Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De geur van ozon

Door Marloes Rusthoven

Het water kletterde met bakken uit de hemel, op het dak van de auto. Met een spectaculaire drumsolo liet moeder natuur van haar horen. Ze klonk mooi, vitaal en krachtig. Alsof de stem van Aretha Franklin zich in het wulpse lichaam van Taylor Swift genesteld had, en deze bundel van krachten een concert van spektaculair natuurgeweld liet klinken. Het was kort maar o zo krachtig. Pas nu dit tromgeroffel geklonken had, was de zomer ingeleid. De regen had het asfalt veranderd in een glimmende spiegel. Nu was het aan ons om een sierlijk waterballet ten tonele te brengen. Ik drukte het gaspedaal goed naar beneden en had er zin in. Al gauw merkte ik dat ik de enige was. De voortstuwende rups van auto’s, waar ik deel van was, bewoog steeds trager, tot het moment dat we stilstonden. File. Nu de regen gestopt was, begon het te broeien. Alles in de auto werd klam. Ook dit was zomer. Het tergende filerijden en de hitte werkten op mijn zenuwen. Een mens moet bewegen of stilstaan. Alles daartussen is een kwelling.
Tegel- en voegbedrijf Hoving las de tekst op de achterkant van de bedrijfswagen voor me. Ik moest denken aan mijn basisschooltijd; toen er nog een lege toekomst wachtte en toen alles nog kon, en ik geen schuld had aan het kwade en het slechte. Starend uit het raam van mijn klas, passeerden de mooiste jongensdromen de revue. Het liefst werd ik astronaut en tevens brandweerman. Een uiterst praktische combinatie; een ruimteschip vat immers gemakkelijk vlam. Meester Henk vertelde ons dat we alles konden worden, zolang we maar binnen de lijntjes van onze werkboekjes zouden schrijven. Ik had als kind nooit bedacht dat er in die kinderlijke symfonie van toekomstmuziek, ook plaats moest zijn voor de valse viool van het jongetje dat slechts droomde van een eigen tegel- en voegbedrijf. Zou er op dit moment, in de huidige groep drie van mijn oude basisschool, ook een jongetje zijn dat in extase geraakt van siliconenkit en het nieuwste marmer?
‘Kut!’ Ik trapte vol op de rem maar het mocht niet baten. De bumper van mijn Suzuki vouwde zich hartstochtelijk om de trekhaak van de met tegels gevulde bedrijfswagen. Eenmaal tot stilstand gekomen, viel de motor van mijn auto uit. ‘Kut, kut, kut!’ Ik schoof mijn zonnebril terug op mijn neus en haalde diep adem. Mijn spieren waren verkrampt en ik voelde dat ik keihard in het stuur kneep. Meer nog dan het invullen van het schadeformulier, zag ik op tegen de spierpijn die ik de komende dagen zou hebben. Ik drukte de koppeling in en voelde hoe de bestelbus mij, met bumper-aan-trekhaak, de vluchtstrook op sleepte. Op hetzelfde moment als de tegelzetter, stapte ik uit.
‘Dat ging niet helemaal lekker hè,’ klonk het lachend.
‘Sorry, ik was er even niet bij met mijn hoofd.’
We liepen naar de plek des onheils en schudden elkaar de hand. Wonderbaarlijk genoeg was alleen mijn bumper compleet naar de spreekwoordelijke gallemiezen.
‘Zullen we dat papierwerk laten zitten?’ vroeg ik.
De tegelzetter begon wederom hard te lachen. Zijn gebulder klonk als dat van een stel neukende brulapen. Het irriteerde me.
‘Dat moet je zelf weten, vriend,’ zei hij. ‘Het is jouw bumper.’
Ik ben je vriend niet, dacht ik. Flikker op.
‘Fijn, dan houden we het hierbij.’
Opnieuw schudden we elkaar de hand en verdwenen, één voor één, in de anonimiteit van de file.

De zon stond inmiddels laag en het einde van de dag naderde. Ik reed de parkeerplaats van het verzorgingstehuis op en zocht een lege plek. Een bonte verzameling van Renault Clio’s en soortgelijke bejaardenauto’s vulde het terrein. Waar mijn beschadigde bumper op de weg nog flink bekijks had, ging deze hier gemakkelijk op in het collectief van gedeukt blikwerk. Waarom hebben die oudjes nog auto’s? dacht ik. Levensgevaarlijk.
Dat ik net zelf een ongeluk had veroorzaakt, liet ik gemakshalve maar even buiten beschouwing. Voor de ingang van het tehuis zat een Indonesisch vrouwtje op haar rollator. Ik groette haar maar kreeg geen reactie. Stoïcijns tuurde ze naar het bruine water van de vijver voor het tehuis. Misschien kon ze dwars door het water heen kijken, zoals reigers dat kunnen, en zag ze de vissen zwemmen. Vissen die op een dag gewoon dood gaan. Vissen kennen geen aftakeling. Ze kennen geen herinneringen of het verlies hiervan. Ik liet haar en ging naar binnen.
De gangen van het tehuis roken naar gekookte aardappel en een schoonmaakmiddel met veel chloor. De aardappellucht was sec typerend voor bejaardenhuizen – het schoonmaakmiddel kende ik ook van de dierenarts en het ziekenhuis. Overal waar het leven voor de dood verruild wordt, ruikt het naar chloor. In de kamer van mijn oma was het donker. Ze gaf niet meer om licht en had haar gordijnen dichtgetrokken. Eigenlijk gaf ze nergens meer om. Ik kuste haar kruin en legde mijn handen op haar schouders. Ze voelde koud en broos. ‘Dag oma.’ Ondanks een overvloed van familiebezoekjes en persoonlijke aandacht was ze eenzaam. Alzheimer en de dood van mijn opa hadden haar alleen achtergelaten. ‘Het was vandaag een mooie dag, oma.’ Sinds een maand of twee sprak ze niet meer. Mij maakte dat niets uit. Ik had mijn hele leven al een voorkeur voor het gezelschap zonder woorden. Toch was het juist haar plotselinge zwijgen, waardoor ik me besefte dat mijn oma haar oude lijf verlaten had, en dat het einde naderde. Dat besef was er niet toen ze mij niet meer van de verpleegkundige kon onderscheiden. Dat was onderdeel van haar ziekte. Maar nu ze niet meer sprak was de essentie van mijn oma verdwenen. Ze had altijd een mening en trok te pas en te onpas haar Grunniger muil open om deze kenbaar te maken. Nu niet meer. Nu was het stil en donker.

Ik duwde haar rolstoel naar buiten. De avondzon viel op haar gerimpelde gezicht en ze sloot haar ogen. Zelfs nu het warme licht haar omhelsde, verkoos ze het donker. Ik parkeerde haar stoel naast het Indonesische vrouwtje en liep naar de vijver. Op dat moment ging de fontein in de vijver uit en was het plotseling stil. Was dit de stilte waar mijn oma zo naar verlangde? Een stilte waarin zij stiekem haar jas kon aantrekken, om vervolgens voorgoed te verdwijnen. Ik stak een sigaret op. Toen ik me omdraaide zag ik twee, naar achter hangende hoofdjes die zich tot de blauwe lucht gericht hadden. Het oud geworden vel van de dames, dat gewoonlijk als leeggelopen ballonnetjes onder hun gezichten bungelde, werd door deze vreemde houding ineens weer strak gespannen. Heel even schemerde iets van hun jeugdigheid door. Het moesten prachtige vrouwen geweest zijn. Schoonheden, bemind door de mannen van hun tijd. Langzaam liep ik terug naar de dames en hurkte mij naast hen neer. Ik rookte mijn sigaret en keek omhoog. Geen wolken, geen vliegtuigen en zelfs geen vogels. Niets dan blauw. Mijn ogen zochten driftig naar enige vorm van houvast. Ik voelde hoe mijn evenwicht het langzaam verloor van de duizeling. Mijn voeten stonden stevig gepoot in het vochtige gras, maar mijn bewustzijn werd opgeslokt door de blauwe diepte van de kosmos. Een bevrijdend gevoel van nietigheid viel mij ten deel. Langzaam ontstegen mijn gedachten het vleselijke brein en werden verzwolgen door de grote leegte. De ratio had hier geen kans. Na, wat ik vermoedde een paar minuten, maar het konden ook uren, dagen of jaren geweest zijn, nam het duizelen af. Ik voelde weer iets van zwaartekracht en nat gras. Het was stil. Doodstil. Heel even keek ik opzij en zag ons zitten: drie stervelingen, oog-in-oog met de oneindigheid van het grote niets.
En daar, in dat grote niets, verblijven wij.

Rustie, april 2017, Groningen

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch