Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De dode pleegmoeder

Door Diana le Fanua

Op weg naar mijn werk onderbreek ik mijn fietstocht voor twee sigaretten op een bankje in de herfstzon. Ik schaam me voor deze zwakte, die ik om de een of andere reden maar niet kan overwinnen, en rook daarom alleen nog op plaatsen waar de kans miniem is dat ik een bekende tegenkom. Zelfs als ik een pakje koop geneer ik me: ik weet niet hoe snel ik het van de balie moet grissen om het diep in mijn tas te stoppen.
Mijn grijze veterschoenen steken wat saai af bij de geel, oranje en bruin gekleurde herfstbladeren waarop ze rusten, mijn fiets met laptoptas leunt achteloos tegen de boom naast me. Tegen mijn gewoonte in laat ik mijn mobiel in mijn schoudertas zitten. In plaats van naar mijn schermpje te staren dwing ik mezelf om te genieten van het warme licht op mijn huid. Dit moment moet ik ondanks mijn schuldgevoelens als gelukkig ervaren, opdat er tenminste nog iets tegenover zal staan mocht het roken ooit mijn dood worden.
Zo peinzend zie ik een man op me af lopen, een dertiger met een fiets aan de hand. Even verwacht ik een dakloze die me gaat vragen om een sigaret of om een paar euro voor een slaapplaats, maar daarvoor ziet hij er toch te verzorgd uit. “Mag ik u iets vragen? Kent u deze buurt?” “Een beetje”, antwoord ik ontwijkend. Hij slaat geen acht op mijn terughoudendheid. “Ik ook niet, ik woon zelf in het oude noorden”, vervolgt hij en lijkt even te aarzelen. “Het is misschien een raar verhaal, maar vanochtend was ik op mijn werk in Den Haag toen mijn pleegvader belde om te vertellen dat mijn pleegmoeder is overleden.” Hij kijkt me treurig aan. “Jeetje”, zeg ik. “Gecondoleerd. Was het plotseling?” “Ze had al twee keer eerder een hartaanval gekregen, maar deze derde werd dus haar dood.” Ik kijk even naar de brandende sigaret in mijn hand. “Het was wel echt een schok, ik stond ervan te shaken. Dat verwacht je gewoon niet op een maandagochtend. Ik ben meteen naar huis gegaan om met m’n auto naar Oud-Beijerland te rijden, waar m’n pleegvader woont. Ik wil gewoon naar het ziekenhuis, weet je, ik wil haar vandaag nog zien.” Hij staart even omhoog, naar de helderblauwe lucht. “Maar mijn tank was bijna leeg. Kom ik bij de pomp daar aan het eind van de Langstraat, weet je wel? Blijkt dat ik in de haast al m’n spullen op mijn werk heb laten liggen. Geen geld, geen pinpas… Ik de situatie uitleggen aan die man, maar hij wou me niet helpen. ‘Ga maar met de metro’, zei hij. En nou heb ik al aan twee mensen op straat gevraagd of ze me misschien willen helpen, maar ze willen niet eens horen wat ik te zeggen heb. Man, dan voel je je zó klein joh.” Hij wrijft over zijn kin. “Ik heb gewoon staan huilen.”
Ik heb met hem te doen, al voel ik een lichte twijfel. Maar ik doe mijn best daar niets van te laten blijken. Hoe vreselijk zou dat zijn als deze man inderdaad de waarheid spreekt! Ik kijk hem vol warmte aan. “Als u me zou willen helpen, dan wil ik daar ook echt iets voor terugdoen”, gaat hij verder. “Waar woont u?” Ook in het oude noorden, antwoord ik naar waarheid. “Dan kom ik toch een keer langs om iets te brengen, misschien kan ik iets voor je meenemen van mijn werk, of ik betaal het geld terug. In welke straat woon je?”
Een adres geven – daar heb ik weinig trek in. Stel dat alles toch gelogen blijkt… Maar ook van deze bedenkingen wil ik koste wat kost niets laten merken. Ik pak mijn portemonnee uit mijn tas en tover een tientje tevoorschijn. “Hier, dit moet wel genoeg zijn toch?” zeg ik. “Je mag het houden, ik hoef er niks voor terug.” Mijn stem klinkt ferm en vastberaden. Hij geeft me een langdurige handdruk. “Ja, dat moet lukken”, zegt hij zacht. “Heel erg bedankt, dit zal ik echt niet vergeten.” “Geen probleem. En wat ga je nu doen? Terug naar de benzinepomp?” “Nee, eerst naar huis. Daar staat mijn auto nu weer. Dan tanken en door naar Oud-Beijerland.” “Oké. Nou, succes dan vandaag.” Hij zucht. “Ja, ik heb nog wel een lange dag voor de boeg vrees ik…” “Sterkte ermee, ook voor je pleegvader.” Hij knikt, geeft me opnieuw een hand en loopt weg met zijn fiets. “Misschien kom ik je nog eens tegen”, roept hij nog.
Als de sigaret op is, stap ik weer op de fiets. Nog een beetje wankel door deze bijzondere ontmoeting denk ik aan wat er zojuist gebeurd is. Ik ben trots op mezelf omdat ik niet een van die mensen ben die weigerde te luisteren. Bovendien: ik kan het geld best missen. Waarom zou ik deze man níet het voordeel van de twijfel geven? Ik ben liever goedgelovig dan wantrouwig.
Eenmaal op kantoor hang ik mijn jas aan de kapstok, klap mijn laptop open op en vertel, nog steeds onder de indruk, het verhaal aan mijn collega’s. Na een aantal zinnen begint mijn collega Matthijs opeens hard te lachen. “Hahahaha!” Hij rolt zijn bureaustoel achteruit en slaat zich op de bovenbenen. “Hahaha, ongelofelijk!!!” Met zijn beide handen grijpt hij nu in zijn haar. Vertwijfeld kijk ik hem aan. “Ja zeg, ik ben die man óók tegengekomen een paar maanden terug!” Hij lacht nog steeds. “Precies hetzelfde verhaal!” Ik weet even niet wat ik moet denken. “Wat!?” stamel ik. “Ook met een pleegmoeder?” “Ja!!” “En ook Oud-Beijerland?” “Ja, echt precies hetzelfde! De lege tank, gebeld op z’n werk in Den Haag… ik heb ‘m een tientje gegeven.” Ik val haast om van verbazing. “Ik ook”, beken ik. “Hij speelde het wel heel goed hè?” zegt Matthijs. “Ik geloofde ’m echt.”
Vertwijfeld denk ik aan het tientje dat ik best kon missen, en vraag me af wie de man allemaal al geld ontfutseld zal hebben. Zijn verhaal is vast steeds verder geoptimaliseerd, zo door de jaren heen. In gedachten draai ik het hele gesprek nog eens af. De dode pleegmoeder… dat werkte vast beter dan een dode moeder, want wie verzínt dat nou, een pleegmoeder!? De details over zijn woonplaats, het tankstation, zijn werk in Den Haag. Het informeren naar mijn adres, waardoor ik het tientje direct wou geven zonder er iets voor terug te krijgen. En vooral: “Dan voel je je zó klein, joh…” Het wekte bij mij de wens op om de mensheid te verdedigen, om te laten zien dat we niet allemáál zo hardvochtig zijn. Ik ben gemanipuleerd tot en met. Hij deed het fantastisch. Acteerspel van de bovenste plank. Haast wel een tientje waard.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam