Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De Boomverzorgers

Door Tyche Zinnia Tjebbes

Zittend in de oksel van de boom haal ik diep adem. Beneden staat Willem, de dingen te schreeuwen die ik al weet. Welke takken, waar ik moet zagen. Hij rookt zijn shag, het touw losjes in zijn hand. Hij zal waarschijnlijk te laat zijn als ik mijn evenwicht verlies, maar dat maakt niet uit. Ik val niet.
Zelf klimt hij al jaren niet meer. Daar is hij te zwaar voor. Toen hij twintig jaar geleden mijn vader om mijn hand vroeg was hij lang en dun. Maar hij heeft de tijd die is verstreken omgezet in gewicht. Mijn kettingzaag zit stevig in de heuphouder, ik moet hard trekken.
“Ja, muis! Gaat u maar,” roept hij vanaf beneden.
Het apparaat slaat aan, de ronkende machine overstemt zijn geschreeuw. Muis. Mysz. Het is geen verkeerde naam. Ik ben grijs. Ik doe niets om de tijd tegen te houden, laat de tijd in mijn haar kruipen. In mijn geboortedorp is dat normaal. Wij weten dat we dieren zijn, leven met de tijd mee, er niet tegenin. Een hond vecht ook niet met de tijd. Willem wast zich niet altijd meer, dat vind ik wat anders. Honden kennen geen schaamte en toch verzorgen ze zich, een hond zou zich nooit verwaarlozen. Ik snoei de dunnere takken als eerste weg.
Een drukkende pijn. Sinds we Tola hebben laten inslapen. Een drukkende pijn achter mijn oren. Al weken is het alsof een hand daar, met duim en wijsvinger, steeds opnieuw hard begint te drukken. En sinds vanmorgen is er een hoge pieptoon bijgekomen. Ik wilde meteen naar het asiel, de volgende ochtend al, maar Willem niet. En ook de dag daarna niet. Hij is ineens allergisch. Dat kan ook later in je leven op komen zetten volgens hem.
Ik leg mijn wang tegen de stam. “Het is oké,” zeg ik en draai me om, handel zonder te aarzelen. De bast van de dikke tak biedt weerstand, dan moet je kracht zetten, maar eenmaal door gaat het soepel. Willem zit niet op te letten, ik kijk recht op zijn kale kruin, hij speelt candy crush. De tak ploft een meter naast hem neer. Hij kijkt niet op.
Niemand zou hem missen. We zijn maar met z’n tweeën. Elke dag snoeien we onze opdracht en gaan naar huis. Willem zit in zijn stoel bij het raam, eet de opgewarmde bigos, grote happen slikt hij weg. Hij kijkt niet naar mij, hij kijkt langs me, zoals je langs je eigen arm kijkt.
Alleen als er iets niet goed is dan ziet hij me, trekt hij me aan mijn haren de keuken in, drukt mijn gezicht in een pan waarin iets is aangebrand. Hij zegt dat vrouwen uit mijn land daar tegen kunnen. Dat ie me daarom gehaald heeft.
Ik verlos de boom van de drie andere dode takken. Als ik klaar ben blijf ik boven. Geen hand in mijn nek. Geen piep. De koude ochtendnevel hangt boven het open veld in het bos. Het hondenveld. Twee bordercollie’s en een witte herder, net Tola.
Het is het eerste wat ik zou doen, een nieuwe hond. Twee. Twee witte herders. Als ik m’n ogen sluit hoor ik hoe ze aan komen draven, voel ik ze tegen me aanspringen.
Met mijn vingertoppen raak ik de snoeiwond van de afgezaagde tak, ik voel wat vocht, maar het zal snel dichten. Soms moeten er takken weg om de andere een kans te geven.
Ik kijk naar beneden. Willem staat nog steeds gebogen over zijn telefoon. Roze en oranje snoepjes spatten op zijn schermpje uiteen. Voorzichtig verplaats ik me naar vlak boven zijn hoofd. Ik zet de zaag weer aan en adem de koude lucht in.

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch

0 Toneel

Stukje

Bauke Vermaas