Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De Held

Door Tanja van der Lelie

Bernard droomde ervan een held te zijn. Een echte held. Zo een die onverschrokken in het ijskoude water springt om een drenkeling van een wisse dood te redden. Vooral op zaterdag. Elke zaterdag ging Bernard vissen.

Vandaag was het zaterdag. In het halfdonker gleed Bernard uit bed en kleedde zich aan. De driepoot, de tupperware met maden en de thermoskan koffie bond hij stevig achterop de fiets en terwijl de rest van de VINEX-wijk nog in slaap was, reed Bernard de polder in. Slierten mist dansten nog over het donkere water terwijl Bernard zich aan de waterkant installeerde en zijn hengel uitgooide.

Ook vandaag liet zijn fantasie hem niet in de steek. Een donker stuk stof, half verborgen in het riet, sleepte hem mee naar een onderwereld, een wereld waarin Bernard spionnen ontmaskerde, de ontvoerders van zijn vrouw te slim af was, een moord op het nippertje kon voorkomen.

Natuurlijk wílde hij dat niet alles. Niet écht. Maar aan het einde van de dag viste hij het vreemde voorwerp toch maar naar de kant en stopte het bij het visgerei.

‘Wat een troep. Alsjeblieft, weg ermee!’ snerpte zijn vrouw toen hij de druipende drek onder haar neus hield. Daarna begon zij aan een klaaglijke monoloog, terwijl ze nerveus door het huis beende.

Bernard had zijn vrouw op latere leeftijd ontmoet tijdens een uitje van kantoor. Ze hadden eerst moeten indoor klimmen, daarna was er een borrel in de kantine. Ze stond in de bediening: een kleine vrouw met een vlekkerige huid, vlassig haar en dunne lippen. Door het jarenlange rondgaan met schalen bitterballen, mini-kaassoufflés en pittige vlammetjes, die door haar beperkte lengte toch flink de lucht in moesten, had ze flinke bovenarmen. Toen zijn collega’s waren vertrokken, vond ze Bernard laveloos op de vloer bij de toiletten, trok hem over de plavuizen naar de garderobe, rolde hem achter de balie en bedekte hem met overgebleven jassen. Na sluitingstijd nam ze hem mee naar huis. Twee maanden later stond ze voor zijn deur. Ze was in verwachting, Miranda. In haar toekomstplannen bleek een grote rol weggelegd voor Bernard.

Een ‘gezin’ was niet iets waar Bernard veel over nadacht toen hij nog vrijgezel was. Nu hij er een had, nu hij al spijt betuigend achter zijn vrouw aan sukkelde, volstaat te zeggen dat hij zijn nieuwe leven ervoer zoals zijn felgekleurde dobber de rimpelingen aan het wateroppervlak onderging: Wind was er altijd, en hij deinde voortdurend mee op de golven, maar nooit ging hij kopje onder.

Die avond las Bernard in zijn fauteuil de krant, terwijl zijn vrouw naar het nieuws keek. Plotseling hoorde hij een kort, hoog gilletje. Toen hij van zijn krant opkeek, bemerkte hij een uitdrukking van schrik op het gezicht van zijn vrouw.
‘Oh god’, mompelde ze. Het is hier.’ Van de opwinding kon ze niet langer stilzitten, zenuwachtig bewoog ze haar dijen over de bank.
Op televisie was de ringvaart te zien waar Bernard viste. De verslaggever stond op de dijk en sprak in de camera: ‘De politie vermoedt dat er sprake is van een misdrijf, maar doet in belang van het onderzoek geen verdere mededelingen’.

Hemeltjelief, dacht Bernard. Het zou toch kunnen. Al een uur lag hij wakker. Een schoen? Nee, daar was het te licht voor. Een broekspijp? Het kon. Naast hem lag zijn vrouw te slapen. Voor de duvel ermee, fluisterde hij. Hij kroop uit bed, sloop de trap af, ontsloot de achterdeur en stapte in zijn pyjama de tuin in. In het zwakke maanlicht ontwaarde hij de steigerhouten loungeset die ze op Marktplaats hadden gekocht, de potten uitgebloeide chrysanten, de kliko. Bernard rilde in een onbekende, maar aangename spanning. Toen ging het buitenlicht aan.
‘Sjezus Bernard, wat doe je nou?’ Zijn vrouw knoopte haar kamerjas dicht. Hoorbaar blies ze lucht uit haar neus.
‘Je weet nooit Mirán, het kán toch?’
‘En dat moet nu?’
Bernard opende de vuilnisbak. ‘Ik móét het weten, ik kan er niet van slapen.’
‘Neem dan een pil, maar laat die bak met rust.’ Venijnig kwam ze op hem af. ‘Wat moeten de buren wel niet denken, als jij hier midden in de nacht in de vuilnis staat te roeren.’ Ze sloeg het deksel dicht. ‘Nu, naar bed.’

‘Wat een maffe ben je toch’, zei ze, terwijl ze haar hoofdkussen opsloeg met haar vuisten.
‘Stel je toch voor’, zei Bernard. ‘Dat het een spoor is.’
Miranda trok aan het koord en draaide zich op haar zij.

De volgende ochtend deed Bernard om half zeven de achterdeur achter zich dicht. Is dit wel verstandig? vroeg hij zich af, terwijl hij een blik op de afvalbak wierp. Als het iets is, als het écht iets is, dan moet er gelijk politie bij.

Op de fiets koerste hij naar de polder. Het hele gebied was afgezet met rood-wit lint. Op Bernard’s vaste visstek stond een vierkante tent van zwart zeildoek. Een politieagent vroeg wat hij kwam doen.
‘Ja, dat is heel goed dat u dat vraagt, want ik heb belangwekkend bewijs over deze zaak’, zei Bernard. Hij wilde zo serieus mogelijk overkomen. Hij kon wel eens een heel belangrijke getuige worden.
‘Dadelijk komt de recherche’, zei de agent. ‘Wat voor bewijs heeft u?’
‘Dat zou ik liever tegen de rechercheurs zeggen, als u geen bezwaar heeft.’
‘Prima’, zei de agent. ‘U kunt achter het lint wachten’.

Twee uur later begon het circus. Twee zwarte wagens, een witte bestelbus en drie politieauto’s reden de dijk op. Een rechercheur sprak Bernard aan.
‘U heeft bewijs, zegt u.’
‘Jazeker. Mijn naam is Van Schie. Bernard van Schie.’ Hij verwachtte dat de rechercheur een notitieblokje zou pakken om zijn naam te noteren, maar toen hij begreep dat dat niet zou gebeuren, praatte hij verder.
‘Ik vis hier, ziet u.’
‘U vist hier?’ De man keek Bernard verbaasd aan.
‘Op zaterdag. Dat bedoel ik. Elke zaterdag vis ik hier.’
‘En u heeft gisteren iets gezien?’
‘Nou, dat niet direct. Maar ik heb gisteren wel iets uit de vaart gevist.’
‘Zoals?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Dat weet u niet?’
‘Nee, ik moet het nog bekijken. Het is nogal, nou ja, vies.’
‘Ik snap het. Woont u ver?’
‘Nee, nee, in het geheel niet, op korte afstand.’
De rechercheur besloot dat Bernard zou fietsen, dan zou hij hem volgen met de wagen.

Thuis aangekomen, wees Bernard naar de vuilnisbak.
‘Laten we maar eens kijken.’ Eén voor één haalde de rechercheur de vuilnisbak leeg. Al snel lag ook het besmeurde stuk stof op de tuintafel.
‘Oké’, zei de rechercheur. ‘Het lijkt op een zeer oude handschoen. Ik zal hem aan de recherche laten zien. Bedankt voor de moeite.’
‘Geen moeite, absoluut geen moeite’, zei Bernard.

De agent wilde weglopen toen hij wees naar de schuur. ‘Is dat ook een afvalbak?’
”Dat is de groenbak’, antwoordde Bernard. ‘Die gebruiken we niet vaak.’
‘Mag ik?’ vroeg de agent. Hij liep naar de tweede bak, haalde het deksel eraf en begon erin te woelen.
‘En dit?’ Hij hield een donkerblauw jack met rode vlekken in zijn hand.
‘Dat is… ehm.. Ik weet niet… ehm…’, zei Bernard. Hij voelde het bloed uit zijn hoofd stromen en hapte naar adem. Terwijl de agent Bernard bleef aankeken, haalde hij een portofoon tevoorschijn en sprak: ‘Versterking, mogelijke verdachte, spoed.’

Een half uur later zat Bernard geboeid op de achterbank van een politieauto. Juist toen ze de straat wilden uitrijden, kwam zijn vrouw hen op de fiets tegemoet.
‘Wacht’, zei Bernard, ‘dat is mijn vrouw.’
‘Dat is uw vrouw, met dat kindje?’
‘Ja, dat zijn mijn vrouw en dochter.’ De auto remde en de politieagent liet Bernard’s raampje zakken.
‘Wat gebeurt er?’ vroeg Miranda, van haar fiets afstappend.
‘Het is allemaal een misverstand’, zei Bernard. ‘Ik snap er zelf ook niks van.’
‘We hebben bewijsmateriaal in de tuin aangetroffen’, zei de agent aan het stuur. ‘Het bewijs is zodanig dat uw man verdachte is.’
‘Verdachte waarvan?’
‘Van moord, mevrouw. ‘
‘Oh god, Bernard, wat heb je gedaan?’.
‘Ik heb niks gedaan’, zei Bernard. ‘Ik ging alleen vissen. Ik ga daar altijd vissen.’
‘Oh god,’ zei Miranda weer. ‘Kaatje, kom hier, geef je vader een kus.’ Miranda tilde het meisje op naar het raam. Bernard voelde zijn ogen vollopen toen hij de armpjes van zijn dochtertje om zijn nek voelde. ‘Het is niks, liefje’, fluisterde hij in haar oor. ‘Ik ging alleen maar vissen.’
‘Moet mama ook mee?’ vroeg het kind.
‘Nee liefje, mama blijft bij jou.’
‘Maar mama gaat ook vissen?’
‘Wat bedoel je, mama gaat ook vissen?’
‘Gisteren ging mama ook vissen.’ Het gezicht van zijn vrouw werd lijkbleek. Snel trok ze het kind weg van het raampje. ‘Die kinderen toch’, zei ze tegen de agent achter het stuur, terwijl ze het kind in het fietsstoeltje gespte, ‘zo’n verbeelding. Waar halen ze ‘t toch vandaan?’ De agent zette zijn voet op het gaspedaal en draaide de weg op richting het politiebureau. Het getinte autoraampje, met daarachter het verbijsterde gezicht van Bernard, zoefde omhoog.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam