Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De bruine tuiniervogel

Door Abel Kleijn

De licht zoete geur van lindebloesem waart rond in de straten van het Maastrichtse Jekerkwartier. De geur waarvan beweerd wordt dat zij harten opent, omdat de lindeboom bloeit in de maand van de hoogste zonnestand. Je hoeft je neus maar te volgen zodra je de deur uitloopt van het romantisch etablissement ‘Le Petit Bonheur’; de bocht om langs de middeleeuwse stadsmuur en je komt vanzelf uit op de Grote Looiersstraat waar de lindebomen tot in de hemel groeien.

Het Jekerkwartier ligt aan de zuidkant van de historische binnenstad van Maastricht en wordt gekarakteriseerd door de vele witgepleisterde, uit natuursteen opgetrokken woningen. En door het grillig stratenpatroon, dat door de eeuwen heen beïnvloed is door het kronkelig verloop van het riviertje de Jeker, dat even verderop de Maas in stroomt. De smalle straatjes met hoge herenhuizen in dit deel van de stad hebben allemaal een lichte kromming, waardoor je nooit helemaal weet waar je uitkomt. En zelfs als je erin slaagt om je te oriënteren, wordt je afgeleid door de poorten die een doorkijkje geven op de binnenhoven achter de voorname gevels. Soms is het mogelijk om via deze semi openbare ruimten een doorsteek te maken en sta je ineens op een verlaten industrieterreintje. Of kruis je even later het riviertje de Jeker, die in dit deel van de stad achter de huizen om en zelfs onder de straten door stroomt. Vroeger lagen er ook nog grachten, die de leerlooierijen van water voorzagen, maar deze zijn in de loop der tijd om hygiënische redenen bijna allemaal gedempt. Het is niet moeilijk voor te stellen hoe hier nog geen honderd jaar geleden, de kinderen van de fabrieksarbeiders als zwermen mussen door de steegjes trokken, die de watermolen annex bakkerij en kleine leerwerk bedrijven met elkaar verbonden. En hoe ze luidruchtig samenschoolden op de dichtbevolkte binnenterreinen en deels braakliggende groentetuintjes, die deze ruim tweeduizend jaar oude vestingstad karakteriseren.

Daar waar de Kapoenstraat overgaat in ‘Achter de Molens’ recht tegenover de Witmakersstraat, ligt het hotelletje ‘Aux Quartier’. Een van oorsprong middeleeuwse stadsboerderij met een besloten binnenplaats, die nu gebruikt wordt als half overdekt terras van het Restaurant ‘ le Petit Bonheur’. Hier had hij voor hun beiden een kamer gereserveerd. Op nog geen steenworp afstand van zijn favoriete buurtcafé de Lure, waar ‘s avonds laat de bezoekers nog buiten zitten onder de met lindebloesem beladen bomen. En waar het gemoedelijk geroezemoes opstijgt tegen de hoge gevels, om vervolgens weerkaatst te worden in de schemerige, door enkele grote gevellantarens verlichte steegjes.

Ze waren laat van tafel gegaan maar wilden nog niet naar bed en hadden besloten om nog een wandeling door de buurt te maken. Het was warm geweest die dag en er daalde een lome rust neer over dit nog niet door toeristen overlopen deel van de stad. Tegen middernacht, als de schaars verlichte straten weer teruggegeven worden aan de bewoners van het Jekerkwartier en hooguit enkele luidruchtige studenten nog van zich laten horen, is Maastricht op haar mooist. Hand in hand slingerden ze door de straten en stuitten op de restanten van de zeventiende-eeuwse stadswal, die de grens vormt met het voormalig kazerneterrein en dat nog herinnert aan de tijd dat Maastricht de belangrijkste vestingstad van Zuid Nederland was. Achter deze hoge, geheel uit mergelstenen opgetrokken muur ligt het Monseigneur Nolenspark met aan het einde van de ‘Zwingelput’ een smalle doorgang. Vlak voordat ze hier het bruggetje over de Jeker naar het stadspark wilden nemen, werd hun aandacht getrokken door een stenen trap, die voor de stadsmuur langs omhoog voert naar een wandelroute bovenop de oude stadsomwalling. Het grote smeedijzeren hekwerk stond op een kier en nadat ze het weer zachtjes achter zich hadden gesloten, beklommen ze de steile natuurstenen treden. Bovenop de stadswal liep een smal wandelpad en troffen ze tussen rijk bloeiende planten borders een bankje aan. Ze besloten niet hier, maar bovenop de muur te gaan zitten om zo te kunnen genieten van het uitzicht over het lager gelegen stadspark met zijn monumentale bomen. En omdat hun bed zich slechts op enkele minuten loopafstand van deze plek bevond, konden ze zo lang blijven zitten als ze wilden. Hun samenzijn was vaak beperkt in tijd, maar deze lome zomeravond had zijn eigen tijdsbestek en werd niet beheerst door de tijd van de klok.

‘Mooi is het hier’, sprak hij. ‘In dit deel van Maastricht kom ik het liefst’.

‘Dat woord gebruik je vaak’, antwoordde zij. ‘Volgens mij heeft het voor jou meer betekenis, dan alleen maar ‘leuk om naar te kijken’.

‘Dat klopt’, sprak hij uitdagend: ‘Mooi is een typisch manlijk woord; wij mannen hebben verstand van schoonheid’.

‘Oh ja?’ vroeg ze quasi verrast. ‘Hoe kom je daar zo bij?’

‘Kijk maar naar het dierenrijk, daar zijn de mannetjes het mooist. Vogels met hun bontgekleurde verenpak, leeuwen met hun majestueus voorkomen, edelherten en hun gewei.’

‘‘Nou, dat geldt dan niet voor het mensenras, gaf ze hem van repliek: ‘Ik ben althans niet onder de indruk van die overhangende buiken boven sandalen met witte sokken, die ik dagelijks om me heen zie.’

‘Dat doet geen afbreuk aan mijn stelling; ook in de dierenwereld zijn er minder mooie exemplaren onder de mannetjes. Maar die benutten hun talent voor schoonheid op andere wijze. Ken je het voorbeeld van de Prieelvogel?’

‘Neen, vertel me’ sprak ze op verleidelijke toon. En ze ging er echt voor zitten, alsof hij haar voor het slapen gaan nog een sprookje ging vertellen.

‘In de oerwouden van Nieuw Guinea leeft een vogelsoort, die op de bodem van het bos prachtig versierde prieeltjes bouwt. Het mannetje van de bruine tuiniervogel – want zo wordt hij in België genoemd – ziet er heel gewoon en onopvallend uit. Maar hij bouwt daar complete tuinhuisjes van takken en gras, die hij versiert met allerlei felgekleurde bessen, bloemen en zelfs glimmende kevers, die hij in het bos bij elkaar scharrelt. En met deze verleidelijke bouwkunst weet hij de vrouwtjesvogels voor zich te winnen. In concurrentie met andere mannetjes lokt hij haar naar zijn tempeltje, waar hij haar vervolgens bespringt en bevrucht. Sommige mannetjesvogels werken maandenlang aan hun bouwsels en dat terwijl het moment suprême slechts enkele minuten duurt.

‘En jij voelt je wel verwant met die beestjes… ook voor wat betreft dat laatste? Dat hoop ik toch niet’. En ze lachten beiden om haar gevatte opmerking.

‘Nee, serieus’, vervolgde hij zijn betoog. ‘Wat zijn jouw gevoelens daarbij; ik bedoel als vrouw. Bind jij je niet liever aan een man die zich omringt met schoonheid?

‘Luxe biedt geborgenheid en dat is een belangrijke factor voor een vrouw.’

‘Ja, maar ik heb het niet over materiële welvaart, maar over goede smaak. Gevoel voor schoonheid als richtinggevend kader, zeg maar. Er is een oud Chinees spreekwoord dat zegt: ’Als je van zijn tuin houdt, houd je van de man.’

‘Ja, maar er is ook een gezegde: ‘Diamonds are a girl’s best friend’.

‘Tja, dat is de Amerikaanse versie. Eksters, die er ook een beetje uitzien als nouveaux riches, versieren hun nest met glitters of zelfs gestolen tafelzilver’.

‘Ik vind jou inderdaad meer hebben van een bruine tuiniervogel’, lachte ze hem toe. En streek met haar hand vergoelijkend door zijn haar. ‘Weet je wat het is, jij hebt aanleg voor melancholie. En wat ik wil zeggen, moet je niet opvatten als kritiek, maar wat nu als jouw tuiniervogel ondertussen zijn tuinhuisje versiert met strengen nylonkoord en felgekleurde doppen van de plastic frisdrankflessen, die de bosarbeiders achterlaten na hun massale houtkap voor de aanleg van palmolie plantages?

‘Dat zou me buitengewoon droevig stemmen’, zei hij en na een korte stilte: ‘maar dat verandert niets aan mijn vraag: zou jij je als vrouw dan aangetrokken voelen door de inhoud van omgekeerde afvalbakken met felgekleurd plastic midden in het Tropisch regenwoud?’

En met een uitdagende grijns omdat hij nu toch het laatste woord had, wachtte hij het antwoord niet meer af en nodigde haar uit op te staan en verder te wandelen over de oude stadswal in de richting van de watermolen.

‘Neen, dan liever terug in de tijd’, stemde ze met hem in. Maar direct daarna fluisterde ze hem plagend in het oor: ‘Ik ben benieuwd naar de spiegeltjes en kralen waarmee jij ons houten ledikant versierd hebt, daarboven op onze zolderkamer bij ‘le Petit Bonheur’. Waarna ze met hoog opgetrokken knieën, schuin tegen hem aanzittend op de hoge stadsmuur, zachtjes zijn wang kuste. ‘Bovendien’ sprak ze met licht ironische ondertoon: ‘ik heb goed nieuws voor je. Ik wil graag door jou mooi gevonden worden.’En om haar woorden kracht bij te zetten, sprong ze plotseling op en wandelde de tegenovergestelde richting in, terug naar het hotel. En alsof het nog minder dan toeval betrof, lichtte daarbij telkens haar zomerjurkje even op in het maanlicht. Zoals de fel opwippende witte staart van een waterhoen, die in het voorjaar haar partner door de waterlelies heen loodst.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch