Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De engel en de duivel

Door Andra Bakker-Slump

1990, 8 jaar
Er gaan nog wat rozenbottelblaadjes bij. Ik roer door het flesje met een ijslolly stokje, doe de dop erop en zet het bij de rest van mijn verzameling. Zo. Nu moet de toverdrank eerst 7 dagen blijven staan en dan kan ik het briefje erin doen. Dan moet de wens wel uitkomen. Ik ga ieder flesje bij langs met mijn vinger en herhaal de bijbehorende wens. Ik kruip uit mijn heksenhol door de bureaustoel opzij te schuiven. Mijn ogen moeten wennen aan het licht. Ik wrijf. Het briefje valt open op de grond: ‘Ik wens dat mamma stopt met drinken.’

Mamma was een alcoholist. Een doorgewinterde. Stiekem haalde ze bij de apotheek slaapdrankjes met een hoog percentage alcohol en dronk ze achter elkaar op. Ze gooide ze niet in de prullenbak, ik vond de flesjes als ik speelde in de bosjes. Om die rotflesjes te vermijden, speelde ik daar niet meer. Eén keer heb ik haar het flesje achterover zien tikken. Ik betrapte haar. Ze borg het flesje snel weer op en keek weg. Ze heeft regelmatig dronken op het schoolplein gestaan. Nog net kon ze dan de fiets vastgrijpen, voordat die omviel. Met mijn zusje achterop. Als ze onder invloed was, zag ik dat direct aan haar blik. In zichzelf gekeerd, geen contact makend met de buitenwereld. Ook niet met haar binnenwereld, ze zweefde ergens tussenin, want zo voelde ze niets. Die blik was pijnlijk, omdat ze dan onbereikbaar was. Ik werd niet gezien en geknuffeld op die momenten, terwijl ik altijd zo mijn best deed. Dat heeft iets bij mij stuk gemaakt, toen. En eigenlijk is het nog steeds stuk.

Ik besef dat alcoholisme een ziekte is. Geboren met een verkeerd gen. Ik besef ook dat mijn moeder redenen had om naar de fles te grijpen. Ze was een zeer lieve, zorgzame, ingetogen vrouw. Nuchter knuffelde ze ons vaak en gaf ze zoveel liefde. Deze enorme tegenstelling vond ik moeilijk. Later noemde ik dat: ‘De engel en de duivel.’ Mijn antennes stonden altijd uit naar haar. Ze kon niet omgaan met haar demonen. Haar introverte karakter werkte ook niet mee, misschien ben ik daarom wel extra extravert. Ik had het zo graag anders voor haar gewenst. Stiekem ben ik ook boos op haar, al wil ik dat niet. Natuurlijk houd ik ook van haar, nog steeds. Misschien meer dan ik wil voelen.

De situatie thuis werd onhoudbaar, ik was 12, mijn zusje 7. Regelmatig zag ik haar de deur uitlopen met een tas. Ik wist dat ze weer verdween voor een paar dagen. Waarheen? Niemand die het wist en misschien zij zelf ook wel niet op het moment van vertrek. De drank was een vlucht, evenals letterlijk de benen nemen. Volgens mijn oma liep ze als kind ook geregeld weg. Ik begreep het niet. ‘Ik ook niet’, zei mijn vader dan. In zijn blik heb ik vaak de machteloosheid gezien. Ik voelde hetzelfde. Hoe konden we haar helpen? Later zei hij: ‘Mamma klimt steeds op een helling vol met groene zeep. Telkens als ze halverwege is, glijdt ze weer naar beneden.’ Degene die zich het meest machteloos voelde, was zij zelf. Mijn vader praatte eindeloos op haar in. Hij kon haar overhalen zich te laten helpen. Zeker geen afkickkliniek, want daar liep ze na twee dagen weer uit, ontelbare keren. Mijn vader noemde het een ‘rusthuis’. We brachten haar ernaar toe. Ik voelde mij hoopvol. Mamma moest beter worden, dan waren we eindelijk een normaal gezin. Naast de parkeerplaats lag een greppel, gevuld met lege flessen. Hier moest mijn moeder beter worden? We lieten haar achter in een kleine kamer, ze huilde toen we weggingen. Ik niet.

Het was een opluchting dat ze uit huis was. Er was rust. Ik weet nog dat ik ook niet zo nodig contact hoefde, eindelijk kon ik gaan slapen zonder die ellendige brok in mijn keel. Pappa hoefde haar niet meer vloekend de trap op te slepen. Mijn dekbed hoefde ik niet meer over mijn oren te doen. Het voelde vreemd dat niet te doen, omdat ik het gewend was. Ik voelde mij schuldig, dat ik haar niet meer miste. Na een poosje gingen ik en mijn zusje een middag langs. In de greppel keek ik maar niet. Ze was duidelijk afgevallen toen ik haar knuffelde. We gingen wandelen, een man, ook daar in behandeling wegens een gokverslaving, vergezelde ons. Ook liep er een klein meisje mee, van een jaar of 3. Het meisje noemde mijn moeder ‘mamma’. Mijn moeder verbeterde haar: ‘Ik ben je mamma niet’. Ik vond het maar gek. Ze zei daarover: ‘Het meisje heeft zelf geen moeder meer. Haar vader zit hier ook.’ Toen vond ik het niet zo erg meer, dat ze zich steeds vergiste. We bezochten haar regelmatig, mijn vader bracht en haalde ons weer op. Mijn moeder benaderde hem afstandelijk. Het was een ingetogen man, maar ik zag aan hem dat dit hem pijn deed. Wel zag ik dat het beter ging met haar. Ik genoot van de engel, als een spons zoog ik alle liefde op in deze middagen. Het afscheid was telkens moeilijk.

Ze wilde scheiden. Mijn vader niet. Ik was hier al steeds bang voor geweest. Niet veel later ging ze een huisje huren in een Gronings gehucht. Haar overhalen om haar behandeling af te ronden, lukte niet. En daar was weer de machteloosheid. We deden leuke dingen het eerste weekend. We gingen zwemmen, winkelen. Er volgden meer weekenden. Toen kwam het moment dat ik haar ‘verkeerde’ gezicht zag. Ongerust nam ik afscheid. Die avond viel ik met een brok in mijn keel in slaap, ook al was ze niet thuis.

Enkele dagen later hoorde ik vanuit mijn slaapkamer de deurbel. Ik zag een politieauto op de oprit. Met bonkend hart wachtte ik af, ik kreeg mezelf niet rustig. Na een kwartier gingen de agenten weg. Ik werd direct geroepen. Pappa draaide er niet omheen. ‘Er is iets ergs gebeurd met mamma. Ze is overleden.’ De grond trok onder mijn voeten weg. Buiten zag ik mensen fietsen, voorbij wandelen. De wereld draaide buiten gewoon door, bij mij van binnen niet. Het bleek dat de buren de politie gealarmeerd hadden, want de gordijnen van haar huis waren al twee dagen dicht. De politie vond haar dood in bed. ‘Een hartstilstand’, zei pappa. We gingen naar haar huis om spullen op te halen. Op het aanrecht stond een lege wijnfles. De tafel lag bezaaid met allerlei soorten pillen. Tranen schoten in mijn ogen. Waarom was ze niet gewoon langer in het rusthuis gebleven?

De dag kwam dat we haar mochten zien. Met meerdere familieleden waren we bij het uitvaartcentrum. Ik verstijfde toen ik de kist zag. Natuurlijk wist ik dat ik een kist zou zien. We hadden hem notabene zelf uitgezocht, maar nu lag ze er ook echt in. De tranen bleven komen. Ik werd getroost, ik weet niet meer door wie. Mijn vader ging eerst bij de kist kijken. Hij kwam terug en meldde dat ze een bloedneus had en blauw in haar gezicht was. ‘Soms gebeurt dat, ook als je al dood bent.’ reageerde hij op mijn verschrikte gezicht. ‘Je mag het zelf weten, maar ik denk dat het beter is, niet te kijken. Je kan haar beter herinneren zoals ze was.’ Mijn tante huilde geschrokken en zei: ‘Nooit meer wil ik een dode zien.’ Ik koos ervoor niet te kijken. Nooit spijt van gehad, de kist zien was voldoende. Heel veel jaren later, toen mijn vader overleed, heb ik ook niet in zijn kist gekeken. Ik wilde hem herinneren zoals hij was. Liefst van ver voor de kanker.

1994, 12 jaar
De kist zakt de grond in. Oma houdt ons vast. We lopen in de stoet naar het restaurant. Oma houdt ons nog steeds vast. Met diepe uithalen huil ik. Ik kan er niet mee stoppen. Dat wil ik wel, maar het gaat niet meer. In het restaurant zeg ik tegen pappa dat het ademhalen niet goed lukt. ‘Ik denk dat je hyperventileert. Kom, even naar buiten’ Het wordt zwart voor mijn ogen, even denk ik dat ik flauwval, maar gelukkig trek ik bij. Buiten gaat het beter. Ik ben opgelucht, dat het voorbij is. Met mijn zusje, nichten en neven gaan we een stukje wandelen. We maken plezier, bekenden zien het en kijken mij vreemd aan. Nog net niet steek ik mijn tong uit. Laat mij lekker lol hebben op mijn moeders begrafenis.

Als klein meisje, van een jaar of zes, was ik mij op een bepaald moment ervan bewust, dat ik nog zoveel niet begreep. Simpelweg omdat ik te klein was. Gefrustreerd wenste ik: ‘Maak mij snel groot, dan weet ik zoveel meer.’ Ach, als ik toen had geweten wat ik nu wist… Het was maar goed, dat ik nog niet alles begreep. Ik zou haar willen knuffelen en zeggen: ‘Er zullen momenten komen, dat je veel te snel groot moet worden. Geniet van het nu.’ En stiekem zou ik dat meisje wel weer willen zijn, al was het maar voor even…

41 jaar is ze geworden. Over 5 jaar bereik ik de beladen 41.

4 reacties

Andra Bakker-Slump

Auteur donderdag, 10:59

Wauw! Dank Willem.

Willem Olierook

donderdag, 09:52

Wat schitterend aangrijpend geschreven Andra! Een dikke duim erbij van mij.

Andra Bakker-Slump

Auteur dinsdag, 22:03

Wat een lief compliment Mechtilde. Het zou wel echt te gek zijn! Helemaal als we er samen zouden zijn 😉

Mechtilde Meijer

dinsdag, 20:26

Prachtig Andra, als dit geen ticket naar het debutantenbal is …

0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam