Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De kus van Belle

Door Bianca Schriek

De kus van Belle

Die dag waaide de wind boven de stad. De wolken vlogen langs het blauw. Gejaagd, alsof ze de tijd perse in wilden halen. Ik zat op mijn balkon met niets dan mijzelf. Er was niets ongemakkelijks, niets wat me uit mijn evenwicht bracht. Ik had mijn leven geaccepteerd als het mijne. De nacht ervoor was warm geweest, broeierig benauwd dientengevolge, mijn kamer. Ik had in bed liggen woelen, daarbij de ogen halfgesloten gehouden. Het was alsof ik maar niet kon besluiten, of ik het warme zwart nu wilde doorwaken, of me er liever aan over zou geven. En slapen.

Terwijl het eerste licht door het raam naar binnen sloop, ik de toekomst doordacht – die immers gedraagt zich hetzelfde, ze sluipt -, terwijl ik de dag die eraan kwam in een voorstelling probeerde te vangen – hoe dom want geen mens kan, hoe oud of jong hij ook is, ook maar iéts van zijn toekomst kennen -, terwijl ik stilletjes hoopte dat ik in de dag die op het punt stond binnen te vallen, iets heel ánders zou beleven dan waaraan ik tot dán toe gewend was, juist toen gebeurde het.

‘Niets weet je van wat voor je ligt en toch vermoed je oneindig veel méér dan wat je verlaat’ .

Ik had juist besloten op te zullen staan, te ontbijten in de vroege ochtendzon op het balkon, er met een boterham weer even te gaan zitten, er een kopje koffie te drinken, een berichtje te verzenden naar de buitenwereld … Ik doe graag alsof weet u, het geeft me een zeker gevoel – de waan – van in verbinding te staan met mijn kinderen, mijn kleinkinderen en met wie mij verder nog rest aan familie. Ik weet best dat ik niemand van hen kan zeggen ‘hier ben ik, Belle’, en ‘ik mis je’, of zelfs ‘heb je misschien tijd voor een kopje koffie?’ Ik weet best dat zo’n berichtje geen zin heeft. Ze hebben het druk. Toch schep ik er plezier in hen even te groeten. ‘Kus van Belle’.

Geheel onverwacht klopte de toekomst aan. Eerst beneden aan de straatkant, daarna pas aan de deur van mijn kamer. En het verraste me. Want hoewel ik het geklingel van de huisdeur gehoord had, de portier beneden tegen onbekenden had horen praten, had ik voetstoots aangenomen dat het bezoek voor iemand anders bedoeld was. Voor iemand anders in het huis waarin ik woon. Pas nadat er op mijn deur geklopt werd, deze zich opende alsof ik toestemming had gegeven, pas toen twee van de mannen zich op de rand van mijn bed zetten in de hoek van mijn kamer, pas toen een derde recht voor me kwam staan, zijn voet op de drempel posteerde tussen de tegelvloer binnen en het grijze graniet van mijn balkonnetje buiten, pas toén drong tot me door dat de toekomst zich niet aan een ánder, maar zich aan mij aangediend had.

‘Nieuweling,’ fluisterde de man, ‘Nieuweling, je bent geschikt bevonden.’ Daarna viel hij stil. Ik weet nog dat ik me afvroeg of ‘Nieuweling’ hier mijn naam was en niet ‘Belle’ zoals ik in werkelijkheid heet. Ze bekeken me alle drie afwachtend. Ik moet gebibberd hebben, misschien omdat ik slechts gekleed was in mijn ondergoed, ik had de tijd niet genomen me iets om de schouders te slaan. Misschien omdat de ochtend toch killer bleek dan ik me gerealiseerd had. Of misschien omdat ik geschrokken was. Dat laatste ligt het meest voor de hand. De mannen drongen wat dichter op me toe. En hoewel ik me daar wat ongemakkelijk bij voelde, me ’t liefst van hen af wilde wenden, stelde iets in hun houding me toch ook weer gerust. Dus ik luisterde, vroeg naar wat ze me te zeggen hadden.

‘Je bent geschikt bevonden Nieuweling’ fluisterde de jongste van het stel. Hij klonk notabene verrukt. Daarop, niet veel later, sprak de oudste, geruststellend, verwachtingsvol bijna. ‘Is dat niet heerlijk?’ Ik zal wel geknikt hebben. Zo ben ik. Meegaand en onmiddellijk geneigd tot instemmend ja-zeggen. Toen de derde, die wat nors leek, me in het oor fluisterde ‘je mag het lícht gaan halen’ móet ik van verrassing wel gesnotterd hebben. Het kan haast niet anders. Ik herinner me tenminste nog helder dat ik het niét kon geloven. Het licht? Ik?

Ze begonnen alle drie tegelijk aan mijn koffer te sjorren, stopten er een foto in, die van vroeger, die van mij op mijn balkonnetje in Parijs. Daarna wat kleren, een schamel beetje, maar állemaal mooie.

Ze schudden in het voorbijgaan nog even mijn kussens op, legden de dekens recht, pakten mijn schriften, potloden, hielpen mij op te staan en boden me de gelegenheid me fatsoenlijk te kleden. Alles in het vriendelijke. Dus denkt u niet dat er ook maar iéts was dat me verontrustte of ongemakkelijk aanvoelde. Dat ik bleef bibberen kwam omdat ik al het nieuwe zo snel niet tót me kon nemen. Vroeger konden me de dingen niet snel genoeg gaan, sinds ik oud ben, is dat anders geworden.

Eenmaal recht op de benen en keurig gekleed, schuifelde ik in de richting van de deur. Ik keek nog even om naar de kamer en door het venster naar buiten. Juist toén kropen de herinneringen als kleine kinderen op de schoot van een moeder. Ik verstarde. Maar daar opende zich de deur van mijn kamertje voor een tweede keer. Hij is rood, mijn deur, dus het kan je niet ontgaan, al dat rood ineens in de grijsgrauwe kamer.

Er kwamen twee verpleegsters binnen. Ze groetten me hartelijk. Ze hielden een draagstoel temidden van hen. Het geval – van ijzer en doek, dat zag je zo – hing aan stevige touwen waarvan ik de structuur nog herkende. Er liggen trossen van in de schuur naast mijn ouderlijk huis, beneden aan de voet van de berg, in het dorp.

De draagstoel leek wel met bladgoud versierd, zo glom ie. De touwen waarmee ze hem tussen zich droegen hadden de vrouwen zich in zwierige lussen rond de schouders geslagen. Ze zagen er sterk uit, die twee zouden mijn gewicht dus wel houden. Ik glimlachte.

‘We hebben je herinneringen gevonden’. De vrouwen wierpen me de waarheid voor de voeten. ‘Dus nu weten we waar je vandaan komt’. Ze glimlachten opgewekt naar elkaar. ‘En ook waar we je naar terug kunnen brengen’. Ze schiepen zichtbaar plezier in de onthullingen die ze me daar deden. Eén van hen legde mijn dagboek op mijn schoot. ‘Je hebt haar naam onthouden’! Ze toonden mij al wat ze wisten. En daarmee verrasten ze me. Je kunt het niet aan hen zien, begrijpt u, dat je verzorgers eigenlijk speurders zijn, je kunt alleen in je buik de handomdraai voelen wanneer je je door hen in de kaart gekeken weet en je je gekleineerd voelt. Zelfs wanneer je oud bent, wil je ’t liefst ‘t een en ander voor jezelf houden. Maar ik zal wel geknikt hebben, zelfs toegegeven hebben. Ik wist de naam van mijn moeder immers nog. En ook hoe het dorp heette waar ik oorspronkelijk vandaan kom. Ik ben daar stilletjes trots op. Want er is ruim tien jaar verstreken sinds ik hier in het bejaardentehuis gevangen genomen werd, al zullen mijn kinderen zeggen dat ze me hier óndergebracht hebben.

Niet lang daarop tilden ze me op en begonnen ze me aan de draagstoel vast te sjorren. ‘We brengen je naar het eind van de stad’ zeiden ze. Ik jammerde. Want zelfs wanneer je iets heel graag wilt kan het griezelig zijn wanneer het dan eindelijk uitkomt. Toch werd ik al snel weer rustig, ik keek naar hen op, stemde in, knikte, zei dat ik blij was. En ook dat ik de ruil begreep. Ik zou het licht gaan halen, ernaar op zoek gaan. En in ruil daarvoor zou ik mijn vrijheid terugkrijgen. Ik zou terugkeren naar mijn eigen dorp, er mijn moeder terugzien, mijn vader misschien zelfs en mijn school, mijn vriendinnen.

Al wat ik mij van daarna nog herinner is dat ik in de draagstoel naar het eind van de stad werd gebracht, dat ik daar afgestapt ben en dat ik in ’t omzien naar het oude huis, mijzelf zag, zoals ik eens was, jong in de morgen, rustig op mijn balkonnetje, kopje koffie, in contact met de wereld. Daarna zag ik de vrouwen, en ook dat ze naar me zwaaiden, het goed met me meenden.

Daarop begon het te waaien en stapte ik in de richting van het licht.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam