Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De boomklimmer

Door Marleen van Wesel

Weer geen wonderen gebeurd vannacht, stelde ik vast. Ik wilde mezelf net uit de kersenboom laten vallen, toen er een slapend gevoel in mijn rechterbeen trok. Ik verplaatste mijn gewicht, in de hoop dat het zou helpen, en blies warmte in mijn verkleumde handen, die meteen weer verdween. Alleen een koude, vochtige lucht bleef hangen tussen mijn geschaafde vingers. De dikke tak waarop ik zat bewoog zachtjes. Verderop in de straat kraaide een haan en nog verder, achter de andere bomen, begon de lucht oranje te kleuren.

Voor alle duidelijkheid: het was geen gewoonte van mij om ‘s nachts in bomen te klimmen. Afgezien van de afgelopen twee nachten dan.
‘Het is bijna tien jaar geleden’, had Jelles moeder aan de telefoon gezegd. De anderen had ze ook gebeld. Of we nog eens langs wilden komen. Voor hem. Alsof we voor haar al die moeite vooral niet hoefden te doen.
‘We komen’, zei ik. Meteen weer in meervoud, hoewel ik de rest jaren niet gezien had. Ja, op zorgvuldig geselecteerde Instagram-kiekjes die we soms van elkaar liketen. Maar ik wist het zeker: we zouden komen. Voor hem had het weinig zin, dus wel degelijk voor haar.
En toen had ze iets gezegd, waardoor ik niet kon ontkennen dat ik het ook een beetje voor mezelf deed.
‘Het kaarsje onder de boom waar hij… soms brandt het ineens. De avond ervoor nog niet, maar ‘s ochtends flakkert er plotseling iets.’
Wie dat gedaan had, hoefde ik háár natuurlijk niet te vragen. Maar zelf wilde ik weleens weten wie hier écht verantwoordelijk voor was.

We waren gekomen. Op maximale sterkte: het vierkoppige restant van ons vijftal. De een met een OV-fiets, de ander met een Uber en nummer drie gewoon op zijn eigen fiets, rechtstreeks uit zijn werk, want hij was hier uiteindelijk als enige nooit vertrokken. Zelf was ik met een deelauto stiekem al een dag eerder komen aanrijden, over de weg naar ons dorp, waar je vroeger honderd mocht, later tachtig en nu nog maar zeventig. Dat stond op een nieuw bord, althans, niemand had er nog stickers of onleesbare boodschappen op achtergelaten. Op een ouder bord waren een fiets, een tractor en een brommer bij elkaar gepropt in een roodomrande cirkel. Met dikke zwarte stift had een vandaal, die misschien ook alleen maar wat op de zaken vooruitliep, er een auto bij getekend.

Gisternacht was ik alvast in de boom geklommen aan de rand van Jelles achtertuin. Net als hijzelf, tien jaar geleden. De rest zou de volgende dag pas bij zijn moeder aan de eettafel aanschuiven, uit melancholie, plichtsbesef of sympathie voor haar. Zelf voelde ik heus ook een combinatie van die dingen, maar ik was dus bovenal nieuwsgierig.
Eenmaal bovenin had ik mezelf afgevraagd hoelang geleden de vorige keer was, dat ik in een boom was geklommen. Vijftien jaar, twintig? Ik vroeg me ook af of ik sindsdien zoveel minder lenig geworden was, of dat boomklimmen altijd al moeilijker was geweest dan ik me kon herinneren, zoals wel meer dingen. Een beetje van allebei, vermoedde ik.
Rillend bracht ik die eerste nacht door op deze dikke tak. Straatlantaarns schenen als spotlights over Jelles allerlaatste uitzicht. Ik probeerde me voor te stellen hoe hij als een engel langzaam hiervandaan zweefde, voor hij verdween naar een plek waarin ik niet geloofde. Het lukte niet zo goed. Meer dan een tevreden glimlachend figuurtje uit de kerstboom werd hij niet. Veel beter wist ik nog hoe alles er vanaf dat moment werkelijk uitgezien had, daar beneden.
Gedachten die ik eigenlijk niet wilde hebben, meer gebeurde er niet, de eerste nacht. Toen ik tegen de ochtend de boom weer uit klom, stond het kaarsje nog altijd werkloos in een jampotje, middenin een bloemstuk dat Jelles moeder recent nog ververst moest hebben, versierd onder een laagje dauw.
‘Iemand moet hier de wonderen verrichten’, zuchtte ik.
Mijn aansteker haperde drie keer en toen het uiteindelijk lukte, verbrandde ik mijn vinger.

Dit was de tweede nacht en mijn been tintelde nog steeds. Ik bleef nog maar even zitten, terwijl de oranje rand van de nacht deze kant op kwam. Als ik verkeerd terecht zou komen en Jelles moeder me kermend als een raak geschopte voetballer op de grond zou aantreffen, juist hier, dat kon ik haar niet aandoen.

Afgelopen middag had ze een halve kan koffie voor ons gezet, verdeeld over vijf mokken. Haagse bakkies. Misschien was ze zoveel visite al lang niet meer gewoon. Of misschien zette ze gewoon altijd halve kannen. Al twee keer nu had ik haar dat ook ’s avonds laat zien doen, vanuit mijn boom. De gordijnen aan deze kant van het huis bleven wagenwijd geopend. Vanaf de straat keek je hier niet naar binnen. En in deze boom zaten doorgaans geen andere pottenkijkers, vermoedde ik. Vermoedde zij, in elk geval. En de gapende duisternis die zij, omlijst door de afbladderende kozijnen, vanuit de huiskamer zag, joeg haar geen angst meer aan. Het allerergste was toch al een keer gebeurd.
’s Avonds schonk ze één mok vol voor zichzelf, om de rest van de koffiekan uiteindelijk weg te spoelen, nadat ze de krant pagina voor pagina had gladgestreken. Of ze tussendoor nog iets las, ik kon niet in haar hoofd kijken, goddank. Ze leek eerder wat voor zich uit te staren, maar misschien waren haar ogen slechter geworden en werkte dit nog het beste.
Ik bedacht me dat ze misschien altijd al halve kannen gezet, omdat het precies genoeg was geweest voor haar gezin. Dat ze er allemaal niet meer waren, wilde niet zeggen dat de hoeveelheden koffie hier óók nog eens moesten veranderen.
Afgezien van de mensen en hun nadrukkelijke afwezigheid, was alles in huis sowieso nog hetzelfde, had ik vanmiddag gezien. Dezelfde mokken, hetzelfde bankstel, precies dezelfde foto’s, want er waren geen nieuwe meer gemaakt, dezelfde verf op de kozijnen, alleen steeds minder.
De verjaardagskalender op de wc hing als enige juist een maand vooruit. Maar vaag herinnerde ik me, terwijl ik een velletje van de rol trok, dat ik negen jaar en elf maanden geleden misschien zelf verder gebladerd was. Een maand later was ik jarig en míjn leven was uiteindelijk niet helemaal gestopt met doorgaan.

Aan de keukentafel wisselden we weetjes uit over onszelf, die de Instagram-kiekjes en likes nauwelijks ontstegen. Volgens Jelles moeder was het evenwel gezellig dat we er waren. ‘Vindt Jelle ook. Vanmorgen brandde z’n kaarsje weer.’
Snel keek ik naar de anderen. Als de wonderdoener hiertussen zat, was het er een met een betere pokerface dan vroeger.
Welke andere verdachten waren er te bedenken in dit dorp? De pastoor? Die had nog een zaak draaiend te houden. In omliggende plaatsen waren de kerkgebouwen opnieuw volgestroomd, nu met sportscholen, appartementen of dorpshuizen. De kerkgangers moesten maar hierheen komen. Wat ze overigens niet deden. Jelles moeder was nog een trouwe klant, maar dat was ze tóch wel. Als meneer pastoor zieltjes wilde herwinnen, kon hij beter z’n Mariabeeld tot tranen toe roeren, met een beetje hulp.
Wie dan? Het oude moedertje zelf? Zoals onze ouders de traditie rond die ene goedheiligman net wat langer in stand hielden dan ons geloof eigenlijk duurde? Maar dat was tenminste nog een léúk toneelstuk om op te voeren. En er waren pepernoten in het spel.
Of toch? Was het de ijdele hoop dat ze op een ochtend vergeten zou zijn dat ze het zelf was geweest, gisteravond, omdat ze zo graag eens wílde geloven dat…
Nee, dat geloofde ik dan weer niet, terwijl ik haar zo door haar krant zag bladeren.
Een stel vandalen dan, van het minder vernielzuchtige soort? Zo waren we zelf ook geweest. Daar kon elke tuinkabouterbezitter in dit dorp over meespreken. Op de zondagochtenden na de beste zaterdagnachten hadden alle tuinkabouters zich soms verzameld op het schoolplein. Of ze waren allemaal van tuin gewisseld. Wij waren ons natuurlijk van geen kwaad bewust, überhaupt nergens van, terwijl we onze roes uitsliepen richting katers die nog genadig waren.

Mijn andere been begon nu ook te tintelen, dus ik zat hier nog wel even. Ik moest denken aan dat gedicht, ‘De Zelfmoordenaar’ van Piet Paaltjens. Over een vozend stelletje onder een boom, waar ineens een laars uit kwam vallen, waarop ze naar boven keken, en: ‘in een wip was de lust / om te vrijen geblust’.
Het was Jelle geweest die dáár ineens mee kwam aanzetten, terwijl de negentiende-eeuwse gedichten die we in ons eindexamenjaar bij Nederlands bespraken, ons maar matig interesseerden.
‘Episch’, had hij erbij gezegd. Dat zeiden we allemaal, in die tijd.
Ik grinnikte even. Het klonk vreemd en hol in de ochtendschemering. Een kramp trok door mijn buik toen ik me plotseling realiseerde wat de werkelijke overeenkomst was met uitgerekend deze boom.
Waarom zat ík hier eigenlijk? Alleen om een mysterie op te lossen, of hoopte ik daarbij heimelijk op een specifiek, maar onwerkelijk scenario?
Ik probeerde mezelf steviger vast te grijpen aan de takken, met trillende vingers die ineens heel slap voelden.

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch