Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De bloedmaan moorden

Door Katrien Maene

“Daar. Ze ligt daar,” schreeuwt Isabel Douglas uit. James White blijft, als door een bliksemschicht getroffen, staan. Het volledig verhakkelde lijk van zijn schoondochter ligt languitgestrekt op de treinrails. “Overreden?” stamelt hij. “Neen, aan de verwondingen te zien heeft iemand er nogal driest op in gehakt. En ik weet wie.” Malcolm MacCleary, is zeker van zijn stuk. De onheilspellende gloed van de bloedmaan geven de hoge jukbeenderen en ingevallen wangen van de zestiger een akelige aanblik. Zijn halflange grijzende haren zijn veranderd in een puinhoop door de striemende regen, die als naalden in zijn huid prikken. Zijn slangenlederen handschoenen hebben iets griezeligs. Net of ze wat willen verbergen. “Terug. Terug naar het hotel.” stamelt Douglas haast onhoorbaar. Stel je voor dat de moordenaar hier rondloopt. In de donkerte. Tussen de struiken. Achter de rotsen die bezaaid liggen op het pad naar het hotel op het onherbergzame Schotse eiland Skye. “Een weerwolf. Ik zag hem voor een venster op de eerste verdieping, net toen ik het hotel verliet. Ik wilde jullie nog terug roepen, maar jullie waren al te ver voorop gelopen. Plots vielen alle lichten uit in het hotel.”

White schijnt met zijn zaklamp naar de twee hotelgasten. Douglas, een jonge journaliste, trilt over haar tengere lichaam die vastgesnoerd zit in een zwarte mantel. Ze bijt op haar bevende onderlip. Haar ademhaling is gejaagd. Moeizaam wrijft ze haar natte, blonde lokken van haar verkrampt gezicht.
En die andere. Bizar. Hij kent hem van ergens, maar waarvan? Tja, in zijn vijftigjarige loopbaan als hoteluitbater zag hij zoveel mensen… Vijftig jaar is hij al de baas van zijn bloeiend hotel. Vijftig jaar. Vijftig jaar waarin hij een prachtige carrière wist uit te bouwen. Vijftig jaar. Zo lang geleden was het gruwelijke voorval gebeurd. Die moord. Afschuwelijk. Door hem. 1967. Die nacht was er ook een bloedmaan. Bloed.

Hier blijven staan was geen optie. Wachten tot zijn echtgenote met de andere hotelgasten terugkeerde. Het kon nog een uur duren vooraleer de bus hen terugbracht. Met de GSM bellen. Ook niet, er was hier geen bereik. Dan maar terug naar het hotel.
De steeds harder opbollende wind geeft hen een duw in de rug terwijl ze de licht glooiende helling oplopen.
In de verte doemt het hotel op. Het behekste hotel. De flikkerende kaarsen in de eetzaal en de hall zetten het in spookachtige gloed.
In slow-motion neemt White de vergulde klink van de glazen inkomdeur vast. De lichten van de drie zaklampen schijnen kriskras door de ruime voorplaats. Het parket zucht krakend onder iedere stap. De oude schilderijen van de voorouders kijken grimmig. Wacht de weerwolf hen op achter de verniste, mahoniehouten incheckbalie. Heeft Het zich verstopt in de antieke staande klok, met vergulde ornamenten? Net op dat moment. Twaalf klokslagen. Ze galmen mysterieus. Middernacht. Douglas verwacht dat Het uit de klok zal tevoorschijn springen, niet als een vrolijke koekoek, maar als een gruwelijke clown, een misplaatste grap in het circus van het leven. Scherpe tanden van een weerwolf, dodelijke klauwnagels, fonkelende geel – groene ogen.
“Mijn zoon. Verdomme. Waar is mijn zoon? Hij zou hier op ons wachten. Bij de telefoon.” White grijpt naar zijn borst. Zijn gezicht. Wit als een lijkwade. Zijn ogen wijd opengesperd. Zijn blauwe lippen dichtgeknepen.
Zijn zoon. Zijn enige zoon. Jack.
Lucht. Hij wil lucht. Een steen verplettert zijn borstkas. Hij kan de naam van zijn zoon niet meer roepen.
“Een weerwolf. Dat bestaat toch niet.” probeert Douglas terwijl ze onophoudelijk haar zaklamp over het luxueuze interieur laat glijden. Telkens weer nieuwe, betoverende schaduwen.
“Ja… Ook gezien… bij b.. bloed… bloedmaan. iedere… iedere keer. Is waar ….”
Bij iedere bloedmaan ligt de weerwolf op de loer. Telkens organiseert White een uitstap zodat alle hotelgasten, die nacht, weg zijn. Zijn hotel sluiten, iedere keer dat er een bloedmaan is, zou teveel opvallen. Naar de politie stappen met het verhaal. Kon hij ook niet. Die zouden veel te nuchter reageren dat een weerwolf niet bestaat. En dan zouden ze misschien wel zijn verleden uitpluizen. Misschien. Neen, zeker zouden ze opnieuw de afgrijselijke dood van zijn hotelgast oprakelen. Het beeld van diens zoontje zal hij nooit meer vergeten. Hoe het kleine jongetje de aanval van White op zijn vader nog had proberen af te wenden. Zijn kleine handjes wanhopig in de lucht stekend. Maar het was te laat. Hoe het jongetje verweesd bij zijn stervende vader was gebleven, onbegrijpend kijken hoe het bloed in gulpjes uit zijn hals spoot bij ieder kloppen van zijn hart. Zijn stervende hart. Net voor het einde had hij zijn hoofd nog opgericht en White vervloekt. De kleine jongen had zijn handen voor zijn oogjes gehouden. Het was hem opgevallen dat hij zijn rechter pink miste. Een detail. Bloed. Bloedmaan. gietende regen. Middernacht. Vijftig jaar geleden.

Onophoudelijk draaien de radertjes in het hoofd van Douglas. Ze proberen in mekaar te haken, maar bewegen vierkant. De schoondochter is vermoord. Iemand heeft haar op de sporen gelegd in de hoop dat het op een treinongeluk zou lijken, maar ze werd te vroeg gevonden. James White is zeker de moordenaar niet, want de hele avond was de journaliste bij hem geweest voor het interview over de festiviteiten die hij zou organiseren tijdens de oudejaarsnacht, binnenkort. MacCleary was het ook niet, want die ging maar even naar buiten om een sigaretje te roken. En hij was in de bar blijven hangen. Traag, bedachtzaam, de ijsblokjes in zijn whisky ronddraaiend. Wel bizar dat hij de enige was die niet meeging op uitstap naar de stad met de vrouw van James White en de andere hotelgasten. Nu ja, op zich een detail. Hij had last van zijn spieren, daarom droeg hij die handschoenen, omdat zijn handen anders zouden verkrappen door de kou. Ook een detail.
Jack White. Die zou het wel eens kunnen zijn. Ze had hem horen ruzie maken met zijn vrouw, hevige ruzie, in de keuken… Zou Jack gevlucht zijn? Of toch … de weerwolf. Want hoe kon MacCleary afweten van die weerwolf? Ze had hem tegen White horen zeggen dat het de eerste keer was dat hij hier kwam. Maar waarom was de elektriciteit uitgevallen nadat MacCleary het hotel verlaten had? En waarom had die bizarre gast hen beiden eerst laten vertrekken, op zoek naar de vrouw…
Langzaam laat Douglas haar zaklamp nog eens rondschijnen. Daar. Die gordijnen! Ze bewegen. De wind, grimlacht MacCleary. Hagelstenen kletteren tegen de ramen. Onophoudelijk. Kogels uit een geweer.

De vrouw probeert haar longen te vullen, in de hoop bij het uitblazen te ontspannen. IJskoude lucht vermengd met de irritante geur van kaarsen. Het snijdt haar adem af. Net of iemand haar wurgt, onzichtbaar.
Beide mannen staan wat verderop. Malcolm leunt tegen een deur, net zoals een jongen achteruit leunt tegen het huis van zijn eeuwige jeugdliefde, euforisch, meester van de situatie.
Bloed! Er komt helrood bloed vanonder die deur! Douglas slaakt een doodskreet. Emotieloos opent MacCleary de deur. Het lijk van Jack White, badend in een grote plas.

Pure wanhoop. Vader White wankelt. Net een valluik die zich onder hem opent, waardoor hij metersdiep, oneindig, weggezogen wordt uit het leven.
“Een hartaanval.” Triomfantelijk wijst MacCleary in de richting van de grijsaard.
“En nu is het uw beurt.” Vliegensvlug gebeurt het. Hij haalt een vlijmscherp mes uit zijn zak. Zijn boosaardige ogen fonkelen. Douglas smijt haar zaklamp naar zijn hoofd. Hij wankelt. Ze kan nog net het mes uit zijn hand slaan. De handschoen valt af. Rechter pink ontbreekt. Ongewapend. Als een bezetene springt hij door een venster. Glasscherven. Hij wordt opgeslokt door de nacht. Plots. Een rukwind blaast de golfplaten van een bijgebouwtje. In de lucht. Als een speelbal van de wind. Douglas ziet hoe, in het lichtschijnsel van de bloedmaan, een van de platen tegen MacCleary valt en hem dodelijk raakt. Met het mes gewapend wil ze de doodsteek geven. “Ik zag … als kind…mijn vader… doodgeschoten… Ruzie … over geld. Politie geloofde … me niet. Was jachtongeval… Iedere bloedmaan… ik… rond hotel gezworven… als weerwolf… Kon hem … niet doden. Onder valse naam nu geboekt… Zag zoon die…buiten …zijn vrouw vermoordde… Heb zoon dood … gedaan … voor dat ik … kwam zoeken. Licht uitgedaan… spookachtig… Weerwolf … schuld geven … Wou wraak … heel mijn leven… en vergat … te leven.” Een doodsnik.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch