaar door het spook van haar moeder wordt vernieuwd, ligt in een duister dal vol beenderen, ‘komt uit vier windstreken, wind! Blaas in de doden opdat ze gaan leven, en ze kwamen tot leven, een onafzienbare menigte’.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam