Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De dood en het meisje

Door Alex Dol

De cello baadde in het podiumlicht van de kleine zaal. Ongenaakbaar. Samuel keek langs de rode gordijnen naar het instrument dat hij zo vaak had gezien. Hij voelde dat dit de laatste keer zou zijn. Misschien kon ze vanavond al helemaal niet meer spelen. Ze had wel heel grauw gezien, in de kleedkamer. Ze had niets gezegd en zat daar alleen maar, zonder cello.

Wie had hem hier neergelegd? Ze liet haar cello nooit alleen, zo vlak voor een optreden. Ze klemde hem juist vast, tussen haar dijen, of met haar ranke handen aan de hals. De laatste tijd herkende hij haar bijna niet meer. Ze had een mindere periode na die operatie. Ze was gejaagder, onrustig. Klaagde over pijn en duizeligheid. Daarom was hij ook alvast vanuit de kleedkamer de trap afgegaan, naar de kleine ruimte achter het podiumgordijn. Hier kon hij even rust pakken. Concentratie vinden voor de Arpeggione.

Sandra was zijn muze. Ze speelden al jaren samen. Zij cello, hij piano. Als duo trokken ze de Europese podia langs, van Marseille tot Berlijn en natuurlijk hier in Amsterdam, in de kleine zaal. Ze hadden samen op het conservatorium gezeten, in het schoolorkest gespeeld. Ze hadden zelfs samen noten leren lezen.

De juf had een krul op het bord gemaakt. ‘De g ligt op…’

‘Het tweede lijntje van onderen’ hadden ze in koor geroepen.

‘Schrijf maar met mij mee… g…b…c…e…’ Sandra zat naast hem en schreef de noten netter dan hij. Keurige grijze ovaaltjes, die ze inkleurde tot het grijs bijna zwart werd. Net zoals echte muziek. Zijn schriftje had ezelsoren, het hare niet. Hij nam het overal mee naar toe. Onder de Japanse kers zat hij te oefenen op zijn bolletjes en stokjes. Trots liet hij ze aan Sandra zien. ‘Maar de mijne zijn mooier!’ had ze geroepen.

Roerloos lag haar instrument op haar te wachten. Op háár. Wat moest hij doen? Hij kon toch moeilijk solo gaan spelen? Ze moest komen. Nu. Hij luisterde naar het geroezemoes van het publiek in de zaal. Het publiek waar ze zo vaak samen tussen hadden gezeten. Laatst nog, om even te ontkomen aan alle ziekenhuisbezoeken. Hartritmestoornissen. Een operatie. Een kastje onder haar sleutelbeen dat alles registreerde. Bergen energie had het haar gekost. Even waren er geen optredens meer. Maar zijn verlangen was zo groot, nog groter dan het hare. Ze waren naar de kleine zaal gegaan, diezelfde kleine zaal als nu, om Schubert te horen.

Gretig lieten ze zich weer onderdompelen in de grandeur van het gebouw. Haar opgetogenheid bij het zien van de namen van de componisten op de groene plaquettes langs het balkon. Hummel, Bach, Chopin. Ook háár componist hing er. Schubert. Ze leek gelijk weer de oude, thuis in haar romantische wereld. Ze waren opgegaan in de muziek, strijkkwartet nummer 14, “Der Tod und das Mädchen”. De thematiek drong niet tot hen door. De muziek was genoeg. Schuberts golvende melodielijnen. De tempowisselingen. Ze hield haar ogen gesloten, ze was mooier dan ooit die avond. Het beeld van haar blonde haar dat haar gesloten ogen verbond met het rode fluweel van haar stoel. Als ze opging in de muziek bewoog ze haar hoofd zachtjes zodat het blonde haar deinde op haar schouders.

‘Waar is de celliste?’ Samuel draaide zich om en keek in het wat norse gezicht van de suppoost. Door zijn rollende adamsappel trilde zijn vlinderstrikje een beetje.

‘Ik weet het niet… ik bedoel… ze was net nog boven, in de kleedkamer’.

‘De kleedkamer is leeg, meneer’. Hij volgde de suppoost de trap op. Hij had Sandra nog nooit op hoeven halen. Altijd was ze present, klaar, paraat. Hij was juist de trage van hun twee. Wilde nog even toiletteren voor de voorstelling. Nog even alleen zijn, bij zijn innerlijke zelf komen.

De kleedruimte was verlaten. De suppoost keek door de grijze deur de gang op. ‘Mevrouw?’

‘Sandra?’ Samuel keek om de hoek, de badkamer in. Even roerloos als haar cello lag ze daar in elkaar gezakt op de grond. ‘Sandra!’

‘Dat is niet goed’. De suppoost stond ineens in de deuropening en greep naar zijn telefoon. Al bellend rende hij weg, de gang op. Samuel boog over haar heen. ‘Sandra! Je kunt niet gaan, Sandra! Blijf bij me!’ Hij legde haar op haar rug. Haar blonde haar in een waaier op de asgrijze tegels. BHV. Borstcompressie. Duwen. Hij moest duwen. Mond-op-mondbeademing. Radeloos duwde hij haar hoofd naar achteren en zette zijn lippen om haar mond. Hij duwde met beide handen op haar borst, maar ergens wist hij dat het zinloos was. Hij kromp ineen. ‘Je kunt niet weggaan Sandra!’ fluisterde hij terwijl hij haar vastgreep bij haar schouders. Maar haar ogen staarden al de leegte in.

De suppoost rende binnen. Plotseling was de kleedkamer een pandemonium van geschreeuw. De vrouw van de garderobe kwakte een tas neer en duwde hem aan de kant. Mannen met een brancard. De vrouw werd weer opzij geduwd. Een broeder kwam ervoor in de plaats. De geelgroene hesjes schitterden in het licht van de artiestenspiegel.

De rug van de ambulancebroeder ging op en neer, met zijn volle gewicht op Sandra’s borst. Zweetdruppels vielen op haar blouse en maakten er kleine ronde vlekjes. Samuel krabbelde overeind. ‘Raak haar niet aan!’ riep hij, ‘raak haar niet aan!’. Maar ze hoorden hem niet. De suppoost kwam naar hem toe en greep hem bij de schouders. ’Laat de professionals het werk maar doen,’ zei hij terneergeslagen, ‘hier is voor ons geen taak meer weggelegd’. Samuels schouders zakten langzaam ineen onder het gewicht van de handen van de suppoost en hij sloot zijn ogen.

‘Doe wat je kunt, ook als je eigenlijk weet dat het niet genoeg is’, zei zijn leraar altijd. Het was geen uitnodiging tot improvisatie, maar was bedoeld om alle onzekerheid over een verkeerde interpretatie van zijn pianobegeleiding weg te nemen.

De Arpeggione. De repeterende vormen. Het bloed en zweet en tranen die het hun had gekost om het in te studeren. Stukje voor stukje, thema voor thema, deel voor deel. De extase die ze samen wisten te bereiken. Het was bijna… nee, niet aan denken nu. Het begin van hun tournee viel tegelijk met het nieuws. Ze was er onverschillig onder. ‘Ik ben nog jong’ zei ze. ‘Dit gaat aan mij voorbij.’ Maar het ging niet voorbij.

Doe wat je kunt, ook als je eigenlijk weet dat het niet genoeg is, dacht Samuel nogmaals.

‘Ik moet het podium op! Nu!’ Schreeuwend duwde Samuel de suppoost uit de deuropening. Hij roffelde de trap af naar de kleine ruimte waar hij een paar minuten geleden nog gestaan had.

‘Meneer, u kunt nu niet…’ riep de suppoost.

’Ik weet wat ik doe. Laat de regie maar beginnen.’

‘Het is al afgelast, meneer.’ Maar Samuel duwde de rode gordijnen opzij. Het licht verblindde hem. Hij wendde zijn blik af naar links, zocht de letters op de groene plaquette: Schubert. Ja Schubert. Schubert moest het zijn. Hij voelde de verwachting van het overgebleven publiek, dat stil was geworden door zijn plotselinge opkomst. Dat gevoel van verwachting. Hij kende het al sinds hun eerste optreden, op school.

Hij wist zeker dat zijn klasgenoten jaloers waren. Groep 8 zat anders altijd achteraan. Maar nu waren ze vooraan gaan zitten. Bewondering voor de cello, hij wist het zeker. Ze hadden iets eenvoudigs van Mozart gespeeld. Haar streken waren onzeker. Zijn noten waren te luid. Maar ze hadden er gestaan. Het applaus was lang en hard geweest. Zoiets was nog nooit vertoond op school. ‘Jullie zijn fantastisch jongens! Het is zeker geen straf om jullie te horen!’ had meester Bert gezegd.

Het is geen straf. Dit kun je, Samuel, wees moedig! Hij haalde muziek van de Arpeggione van de vleugel en maakte een stapeltje van het papier. Langzaam liep hij naar Sandra’s lessenaar en zette zijn muziek voor de hare. Hij liep terug naar de vleugel. Trillend zette hij zijn handen op het klavier. De toetsen besloegen door de warmte van zijn vingers. Hij sloot zijn ogen. Het publiek was verdwenen. Zij was bij hem. Hij voelde haar lessenaar. Haar cello. Haar kam, die ze vorige week nog trots had laten zien. ‘Een nieuwe! Die gaat ons tot grote hoogten brengen Samuel!’

Zijn pinken allebei op de d, twee octaven uiteen. Der Tod und das Mädchen. Zacht sloeg hij het eerste akkoord aan. Nu kon hij niet meer terug. D-klein. Mäßig. Ze zal zacht in zijn armen slapen. Ze zal zacht slapen. Terwijl de klanken van zijn kale liedbegeleiding de gespannen ruimte vulden keek hij over de vleugel naar het podium. De cello baadde in het podiumlicht. Ongenaakbaar.

7 reacties

Ab Oosterhof

donderdag, 18:09

Je bent met dit verhaal dicht bij jezelf gebleven om je muziekpassie als rode draad te gebruikebn. Knap om in een korte versie toch een sterk verhaal neer te zetten. De cello vind ik als instrument ook iets sensueels hebben dat als beeld mooigekozen is

marieke

vrijdag, 17:26

Een mooi verhaal wat echt goed ‘af’ is! Mooi opgebouwd met de verschillende flashbacks die heel natuurlijk in het verhaal zitten. top!

Maarten Bervoets

dinsdag, 10:27

In een keer uitgelezen! Jammer dat het al uit is. Erg goed!!

Joke van Beest

maandag, 22:58

De kracht van de tegendelen. Prachtig!

corry houwen

maandag, 18:07

goed verhaal Alex

S Vollemans

maandag, 13:50

Wat een onwijs mooi verhaal. Knap hoe je emotie weet over te brengen!

Anja

maandag, 13:07

Prachtig verhaal!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch