Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De Ijsfabriek

Door Nora van Arkel

Elke stad belooft zijn eigen avontuur. Voor mij heeft dat avontuur altijd gezeten in de rauwe randjes, de plekken die niet gezien worden, of niet gezien horen te worden. De stukjes stad die als ‘kapot’ worden ervaren en die niets betekenen behalve voor de mensen die deze ruimte innemen. Mensen die vaak niet als volledige deelnemers van de stad gezien worden door haar eigen inwoners, gemeente, het land.

De eerste stad waar ik dit bewust meemaakte was Berlijn. Op mijn achttiende besloot ik in mijn eentje af te reizen naar het oosten van Europa, om te ontdekken wat alleen zijn en alleen reizen eigenlijk betekent. Paniek, vooral, bleek, maar wel mooie paniek: in de jaren die erop volgden keerde ik telkens terug. In Berlijn leerde ik het ruige, industriële en kapotte kennen, wat tegelijk angstaanjagend en bevrijdend is.

Langs de rivier de Spree stond een groot, verlaten gebouw. Door de mensen die me erheen leidden werd het ‘de ijsfabriek’ genoemd, maar ik weet nog steeds niet of dit ooit echt zijn functie was. Om er te komen, daalde je na een brug af in zand, gras en glas, en volgde je de rivier een stuk. Vervolgens doemde er een groot gebouw op, aftands en stinkend. Een groot gat in de muur vormde de weg naar binnen, waar ooit waarschijnlijk twee grote deuren opensloegen. De hele benedenruimte was één, de muren, vloeren en plafonds bedekt met graffiti en street art.

Achterin waren een paar hutjes gebouwd. Er werd me verteld dat daar mensen woonden, wat me bang maakte, maar waarom? We begeven ons elke dag tussen de woonplaatsen van mensen: in de stad zijn er meer plekken waar wel mensen wonen dan niet, maar toch kwam dit ongemakkelijk dichtbij. Het bracht het gevoel alsof zij dichterbij waren, alsof zij een betere reden hadden om boos te zijn op onze nabijheid dan anderen ooit zouden hebben. Zij hadden een vanzelfsprekend dunnere huid, omdat ze verscholen zaten achter gebroken golfplaten en vuile doeken.

Wij liepen snel langs hen heen, naar de metalen wenteltrap midden in de open ruimte. Naast een paar onderdelen van oude, onherkenbare machines, was dit het enige originele dat nog overgebleven was van de fabriek. Het grootste deel van de trap had geen leuning meer en er waren een paar gaten in de metalen treden gevallen. Als je eenmaal van boven weer naar beneden keek, leek het op een gat in de grond waar alles, inclusief ikzelf, zo weer in zou verdwijnen.

Boven was meer graffiti, soms kunst, soms krabbels, en stenen trappen naar boven. Tijdens het verkennen werd door middel van geur snel duidelijk waar je wel en niet moest zijn. Ook op de hogere verdiepingen bevonden zich hutjes, woningen, waar we met een grote boog omheen liepen. Eén konden we niet vermijden omdat het zich direct naast het trappenhuis bevond, en ik kon het niet laten om naar binnen te kijken. Er hingen roze doeken voor de ramen en er stonden kaarsjes, zonder vlam. Het deed denken aan een goedkoop bordeel, besmeurd met leven en seks. We liepen snel door naar het dak, waar opeens mensen waren, geen verstopte, onzichtbare mensen, maar gewone herkenbare mensen, zoals wij. Begrijpelijke mensen.

Het is zo makkelijk om een afstand te creëren tussen jezelf en wat je niet begrijpt. Het is nog makkelijker afstand te voelen tussen jou en de mensen die je niet begrijpt. ‘It’s os and them now’, herhalen ze opnieuw en opnieuw in een aflevering van Doctor Who, waar kopieën van mensen in opstand komen tegen hun originelen. Het begrip en de solidariteit is verdwenen, omdat de originelen de kopieën niet als volwaardige personen erkennen, met gevoelens en lichamen en levens.

Het ligt in de aard van de mens om te proberen te vergeten wat te ingewikkeld is. Als je hebt geprobeerd een kloon van jezelf te maken om een fabriek sneller te laten werken en minder personeel op te hoeven leiden, dan wil je niet nadenken over wat voor levensrechten deze kloon heeft. Als je even door je newsfeed wil scrollen op Facebook, wil je niet nadenken over wie er allemaal opslaan wat jij op dat moment aanklikt. Als je op ‘I accept’ drukt op een website, wil je niet bedenken dat je misschien zojuist je ziel aan de duivel hebt verkocht omdat je te lui was om het hele artikel te lezen. Zijn we mentaal te lui om de confrontatie aan te gaan of schuilt hier een diepere angst voor complicaties? Kunnen we hier iets aan veranderen, zelfs als we dit willen? Soms is er wel iets dat je ogen kan open, al is het maar tijdelijk.

Op het dak van de ijsfabriek kon je mijlenver kijken, van het tentenkamp vlak naast het gebouw tot ver over waar de muur had gestaan. Ik denk niet dat ik mooiere stedelijke zonsondergangen heb gezien. Mensen genoten op dit dak, bier drinkend, wiet rokend, muziek luisterend. Onbewust van wat er onder hen afspeelde. Ik was gewaarschuwd niet te ver naar de andere kant van het dak te lopen, omdat ze niet wisten hoe goed het plafond daar nog was. Dus ik bleef dicht bij de rest, zittend op een klein stukje verhoogd schuin dak, dat droge zitplekken bood ten opzichte van het grote platte dak met deuken en gaten.

Een van de mensen in mijn groep liet een leeg bierflesje vanaf de rand van het dak rollen, wat me ongemakkelijk deed voelen. De vrijheid van een dak is niet altijd verstandige vrijheid. Toch liet ik het gaan, vergeten makkelijker dan moeilijk doen. Een paar minuten later hoorden we echter gebrul en gescheld naar boven komen. Echt geschreeuw, dit waren geen mensen die grapjes maakten. Voor we het wisten stonden er twee gespierde mannen in sjofele kleding boven op het dak. Ieder zwaaiend met een enorme plank hout. Geen vrolijk zwaaien, dreigen. In gebroken Engels eisten zij te weten te krijgen wie het flesje naar beneden hadden gegooid. Iedereen bleef stil. Een van de mannen werd zo kwaad en dreigde iedereen in elkaar te slaan als degene die dit gedaan had niet naar voren zou komen, waardoor de andere man zijn kwade masker even liet vallen en zijn vriend tot bedaren probeerde te brengen. De jongen die het flesje had gegooid kwam naar voren, niet om te bekennen, maar om iedereen tot rust te manen, er was een ongeluk gebeurd, no hard feelings, er was niks ergs gebeurd, toch?

Als we even langer hadden nagedacht, hadden we opgemerkt dat dit een plek was waar mensen wonen. Waar mensen wonen, lopen mensen. Onder, langs het gebouw, liep een pad, waar de mensen van het tentenkamp liepen als ze ergens heen gingen. Het was al meerdere keren gebeurd dat iemand van de familie geraakt was door glaswerk dat door onoplettende toeristen zo van het dak werd gerold zonder te kijken. De kwade man had hier bijna vrienden aan verloren. Waarschijnlijk had hij ze zelf verzorgd, aangezien dit soort kampen zich vaak volledig van de buitenwereld afsluiten en zelfvoorzienend zijn. De kwaadheid verschool doodsangst en bezorgdheid.

Misschien ligt het avontuur van de stad voor mij wel in deze verwarring, de confrontatie met het hopeloze onbegrip dat wij als mensen dag in dag uit weer voor elkaar tonen. Hoe kun je je ooit inleven in alle andere mensen die je ooit tegenkomt? Het lijkt onmogelijk, waarschijnlijk is het onmogelijk. Maar misschien is het alleen een kwestie van zien en gezien worden. Is dat geen goed begin?

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch