Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De Jongen met de Baby

Door Christa Blokhuis

De jongen giet melk uit een mok in het mondje van de baby. Een dikke straal kruipt over een van de rode wangetjes tot in een verfrommeld oortje. De baby hikt en slaat met zijn handjes tegen de mok. ‘Kom nou,’ mompelt de jongen. Hij legt de baby op de bank, met een opgevouwen handdoek op de zitting om te voorkomen dat het op de grond rolt.
Door het open raam komt het persistente geblaf van honden. Er zit slechts drie meter tussen het huis en de kennel. De jongen vindt dat erg weinig. Een hond springt die afstand namelijk gemakkelijk in één keer. Nu er een baby in huis is, is de jongen bang dat de honden dat ruiken. Dat ze daarom zo veel meer lawaai maken dan normaal. Hij mijdt de kennel al sinds hij jong is. Honden zijn jagers, had zijn moeder hem geleerd. Die vreten je op.
Buiten trilt de zon hoog aan de hemel. Het is al dagen zo heet dat het gras rondom het huis vergeeld is. De bomen staan stil en wakend. Ergens ver weg op de wereld heeft een monster alle wind opgegeten. Dat zei zijn moeder. Waarom hangen de blaadjes anders slap?
De jongen sluit het raam. Het blaffen dempt. Zijn knokige schouders reiken bijna zo hoog als het bovenste scharnier. Op zijn voorhoofd zitten acnelittekens, net een mijnenveld. Zijn kuit wordt ontsierd door een reeks korte, roze sneetjes in de vorm van een halve maan. Daar had één van de honden hem gebeten toen hij een kleine jongen was.
Hij probeert meer melk in het mondje te gieten, maar weer belandt een groot deel in het oortje. De baby produceert spuugbellen en een huilerig kraaien. Het begint op zijn eigen vuistje te zuigen, zo vol overtuiging alsof het zichzelf kan eten.
‘Ik doe het fout,’ zegt de jongen. ‘Tijd voor een beter idee.’
De honden blaffen harder.
De jongen drinkt het restant van de melk op en loopt naar het keukenblok. Daar ligt zijn geweer. Hij neemt zelden de moeite deze te poetsen. Vandaag is bijzonder. Met de nieuwe baby kan hij het niet zomaar gebruiken. Hij zakt op de bank en poetst zijn geweer met een zeemleren doek tot zijn vingertoppen schrijnen.
De baby is een meisje. Het draagt een wit rompertje en rond het rechterenkeltje zit een roze armbandje met een naamplaatje. De jongen kent de letters. Een paar zitten ook in zijn eigen naam, weet hij. De L en de A. Maar klanken en letters gaan niet samen in zijn hoofd. Hij wil de baby bij haar naam noemen. Misschien wordt ze daar rustiger van.
Een vlieg cirkelt boven de tafel. De jongen besluit dat de vlieg gevaarlijk kan zijn voor baby. Vliegen zitten op rauw vlees en poep. Dat had zijn moeder hem geleerd. Dat zijn smerige dingen. De vlieg zoemt langs de voorraadkast en landt op het heftig op- en neergaande buikje van de baby. De jongen grijpt een krant en wacht.
De vlieg tippelt heen en weer. Het heeft zes pootjes die precies passen in de pluislusjes van het rompertje. De baby hikt. De vlieg stijgt op. De jongen slaat hem uit de lucht tot een zwart kwakje met vleugels.
Buiten is niemand. De bomen vormen een balustrade met hun dikke stammen. De jongen houdt van bomen. Die schreeuwen of blaffen niet. Het pad langs het huis is al bijna verdwenen onder gevallen bladeren en petieterige sprieten gras. Binnenkort weet niemand dat ze hier wonen. De gemeente heeft een kilometer naar het noorden een nieuw pad aangelegd, zodat de kennel niet hoorbaar is voor de wandelaars. ‘Het is beter zo,’ had zijn moeder gezegd. ‘Geen pottenkijkers meer!’
Een vieze poepgeur komt bij de baby vandaan. De jongen begrijpt dat ze verschoond moet worden. Hij heeft eigenlijk geen idee hoe een meisje eruit ziet zonder kleren. Zijn moeder heeft verteld dat ze geen piemeltje heeft. Maar wat dan wel?
De baby snikt. Het hoofdje is rood als een peper. De jongen aait een van de handjes, maar de baby zwaait er woest mee heen en weer. In de kast met kleding en linnengoed zoekt hij driftig alle planken af. Achter dozen met sokken en ondergoed van zijn moeder vindt hij witte doeken.
Het huilen van de baby gaat over in een hees krijsen als de jongen het rompertje uittrekt en de spartelende beentjes opzij drukt om de luier te verwisselen. Even verwondert hij zich over wat het meisje heeft. Twee lange kussentjes. Overal zit poep, wat de jongen geduldig wegveegt met een tweede doek.
Zoals met de vorige baby, tilt de jongen ook deze op zijn schoot. De oogjes zijn blauw en bestuderen hem. Hij laat toe dat de minuscule vingertjes zich rond zijn duim sluiten. Het geeft een kriebelend gevoel in zijn buik. Dan krijgt hij een idee. Hij schenkt nieuwe melk in de mok en doopt er een schone doek in. Voorzichtig houdt hij een punt van de doek bij het mondje. De baby zuigt er fanatiek aan. De jongen laat de doek opnieuw in melk drenken en geeft het aan de baby. Dit herhaalt hij tot de mok leeg is.
De baby maakt lachgeluiden. Hij doet haar na. En zij hem. Ze smakt met haar lipjes, lacht, smakt. De jongen trekt de baby tegen zich aan. Het ruikt olieachtig, en een beetje als hout, en ze is zo zacht, zo heerlijk zacht.
Buiten breekt een hels geblaf los. Bijna laat de jongen de baby los. Hij herstelt zich, legt de baby achter de opgerolde handdoek, grijpt zijn geweer. Twee honden zijn over het hek gesprongen, wild trekkend aan het touw waarmee ze vastzitten. Grommen. Piepen. Ze vallen elkaar aan, trappelen met hun poten tegen de zijkant van het huis. Dolle ogen. Dikke klodders kwijl druipen langs hun opengesperde bek op de grond.
De jongen durft niet naar buiten. Honden bespringen hun prooi, had zijn moeder gezegd. Hij had het zelf gezien. Daarom opent hij het raam en schiet. Een kort, iel janken. Nog een schot. Stilte.

Het brommen van de automotor is het eerste geluid. Dan volgt het knerpen van zand in de groeven van de banden. Sloffende voetstappen. De baby slaapt. De jongen zit naast haar op de bank. Het geweer heeft hij op het keukenblok gelegd.
‘Wel verdomme…! Lukas!’ Het schrale in de stem van zijn moeder krast aan de binnenkant van zijn oren. ‘Moest je er weer één omleggen?!’ De voordeur slaat open. Zonlicht snijdt door het landschap van dansende stofjes. Zijn moeder walst binnen. Het T-shirt dat ze draagt spant rond de uithoeken van haar lichaam, tot over haar knieën. Als ze hem bij de baby ziet heft ze haar massieve arm. ‘Ik had je toch gezegd bij haar uit de buurt te blijven?’
De aanwezigheid van zijn moeder brengt drukte in de kamer, drukte in het hoofd van Lukas, drukte bij de baby die wakker schrikt.
‘Weg daarbij!’ schreeuwt ze.
Lukas kruipt onder de tafel. Dat past al jaren niet meer. Toch kijkt hij met zijn wang tegen de onderkant van het blad gedrukt toe hoe zijn moeder de baby oppakt, er tegen brabbelt, en haar weer neerlegt. Uit plastic tassen komen pakken luiers, blikken, een fles, een speen, en stapels miniatuur kleding.
‘Met deze gaat het wel goed’, mompelt zijn moeder. Ze neemt de baby op schoot, heel even maar. ‘Lieve Lianne,’ zegt ze. En tegen Lukas. ‘Blijf!’
Zijn moeder verdwijnt naar buiten om de honden te voeren. Ze blaffen zo hard dat hij zijn oren eraf wil trekken.
‘Ze zijn in een kooi,’ zegt Lukas tegen zichzelf. ‘In een kooi.’
Zo jammert hij een tijdje.
De baby lacht en smakt tegen niemand in het bijzonder.
Vroeger brabbelde zijn moeder tegen hem. Nu doet ze dat alleen met de nieuwe baby. Lianne. Maar hij wil met Lianne zijn.
Lukas zit onder tafel en wacht tot de maaiende vuistjes tot stilstand komen. Hij sluipt tot aan de bank, zonder geluid te maken, zoals hij de honden heeft zien doen. Aan één beentje trekt hij de baby omhoog. Ze weegt misschien net zo veel als een kip.
Dan lacht ze, kirrend, plagerig. Hij denkt aan haar eerdere lachjes. Aan de vingertjes om zijn duim. De herinneringen zijn traag en onduidelijk, zoals alles in zijn hoofd.
Lukas legt de baby terug en geeft het een kusje. Met zijn geweer op schoot wacht hij tot zijn moeder terugkomt.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch