Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

DE KONING EN DE NAR

Door Willem Olierook

De koning had weer eens zwaar de pest in. Hij had een decreet uitgevaardigd dat niemand nog aardbeien mocht kweken. Dat recht was voortaan voorbehouden aan zijn koninklijke tuiniersescadrille. Maar de dienaren die hij erop uit had gestuurd om te controleren of men zich aan het koninklijke bevel hield waren allemaal teruggekomen met de mededeling dat men zich en masse niets van ’s konings wil had aangetrokken. Integendeel, het leek wel of de onderdanen juist meer jonge plantjes in de grond hadden gestopt dan ooit tevoren. “Nar”, brulde de koning, “kom hier, ik heb je wijze raad nodig!”

De nar, die nooit ver van de koning verwijderd was, hoorde de zijn vorst en broodheer om hem roepen, zette zijn kap met de belletjes op en liep bedaard – per slot van rekening was hij al op leeftijd – naar de koning.

“Wat kan ik voor u betekenen? Iets met taal of iets met rekenen?”, riep hij de vorst toe zodra hij in zijn gezichtsveld was.

“Ach, houd toch eens op met dat rare gerijm van je! Ik heb je raad nodig inzake een netelige kwestie: de beschermde teelt van zomerkoninkjes!”

De nar proestte het uit. “Hoor ik het goed? Aardbeien?!”

“Lach me niet uit!”, zei de koning met overslaande stem, “wat moet de hofhouding denken?!”

“Die lui kunnen niet denken”, riposteerde de nar, terwijl hij iets van een huppeltje uit z’n vermoeide lijf perste.

“Maar legt u mij nu eens uit hoe dat met die aardbeien zit, Sire?” vroeg de nar terwijl hij zich aan de voeten van de vorst vlijde.

“U mag de pootjes ook wel wat vaker wassen”, gooide hij er neusknijpend tussendoor, voordat de koning antwoord kon geven op zijn vraag.

“Geen greintje respect”, hoofdschudde de vorst en hij duwde met zijn rechtervoet de nar ondersteboven.

“Over respect gesproken”, mopperde de nar, die het hofstof van zijn kleding klopte. “Als u ‘wijze raad’ van me wilt, dan mag u zich wel wat meer als een hulpbehoevende gedragen! Nou, wat is er met de teelt van aardbeien; daar gaat het toch allemaal over?”.

“Inderdaad, mijn dienaren hebben vastgesteld dat mijn onderdanen zich geen snars aantrekken van het teelverbod.”

“Waarom heeft u dat eigenlijk ingesteld”, wilde de nieuwsgierig geworden potsenmaker weten.

“Welaan, aardbeien worden ook zomerkoninkjes genoemd en aangezien er in dit maar één koning is, wil ik het alleenrecht hebben. Dat is toch niet zo vreemd?”

“Is dat een retorische vraag, of wilt u écht een antwoord?”, reageerde de nar schamper.

De koning die het eerste deel van de reactie van de nar niet had begrepen, koos voor de tweede optie. “Ja, eh…natuurlijk wil ik een antwoord.”

“Sire”, zei de nar op quasi lieflijke toon “dat is wél vreemd, héél vreemd en ik wil u dat duidelijk maken door een tegenvraag te stellen.”

“Ga jij míj een vraag stellen?!”, bitste de koning, “het moet niet gekker worden; nou vooruit, voor deze keer.”

“Dank u Sire; houdt u van aardbeien, luidt mijn hele simpele vraag?”

“Ja natuurlijk, ik ben er dol op!”, antwoordde de koning met zowaar iets van enthousiasme in zijn stem. De nar knikte en zweeg.

“Nou? Waarom wilde je dat weten?”, vroeg de koning ongeduldig.

“Ik weet voldoende”, zei de nar mysterieus.

“Jij misschien wel, maar ik niet”, reageerde de koning duidelijk geagiteerd.

“U gaf antwoord op mijn vraag, ik dank u daarvoor, maar ik ben u geen verantwoording schuldig omtrent het nut van deze informatie voor mij als vragensteller”, zei de nar sarrig.

De koning hield het niet meer, vloog van zijn zetel en liep met gebalde vuisten richting nar.

“Stop!”, riep de nar met een stem die gezag uitstraalde. En zowaar, de koning hield stil en keek verwonderd naar de nar – zijn nar – die, klein van gestalte, een grootheid uitstraalde welke hij nog nooit in hem had gezien. “Het… spijt me”, mompelde de koning en hij keerde terug naar zijn troon.

De nar, die vroeger opperraadsheer van de vader van de koning was geweest, maar toen al had gemerkt dat zijn voorganger-nar veel meer in de koninklijke melk te brokkelen had dan hij, wist op dat moment dat hij eertijds de juiste beslissing had genomen nar te worden.

Nadat zowel de koning als de nar elkaar goedenacht hadden gewenst, zong de paleiselijke nachtegaal het hoogste lied.

Na een vorstelijk ontbijt te hebben genuttigd, slenterde de nar naar de tuin, alwaar een van de tuinlieden bezig was om de nog bedauwde aardbeien te plukken.

“Ah, ben je daar”, hoorde de nar achter zich. De koning verwaardigde zich niet verder de tuin in, maar wenkte de nar naar hem toe te komen.

