Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De forens

Door Lucien Roosen

Ik ben een forens. Een pendelaar op een motor. Elke werkdag geniet ik van het va-et-vient en het feeërieke traject: de Groene Gordel. Volgens de toeristische dienst van Vlaanderen was dit een aaneensluitende opvolging van beukenbossen rond Brussel, een bucolische Bruegel die, volgens ‘t verduldig velum van Visit Flanders sinds het ijzertijdperk het toneel vormde voor indrukwekkende jachttaferelen, slechts af en toe onderbroken door een piekfijn gerestaureerd kasteel of een tot bezoekerscentrum omgevormde abdij. In werkelijkheid was het bos al lang verknipt tot een lappendeken van petieterige perkjes geprangd tussen autosnelwegen, provinciale banen, dreven, straten, wegeltjes en zelfs een drukke spoorlijn met tgv’s over gierende dwarsliggers. Desalniettemin behield het Zoniënwoud zijn aura van heiligdom. Haar kathedralen van het woud, de beuken, vormden nog slechts de randdecoratie van een versnipperde villawijk geheten “Bos”, maar in het bos, daar wil je wonen. Dus als je rijk bent, woon je in het bos en pendel je naar Brussel, als je minder rijk bent, woon je aan de rand van het bos en pendel je naar Brussel, als je arm bent, woon je in Brussel. Allemaal loonslaven, gekazerneerd in micro-familiale woonblokjes op min of meer realistische afstand van de werkplek. En dan dat pendelen, dat nep-erotisch op- en neergaan, als een immer poluerend getijde, steeds weer in en uit de Eigen Haard, glijdend langsheen tuintjes. Eigenlijk twee tuintjes. De voortuin en de achtertuin. De tuin van voren : een gewillige grasmat, steevast geschoren als het ecologische equivalent van een pornokut, maar in tegenstelling tot de occasionele drakentatoo tussen de benen van Califorinische actrices, werd deze gedecoreerd met stenen kabouters en lichtgevende rendieren. De achtertuin grossierde in wereldser weligheid en werd, naar gelang de leeftijd van de bewoners, volgepropt met schommels, zwembaden, moestuinserres, hondenhokken, kippenrennen, duiventillen, en onveranderlijk “een kot voor het gerief ”. Elke pornografische vergelijking met deze barokke achtertuinornamenten gaf bij mij aanleiding tot sordide gebadineer in de splendid isolation van mijn integrale motorhelm. De automobilisten wentelden weg en weer tussen hun sleutel-op-de-deur en hun badge-rond-je-nek in een parcours dat op rustige dagen liet aanschuiven op de grote invalswegen en op slechte, dat is op regenachtige, koude, mistige of gewoon drukke dagen, liet vallen voor de verleidingen van de computergestuurde ommetjes langs sluipwegen en achterafstraatjes die de belofte voorhielden langsheen files te glippen, glibberend door omleidingen, schuivend langs de guitige gnomen en de knipperende kariboes. Ik tufte lustig op de sloffen binnendoor, ik , motard in hart en nieren, kende elke rozelaar in elke voortuin, elk hok, elk achterpoortje. Ik nam nooit de Ring, die gruwel van een peripherisch zwevende Autobahn zes vakken breed boven de randbewoning van de hoofdstad. Nee, ik ken de binnenwegen uit het hoofd en daarenboven kon ik als motorrijder zelfs op het dag en nacht volledig geblokkeerde Vier-Armen-Kruispunt vlotjes laveren tussen de stilstaande wagens tot bij mijn favoriete sluiproute – een smalle, nauwelijks verharde private weg tussen de Koninklijke Golf Club en het verstedelijkte bosdorp vanwaar ik in een wip bij de afslag was voor Operam Licentia. ‘In een wip in ‘t OL.’ grinnikte ik in de dampvrij neergeklapte systeemhelm. “ het OL” was onder medewerkers de favoriete afkorting van Operam Licentia. Vanwege de nogal anale connotaties, een afkorting die niet kon worden gebruikt in het bijzijn van externen of zelfs leden van de raad van bestuur. Wat ten andere bijdroeg tot de populariteit van de abbreviatuur. Collega’s namen aan het einde van een werkdag graag afscheid met het klassiek geworden “En? Morgen opnieuw in ‘t OL?”, in de winter zei men graag “Koud in ‘t OL, ge blijft aan uw stoel plakken!” en in de zomer “ Het zweet loopt u van de billen in ‘t OL.”

Na het schokkerige pad op het grondgebied van de Koninklijke Golf Club gleed de BMW rustig tussen de met prikkeldraad omzoomde wegeltjes en rijpbestoven weilanden. Het kronkelen en draaien van de kleine straatjes, het ritmische getik van de zwarte pekribbels tussen de betonnen vloerplaten bracht rust, veel meer dan het gesprek met Guy. Het leek wel alsof de motor helemaal alleen de weg naar Operam Licentia vond, als een paardje dat het beter wist dan zijn ruiter, remmend aan de kruisingen en sporadisch versnellend waar het glooiende pad plaats maakte voor een paar hectometer weldoende eenzaamheid. Het ochtendgloren vol slapende koeien in glanzende graasweiden deed me, ondanks het golvender karakter van het Brabantse landschap, denken aan het West-Vlaanderen van mijn jeugd, waar beiderzijds het fietspad, de einder netjes verdeeld werd in door pinnekensdraad ommuurde carrés, uitnodigdend tot onbegrensde mijmeringen en uitdrukking gevend aan de strikt in stringente stramienen gevatte gevoelswerelden. Vlaanderen aan Zee. De geur van het zilt dat zich gaandeweg vermengde met die van vers gebeerde polders. De weg naar Operam Licentia had net de ideale afstand, ver genoeg om even alles los te laten maar niet ver genoeg om zich te gaan vervelen. Het laatste stukje naar het werk, wegdraaiend van de met peknaden aan elkaar gelijmde betonplaten, leidde, op aanwijzing van een nauwelijks zichtbaar houten pijltje – O..ra. Li…tia in verschillende stadia van afbladering – naar een amper manbreed en onverhard bospaadje. Daar ging ik normaal gezien maar vandaag even niet, Paris-Dakar-gewijs, recht staan op de voetsteunen en was voor even een echte motorheld – misschien wel Gaston Rahier, de sympathieke moustache uit de jaren tachtig die als een Panini-sticker uit vaders schoolschrift mijn leven was ingegleden en waardoor ik als knaap spontaan wegdroomde naar luidere, snellere en avontuurlijkere levens. Pret in de pothelm als ik op een mistige drukke ochtend een sliert nerveuze woon-werk-wagens tot wanhopig getoeter kon drijven door zonder enige aanwijzing, halverwege een bocht, naast het pijltje O..ra. Li…tia, het bos in te duiken, verdwijnend uit de file als een dief in de nacht, als een Rahier in Senegal, de gashendel open zodat flodders modder met geweld aan de achtersteven ontspoten, klodders klei sproeiend over panische pendelaars.Operam Licentia lag diep in het bos. In Vlaanderen is “diep in het bos” een relatief begrip. Dit in tegenstelling tot uitgestrekter landen waar “diep in het bos” nog zijn sprookjesgehalte heeft behouden en gelijk staat aan een bijna zekere dood voor de verdwaalde wandelaar. In de verstedelijkte Vlaamse context kwam de uitdrukking neer op een paar honderd meter verwijdering van de dichtst bijzijnde autoweg. Het wandelpad, dat ik zo vlot en mannetjesputterig met mijn brommer kon nemen, verruimde al na een paar tientallen meters tot een twee meter breed grindpad dat zomer en winter een uitgekiende verzameling al dan niet met regenwater gevulde putten voorschotelde aan de gemotoriseerde avonturier. Als ik echt op tijd was, wat zelden of nooit gebeurde, was het wel oppassen geblazen want de “cliënten” en medewerkers van Operam Licentia die respectievelijk met een busje of hun eigen wagen naar het werk kwamen, zagen zich verplicht het laatste kilometertje te lopen dus die kon ik zomaar overhoop rijden met mijn machtige machine. Na het modderbad voor verbaasde automobilisten liet ik de gashendel dus zo goed als volledig los om met opengeklapte helm het laatste eindje te laveren tussen pineut, plas en put. Na een paar honderd meter hoogstambomen en struikgewas zag je de groententeelt van tewerkstellingsproject Operam Licentia.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch