Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Meer weten?

Sluiten

De Gekkenfabriek

Door Anne de Vries

Het is al donker wanneer Matthijs de fietsenstalling in loopt. Dat mens van Frans had hem laten nablijven, omdat hij zijn huiswerk niet had gemaakt. Wat kon hem het nou schelen hoe je de passé composé gebruikt. Hij wil later toch de muziek in, net als zijn vader. Hij doet snel zijn koptelefoon op en gooit zijn rode haar naar achter. Uit de koptelefoon klinkt zijn lievelingsmuziek met één van de mooiste gitaarsolo’s. Met zijn muziek is hij altijd even van de wereld, alsof school en de passé composé helemaal niet bestaan. Zijn moeder wil er niets van weten. Alles wat met zijn vader te maken heeft is thuis verboden terrein. Matthijs weet dan ook niet veel van zijn vader. Zijn ouders hebben kort een relatie gehad en volgens zijn moeder was zijn vader er op een dag opeens vandoor. Altijd wanneer Matthijs aan haar vraagt of ze ooit nog wat van hem heeft gehoord, wordt ze boos; ‘geen woord erover en nu naar je kamer!’

Matthijs geeft een zet tegen de deur van de fietsenstalling zodat deze net lang genoeg open blijft om er doorheen te fietsen. Het is al koud buiten, zijn vingers beginnen zeer te doen en hij trapt zo hard hij kon. De winter is vroeg dit jaar, het is pas oktober. Langs de route van school naar huis ligt een psychiatrische kliniek. Het staat bij de scholieren bekend als de Gekkenfabriek, maar Matthijs is er nog nooit binnen geweest. Hij en zijn vrienden hebben wel eens steentjes tegen de ruiten van kamers gegooid om de patiënten te pesten, maar ze rennen altijd snel weg als de eerste patiënt hen in de gaten krijgt. De kliniek is oud. Het gebouw ziet er vervallen uit en doet denken aan de ouderwetse klinieken waar patiënten onverdoofd elektrische schokken kregen toegediend. Matthijs is er al bijna voorbij wanneer er opeens een man de weg op loopt en Matthijs kan niet anders dan op het laatste moment met piepende remmen stoppen om te voorkomen dat hij de man aanrijdt. De man pakt zijn stuur beet. Hij is ongeschoren, heeft een rood baardje en zijn kleding is gerafeld. ‘Help me’, smeekt de man. ‘Ze denken dat ik gek ben, maar dat is niet waar. Ik bén niet gek, echt niet!’ Zo snel hij kan bevrijdt Matthijs zijn fiets uit de greep van de man en gaat er snel vandoor. Zijn hart klopt in zijn keel. Wat moest die man van hem, hij kent de man helemaal niet en waarom stond hij in het donker te bevriezen langs de kant van de weg? Hijgend komt Matthijs thuis aan. Zijn moeder staat al aan de afwas en moppert dat hij steeds te laat thuis is. Matthijs hoort het niet echt. Hij loopt naar zijn kamer en doet de deur achter zich dicht. In gedachten ziet hij de man weer voor zich en hoort hij het smekende geluid van zijn stem. Het blijft aan hem knagen. Waarom stond die man daar buiten de kliniek en wat wilde hij van hem. Hij besluit het voor nu los te laten, want er staat nog genoeg huiswerk op de planning.

De volgende dag fietst Matthijs weer naar school, langs de kliniek, maar er is geen verstrooide man te zien en gerustgesteld fietst hij door naar school. Op de terugweg fietst hij weer in het donker en ook al is hij vandaag op een vroeger tijdstip bij de kliniek dan gisteren, toch staat de man weer langs de weg en roept smekend naar Matthijs dat hij écht niet gek is en ‘ze heeft me hier ingestopt!’ Ditmaal is Matthijs er op voorbereid en trapt hij nog harder dan gisteren en sjeest de man op zijn fiets voorbij.
Thuis laat het Matthijs niet los. Waarom luistert niemand naar die man? Staat hij daar de hele dag? Is er niemand die hem zegt lekker naar binnen te gaan zodat hij niet bevriest? Hij besluit de volgende dag te stoppen voor de man, als hij er weer staat tenminste. Het beangstigt hem wel, hij gaat iemand aanspreken die ontkent dat hij gek is, maar hij roept dit wel bij een kliniek over straat. Als de man wel gek is, dan moet hij gewoon naar binnen worden gebracht en als de man echt niet gek is, wat doet hij daar dan? Wat hij doet is toch behoorlijk gek.

Wanneer Matthijs de volgende middag zijn route van school naar huis weer fietst, staat de man er weer en roept zijn gebruikelijke leuzen. Matthijs besluit af te stappen en zet zijn fiets tegen een bankje. De man komt direct op hem af en vraagt of Matthijs hem gelooft. Omdat hij niet weet hoe de man zal reageren als hij ‘nee’ zou zeggen beantwoordt hij de vraag met een ja. De man vertelt over zijn leven. Hij woont in de kliniek en is daar volgens hem terecht gekomen door een groot misverstand. Matthijs vraagt er niet verder op door. Al zou hij het lef hebben, wat schiet hij ermee op. Ze besluiten een rondje te gaan wandelen. Matthijs vertelt wat dingen over school en dat hij later de muziek in wil. De man staat heel even stil, kriebelt in zijn baardje en wandelt dan weer verder.
De dagen erna spreken Matthijs en de man steeds na school af om een wandelingetje te maken en wat te kletsen. Op de een of andere manier kan Matthijs de man niet helemaal loslaten en voelt hij zich verbonden met de man. De man vertelt over de tijd in de kliniek, dat hij niet wordt geloofd als hij vertelt over zijn verleden als gitarist. De kliniek heeft het afgedaan met het etiketje van een psychotische stoornis.

Zo gaan de dagen voorbij en de afspraakjes om te wandelen lopen steeds wat gemakkelijker. Matthijs durft meer over zichzelf te vertellen en uiteindelijk stelt hij de man de vraag hoe hij heet. ‘Hidde’, zegt de man. Opeens staat Matthijs stokstijf stil, iets in hem knapt. Hij neemt snel afscheid van de man en belooft de volgende dag weer terug te komen.
Op de fiets naar huis tolt zijn hoofd van de vragen. Het enige wat zijn moeder ooit over zijn vader heeft verteld is dat hij Hidde heet en meer van de muziek hield dan van haar. Hoeveel mensen heten Hidde? Hoeveel mensen die Hidde heten hebben rood haar? Dit kan toch bijna niet anders dan zijn vader zijn? Als Matthijs thuis aankomt loopt hij op zijn moeder af en vraagt haar of ze weet waar zijn vader is. Zijn moeder begint aan haar gebruikelijke speech, maar hij onderbreekt haar. ‘Hou op mam, als je iets over hem weet, dan wil ik het weten, daar heb ik toch recht op!’ Zijn moeder gaat zitten aan de keukentafel, een paar minuten zegt ze niets. ‘Ik dacht dat het het beste zou zijn voor jou als je niet wist waar hij was. Hij is ziek en kan je geen thuis bieden. Toen jij nog heel klein was, heeft hij een poging gedaan zichzelf van kant te maken door het huis in de brand te steken en ik was bang dat zijn invloed onveilig zou zijn voor jou.’

Matthijs gooit de deur met een zwaai open en rent de keuken uit, pakt zijn fietst en racet naar de Gekkenfabriek. De weg lijkt veel langer dan normaal en hij trekt zich niets aan van de rode stoplichten. Toeterend ontwijkt een vrachtwagen hem nog net en de chauffeur roept hem scheldend na. Eindelijk komt hij aan bij de Gekkenfabriek. Buiten is Hidde nergens te zien. Matthijs besluit aan te bellen. Een verpleegkundige doet open. ‘Waarmee kan ik u helpen?’ ‘Ik zou graag mijn vader spreken, hij heet Hidde’. Wat geschrokken kijkt ze hem aan. ‘Het spijt me, maar Hidde heeft vanavond een einde aan zijn leven gemaakt. Hij heeft wel een briefje voor u achter gelaten.’

‘ Lieve zoon, lieve Matthijs,
Bedankt voor onze wandelingen. Ik hoop dat je altijd zo open zal zijn naar mensen die jouw hulp vragen, dan ben je een engel bij leven.
Liefs,

Je vader, Hidde ‘

2 reacties

Jasper

zaterdag, 07:49

WOW!
Heftig, maar goed verhaal!!!

Jos

vrijdag, 12:14

goed geschreven Anne, en best aangrijpend. Ik wacht op de volgende 🙂

0 Fictie

Absoluut

Tammo Ponte

0 Non-fictie

Miami

Stephan van Erp

2 Non-fictie

Migraine

Alexander Roessen