Nadat de nar zich ervan had vergewist dat het handgebaar voor hem bestemd was, groette hij de tuinman en begaf zich naar zijn vorst. “U wenst, Sire?”

De nar naderde de koning en zowaar daar zag hij bij zijn vorst iets van een twinkeling in zijn ogen.

Kameraadschappelijk legde de koning een arm de schouder van de verbouwereerde nar en voerde hem het paleis in.

“Nar”, zo begon de koning, “het is vandaag zondag, ik heb niet veel om handen, heb je zin – en gelegenheid natuurlijk, voegde hij haastig toe – om vandaag wat leuks met mij te gaan doen?”

De nar moest zichzelf even in de arm knijpen om vast te stellen of hij niet droomde.

“Had u iets in gedachten Sire?”, vroeg hij verbaasd nieuwsgierig.

“Eh…ja”, zei de koning wat bedremmeld, “ik heb gehoord dat er iets verderop een uitvinder woont. Dat lijkt me nu toch zo interessant.”

“Over die man heb ik ook weleens horen spreken”, zei de nar, “maar het schijnt wel een vreemde knakker te zijn”.

“Knakker?”, vroeg de koning, “wat knakt hij zoal?”

“Nee, niet letterlijk”, lichtte de nar toe, “vreemde kerel, knaap, man”; onvoorspelbaar gedrag en zo, dus weet waar u aan begint!”

“Moet mijn lijfwacht mee denk je”, vroeg de koning wat angstig.

“Welnee Sire, ik ben er toch ook bij; het zal heus zo’n vaart niet lopen.”

“Bovendien”, vervolgde de nar, “kunt u er natuurlijk voor kiezen om incognito te gaan.”

“Eh… ik geloof niet dat ik een ‘cognito’ heb”, reageerde de koning onzeker.

“O, nee Sire, incognito betekent dat u niet als koning gaat maar als gewone burger, eventueel vermomd.”

“Hm”, overwoog de vorst, “dat is wel een aardig idee; het is spannender als ze mij niet herkennen. Maar dan moet jij ook vermomd gaan; als nar val je teveel op!”.

“Daar zit wat in Sire. Wat dacht u ervan als we als twee landarbeiders gaan, inclusief: pet, pijp en snor?”

“Dolletjes!”, giechelde de koning.

“Hoe komen we aan kleren en de rest van de vermomming nar?”, vroeg de koning trappelend van ongeduld.

“Laat u dat maar aan mij over Sire, ik heb overal m’n adresjes voor”, antwoordde de nar en hij legde veelbetekenend zijn rechterwijsvinger onder zijn dito oog. “Ik ga dat nu meteen regelen en dan kunnen we na de lunch op pad”, stelde de nar meer vast dan voor. “Eet smakelijk voor straks en tot twee uur Sire!” en weg was de nar.

De koning keek hem na en voelde een blijheid in zich opwellen die hij heel lang had gemist.

De klok van de koninklijke kapel sloeg tweemaal toen de nar het paleis binnenstapte.

“En, is het gelukt”, vroeg de koning terwijl hij nieuwsgierig naar de juten zak keek die de nar op de grond zette.

“Jazeker Sire, ik heb alles wat een onopvallend ondergaan in uw volk tot een eitje zal maken”, antwoordde de nar vrolijk, waaraan een lunch weggewerkt met een fles mooie Sjablonis duidelijk een positieve bijdrage aan had geleverd.

“Nar”, zei de koning gewichtig, terwijl beiden hun werkkleding verruilden voor een boerenkiel, “ik heb eens goed nagedacht: we hebben andere namen nodig!”

De nar grinnikte.

“Dat wordt nog wat met u Sire”, waardeerde de nar duimopstekend. “Had u al namen in gedachten?”

De koning krabde op zijn kroonloze hoofd en zei: “Wat dacht je van Adelbrecht en Ludovicus?”

“Hm…, ik ken weinig landvolk met zulke voornamen Sire. Wat vindt u van Gait en Geurt?”

“Een beest en een stank, zijn dat mannennamen?!”

“Ik vrees van wel Sire…o ja, vanaf nu moeten we elkaar ook maar tutoyeren. Boerentypes spreken elkaar namelijk niet aan met ‘u’. Wil je Gait of Geurt zijn maat?”, vroeg de nar, etalerend dat de witte wijn nog niet was uitgewerkt.

Ik zag laatst twee, duidelijk verklede, kerels de herberg binnenkomen, alwaar ik in een rustig hoekje zat te schrijven. Hoewel carnaval al enkele maanden achter hen lag, waren deze kerels getooid in boerenkielen en uitgedost met groteske nepsnorren. Ze beaamden elkaars gebabbel bij voortduring met ‘hè Gait’ en ‘jazeker Geurt’ en hadden de grootste lol. Ze bleken een bezoek gebracht te hebben aan een soort van uitvinder, die ze – al proestend van jolijt – hooglijk roemden om zijn ‘infentiliteit’, waarbij ze hun kroezen bier in rap tempo onder hun loslatende liphaar kantelden. Toen het op betalen aankwam bleken hun beurzen verdwenen.

1 reactie

Stella Mantel

maandag, 21:59

Grappig verhaal,onderhoudend!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch