Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De duif

Door Elke Everaert

IV
De stegosaurus die haar zoon vorige week tekende, verschijnt plots weer op de beslagen ruit. Ze wil er een foto van nemen, maar haar iphone ligt beneden. Ze opent het raam. Langzaam sijpelt frisse lucht de badkamer binnen. Met haar tandenborstel in de mond gaat ze op de vensterbank zitten. Ze ziet hoe de zon de witte boerderij aan de overkant doet oplichten. Op de houten bank onder het keukenraampje ontbreekt de buurman. Daar waar hij altijd zat, buigen de donkergroene latjes door. Zijn afwezigheid weegt onzichtbaar.
Ze vraagt zich af wat hij gezegd zou hebben van de deftige man die enkele weken geleden met veel moeite een bord in de grond klopte – daar, naast de verroeste brievenbus. De netels onttrekken het intussen al half aan het zicht, maar ze weet wat erop staat. Ze heeft de fraaie 3D-tekening van de twee moderne passiefwoningen al verschillende keren van dichtbij bekeken. Maar het blijft onvoorstelbaar. Ze hoopt dat tenminste de linde gespaard zal blijven. Helemaal bovenaan in de eenzame boom beweegt iets.
I
De eerste keer dat ik hem zag, was ik nog een kind. Een jaar of zeven. Het was een stralende dag. Toch vonden mijn ouders een reden om ruzie te maken; ze waren erg vindingrijk.
Uit ervaring wist ik dat de boomgaard de enige plek was waar ik het geschreeuw niet kon horen. Daar vluchtte ik dus heen. Zachtjes neuriënd begon ik takjes te verzamelen.
En toen gebeurde het. Ineens streek een duif voor mijn voeten neer. Ik schrok en bleef stokstijf staan. De duif deed hetzelfde. Vooral zijn oogjes zijn me bijgebleven: rode speldenkopjes.
We staarden elkaar lang aan. Ik kreeg de indruk dat hij niet zomaar langskwam. Het leek alsof hij iets wilde zeggen, dus sloot ik mijn ogen om beter te kunnen luisteren, maar het bleef stil. Daarom probeerde ik tot hem te bidden.
‘Dag duif, wil je me iets te vertellen? Zeg het maar, ik luister.’
Hij antwoordde niet –net als God, maar ik liet me niet afschrikken.
‘Moet ik eerst zeggen wat ik hier doe? Oké. Dat komt door papa. Hij roept altijd naar mama. Kan jij het niet doen stoppen? Nee? Allee, nu is het jouw beurt. Waarom ben jij hier?’
Ik wachtte enkele seconden. Dan opende ik mijn ogen. Hij was weg. Zonder een bericht na te laten. Ik voelde me verraden.
Nog meer dan de ruzie haatte ik het zwijgen achteraf. Die avond raakte mama het eten dat ze – ondanks alles – gekookt had amper aan. Toen ze de tafel begon af te ruimen, verbrak papa de stilte. Het woord scheiding viel. In de keuken kletterde een deksel op de grond. Mama raapte het niet op.
Ik hield mijn ogen gericht op een spaghettisliertje dat aan de keukentafel plakte. Niemand mocht merken hoe blij ik was. De duif had ons dan toch geholpen!
IV
Ze probeert zichzelf ervan te overtuigen dat de vogel daar – hoog in de boom – een doodgewone duif is. De wereld vliegt er vol van. Toch kan ze haar blik niet meer van hem afhouden.
Heeft hij een zwarte halsring? Zie je wel, het is een tortel!
Ze weet dat de meeste tortels – in tegenstelling tot de hare – niet alleen leven. Vlug speurt ze de omgeving af naar een wederhelft.
Dan stijgt de duif klapperend op. Als hij voorbij het open raam vliegt, koert hij kort. Er is geen twijfel meer mogelijk. Hij is het.
II
Pas als student in Tilia kreeg ik een tweede bezoek van de duif.
Zoals wel vaker was ik te laat naar de les vertrokken. Daarom nam ik de kortere weg doorheen het park. Ik wandelde gehaast langs het standbeeld van de vrouw zonder armen, toen ik in mijn ooghoek iets zag vallen. Eerst dacht ik dat het een regendruppel was. Maar nee, op de rechtermouw van mijn rode jurk zat een witte vlek. Boven mij vond ik de schuldige – verscholen in de notenboom. Een duif.
Omdat ik onder mijn jurk alleen een BH droeg, moest ik terug naar mijn kamer om me te verkleden. Ik zou dus gegarandeerd te laat komen. Waarom moest dit net vandaag gebeuren? Bij professor Geeraerts!
Toen ik de grote glazen ingang van de universiteit eindelijk bereikte, hoorde ik een stem achter me.
‘Ik zou niet het me niet riskeren, hij heeft een rothumeur vandaag. Ik ben ook buiten gegooid. En ik was maar vijf minuten te laat.’
Ik draaide me hijgend om. Op het voetpad zat een jongen een sigaret te roken. Hij was me al eerder opgevallen. Er was iets met zijn ogen. Ze waren helderblauw, maar spuwden vuur.
‘Zin in een terrasje?’
Natuurlijk zei ik geen nee. We dronken wijn en praatten, alsof ons leven ervan afhing. Toen de avond viel, deed ik wat ik nog nooit eerder gedaan had. Ik volgde hem naar zijn dakappartement en deelde mijn lichaam. Hij was een wildvreemde, maar nooit heeft iemand vertrouwder aangevoeld dan hij.
De volgende ochtend vond ik op het hoofdkussen naast me een briefje. Beleefd, maar kordaat liet hij verstaan dat ik eenmalig was. Vanop het dak weerklonk geroep.
‘Koekoe-koe, koekoe-koe.’
Dan pas begreep ik het: de duif was terug.
IV
Ze heeft zo naar hem uitgekeken. Ze heeft zijn komst ook wel gevreesd. Nu hij er is, doet het haar niets. Schijnbaar. Eigenlijk doet het haar alles. Maar als je alles samen voelt, lijk je niets te voelen. Vergelijk het met wit: volgens velen géén kleur, maar eigenlijk de optelsom van alle kleuren in het spectrum.
III
Nadat de liefde van mijn leven al na één nacht was gaan vliegen, duurde het twintig jaar voor de duif weer op het toneel verscheen.
Ik was intussen getrouwd. Onze zoon van zes vertrok die dag voor het eerst op kamp. Ik bracht hem naar de bus, want mijn man moest werken. Eenmaal thuis begon ik onbedaarlijk te huilen.
Om mijn gedachten te verzetten, ging ik onkruid wieden in de tuin. Maar hoeveel zevenblad en netels ik ook trok, de tranen stopten niet.
Toen landde de duif op mijn schouder. Gek genoeg schrok ik niet. Hij pikte aandachtig naar het haar in mijn nek en duwde zachtjes zijn kopje tegen mijn gezicht aan. Met die aanraking bezegelde hij het lot: mijn huwelijk was voorbij.
Ineens vloog hij op en fladderde voor me uit. Wenkte hij me? Ik besloot hem te volgen.
Na een dik uur belandden we in een buurt waar ik nooit eerder was geweest. Op de schoorsteen van een villa uit de jaren 60 bleef hij zitten – roerloos als een kerkhaan op een windstille dag.
‘Hebt ge een afspraak, misschien?’
Vanop een bank in zijn voortuin hield een bejaarde man de straat in het oog.
‘Afspraak?’
‘Om het huis te bekijken.’
Toen pas zag ik de oranje affiche die scheef tegen het raam geplakt hing: huis te huur.
‘Nee, ik heb nog geen afspraak, maar ik ben wel geïnteresseerd.’
‘Een schoon huis, hoor, maar te groot voor Irma en Louis. Ze zijn naar een serviceflat verhuisd.’
Snel haalde ik mijn pen uit mijn handtas en krabbelde ik de contactgegevens op een blaadje.
‘Bedankt voor de hulp, meneer.’
‘Da’s graag gedaan, meiske of moet ik buurvrouw zeggen?’
Ik wist wat me te doen stond. De volgende dag keerde ik weer. Het huis had drie slaapkamers – groot genoeg dus voor als mijn zoon er was. Zonder aarzelen ondertekende ik het contract. Mijn man stond voor een voldongen feit.
Tijdens de verhuizing zat de duif er weer, onbeweeglijk – op de schoorsteen. Ik was net met een vriendin de wasmachine aan het uitladen, toen een politiewagen de oprit opreed. De twee agenten kwamen niet om mijn adreswijziging te controleren; mijn moeder was in de supermarkt ineengezakt en op weg naar het ziekenhuis overleden. Het laatste wat ik hoorde voor ik zelf flauwviel, was het klapwieken van de duif.
IV
Ze vraagt zich af of ze hier wel klaar voor is. Drie jaar is snel – in duiventermen. De vorige keren deed hij er langer over.
Ze meldt zich ziek op het werk en besluit halsoverkop naar zee te rijden. Daar zijn alleen meeuwen.
Eerst maakt ze een lange strandwandeling. Ook al kwam ze naar zee om de duif te ontwijken, toch zoekt ze hem voortdurend. Waarom kan ze hem niet loslaten?
Na een lichte maaltijd in een taverne, gaat ze op een bankje op de dijk zitten. Daar blijft ze de rest van de dag en wacht. Op niemand – zo blijkt.
Als de avond valt, stapt ze terug naar haar auto. Het uitstapje heeft deugd gedaan. Opgewekt rijdt ze richting binnenland. Ze zet de radio luid en zingt mee. De vrachtwagen voor haar gaat te traag.
Tijdens het inhalen ziet ze plots een bleke vlek die haar tegemoet vliegt. Ze draait bruusk aan haar stuur. Iemand toetert. Dan vliegt ze door de geluidsmuur. Metaal klapt ineen, het leven ontplooit zich. Ze slaat haar vleugels uit. Eindelijk.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch