Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De laatste reis.

Door Marco Kadir

De laatste reis van mijn vader was niet de reis van zijn leven. Het was niet die bergtop of waterval die hij nog van zijn bucketlist wilde afstrepen, ook geen sentimental journey terug naar een plek die voor hem belangrijk was geweest. Zijn laatste reis was een ´sensationele aanbieding´ van €99 voor een achtdaagse, vijfsterren cultuurtrip langs de Turkse zuidkust.

Glunderend liet hij de al even goedkoop ogende flyer rondgaan op zijn vijfentachtigste verjaardag. Mijn vader kon nog echt glunderen. Hij had lang niet meer mogen vliegen vanwege zijn bypass, waar hij al dertig jaar mee rondliep. Maar zijn nieuwe cardioloog was een jonge vent met frisse ideeën. Weg achter de geraniums! Pluk de dag! De hartpatiënt voelt zelf het beste aan waar zijn grenzen liggen.

Mijn vader had heel wat afgereisd in zijn lange leven. Zijn roots lagen op een boerderij in Friesland. Als huisarts sjeesde hij in een sportwagen door Voorburg, een semafoon zo groot als een schoenendoos hing aan het dashboard. In de zomervakanties reed hij ons naar Frankrijk of Italië. Vier kinderen niet kwijtraken in het Louvre of op de Mont Blanc, dat was voor hem avontuurlijk genoeg. Pas na zijn pensioen kwamen de verre vakantiereizen. Canada, Israël, Afrika. Tot het niet meer mocht van zijn eigen dokter. Maar nu mocht het dus weer wel.

Mijn moeder stribbelde niet tegen. Zij had al die jaren gewaakt over de pillen en als maar veranderende diëten. Zout, eigeel, rode wijn, visolie, grapefruit, vijgen, foliumzuur tegen de doofheid. En nu stond er dus een reis op het recept. Voor nog eens €129 kregen ze er het ´cultuur- en genieterspakket’ bij, vertelden de kleine lettertjes, ‘met alle entreegelden, rondleidingen en uitgebreid avondbuffet met internationale specialiteiten’.

Een week later vertrokken ze van Schiphol, op het slapeloos vroege tijdstip dat hoort bij afbraakprijzen. Mijn tante, die mee was, heeft later een fotoboek van de reis gemaakt. Ik zie hem achter een bagage karretje door de vertrekhal sloffen. Hij liep nog best goed, alles in zijn eigen onverstoorbare tempo. Zo was hij altijd geweest, positief, onverstoorbaar, gelijkmoedig. Hij nam het zoals het kwam. Vanwege zijn doofheid ging er steeds meer langs hem heen, maar hij had een groot vertrouwen dat de dingen uiteindelijk wel goed zouden komen.

Ik sla een pagina van het fotoboek om. Ze zijn aangekomen en bewonderen een enorm standbeeld van Atatürk. Mijn ouders waren vooral geïnteresseerd in Bijbelplaatsen en oude kerken. Op de glossy pagina´s zie ik hem door het oude Myra lopen, waar sint Nicolaas ooit werkte als bisschop. Mijn vader bekijkt de iconen in de kerk. Die middag bezoeken ze graftombes die hoog in de rotswand zijn gehouwen. Vanuit hun met zuilen versierde spelonken kijken de doden boven het stadje uit over zee.

Volgende pagina. Bezoek aan een oude moskee. Een boottrip naar het Iztuzu-strand, ´een van de belangrijkste nestplaatsen van de onechte Karetschildpad´, heeft mijn tante erbij geschreven. December is kennelijk niet het broedseizoen. Het strand is leeg. De gids weet van geen ophouden. In zijn laatste week wordt mijn vader nog helemaal bijgepraat over de met uitsterven bedreigde, onechte Karetschildpad.

Ze overnachten in badplaats Kusadasi. Ook hier lege stranden en boulevards, een spookstad in het laagseizoen. De groep poseert op een uitkijkpunt. Een man of dertig, allemaal vijftig plus, een touringcar vol. Na twee, drie dagen ontstaat vanzelf de sfeer van een schoolreisje. We gaan nog niet naar huis. Nog lange niet. Er zal een lolbroek tussen hebben gezeten, gangmakers achter in de bus, misschien een zorgenkindje met een handicap. Mijn vader was dat niet. Hij was de oudste, maar kon goed meekomen en anders ging hij er gewoon even bij zitten.

De volgende dag doen ze Efeze. Ze zijn er eerder geweest, net als de apostel Paulus. Daar zit hij met zijn witte pet en zonnebril op een brok marmer voor een zuil met ´een van de eerste esculaaptekens´. Ik ken het symbool, een slang op een stok, van het plaatje dat hij vroeger als huisarts op zijn auto had en waarmee hij in spoedeisende gevallen overal mocht parkeren.

Met mijn moeder en tante poseert hij voor een poort ter ere van keizer Augustus, die ook in de Bijbel genoemd wordt. De tijd van Jezus. Er zijn mozaïeken en reliëfs van Fortuna, de godin van het lot. Soms ziet hij er moe uit, met zijn mond een beetje open, buiten adem van al die trapjes. Maar op de volgende foto zit hij weer te glimlachen naast mijn moeder. De winterzon komt even door, het vest kan uit.

Op de volgende bladzijde is het 2 december 2014. De reis nadert al weer haar eind. Het is nu wat bewolkt. Een traditionele tapijtknoperij, foto’s uit een souvenirwinkel. Hij pakt een fles lokale wijn van het schap, probeert in zijn gebrekkige Engels misschien wat af te dingen. Dat vond hij leuk, het spel van loven en bieden in dat soort landen. Lachend weglopen en dat ze dan achter hem aankomen met een ‘very special price’.

Hij staat in een zwart vest met witte strepen voor een indrukwekkend vervallen tempel van Aphrodite. De zuilen zijn zorgvuldig overeind gehesen en de brokstukken van het fronton erop getakeld, maar het lijkt alsof een granaat de top van de driehoek heeft getroffen. Van de klassieke verhoudingen is weinig over. Liefde kan tegen een stootje, zou mijn vader zeggen want hij gaf ook relatietherapie: Liefde moet soms incasseren, maar kan toch overeind blijven.

De volgende foto is van een metershoog beeld van een atleet. Is het een god, een halfgod? Het staat er niet bij. Mijn vader houdt zich vast aan de sokkel en kijkt omhoog. Als jongeman was hij ook sportief en wilde toen eigenlijk gymleraar worden, maar moest van zíjn vader studeren. En nu is hij oud. Lang niet zo oud als het beeld, maar hij lijkt veel ouder. Aan de andere kant, het beeld heeft geen armen, geen hoofd en geen hart.

De laatste avond, foto’s van het dinerbuffet. Hij zit met zijn dienblad naast mijn moeder aan een tafeltje. Hij hield van dingen die eigenlijk niet mochten en daarom extra lekker werden. Chips, spek, zoetigheid. Het waren zijn verboden middelen geworden. Vaak zei mijn moeder er iets van, alsof ze een beetje zíjn moeder was geworden. Maar nu is het nog heel even vakantie.

De volgende ochtend, 4 december, uitchecken. Ze staan met de koffers voor de bus. Nog een middag winkelen in de souk, het oude centrum van Antalya en dan terug naar huis. Er is een laatste foto in de bus. Hij kijkt me aan door de lens, mijn moeder kijkt naar hem. Dan zijn ze er al. De roltrap vanuit de parkeergarage omhoog. Ze verzamelen op een plein. Dan zakt hij in elkaar, houdt zich vast aan mijn moeder. Ze gaat naast hem zitten op de grond. ‘Het gaat niet meer’, zegt hij nog.

Een verpleegkundige uit de groep begint te reanimeren, wat hij eigenlijk niet wilde. Er komt een ambulance. Onderweg blijven ze het proberen. Ze duwen op zijn borst, mond op mond beademen. Maar hij is al dood, tien over half tien, komt niet meer terug. Mijn moeder belt ons allemaal vanuit het ziekenhuis. Er zijn papieren te tekenen, procedures. Twee uur later is ze terug bij de groep. Ze koopt een kalfsleren jas en een gouden ketting, zoals hij had gewild. Ze glimlacht op de foto, ze zweeft. De reisgenoten omhelzen haar en vertrekken naar het vliegveld. Zij blijft met mijn tante achter.

Twee dagen later haalden we haar van Schiphol. Mijn moeder droeg de nieuwe jas, nog altijd buiten zichzelf. Het was goed zo, zei ze: Hij wilde het zelf zo. Geen kasplantje. Dit was wie hij was. Ze had zich dertig jaar lang voorbereid op dit moment en ons er voor gewaarschuwd: Het kan elk moment afgelopen zijn. Ik had het zo vaak gehoord, dat ik het niet meer geloofde. Natuurlijk, iedereen gaat ooit dood, maar niet nu, niet zomaar, nooit morgen of volgende week.

De kist kwam over. Thuis in zijn studeerkamer lag hij opgebaard, kleiner ineens, koud. Er kwamen honderden op zijn begrafenis, ook veel mensen uit het reisgezelschap.

Had hij nog geleefd als hij die laatste reis niet had gemaakt? Of was hij dan rond dezelfde tijd gestorven in zijn stoel bij het raam of in de supermarkt of achter het stuur of tijdens een blokje om? Een hart klopt meer dan dertig miljoen keer per jaar. Zou er ergens een Fortuna zijn, Allah of de God waar mijn vader zelf in geloofde, die van tevoren bepaalt hoeveel slagen elk hart vergund is? Ik weet het niet. Maar stel dat je dagen inderdaad van tevoren geteld zijn in een Goddelijke databank, dan kun je dat lot tarten, maar je kunt je er ook juist aan overgeven. Voor mijn vader kwamen die twee dingen denk ik eigenlijk op hetzelfde neer. Want het komt altijd goed, dat wist hij zeker.

5 reacties

Ton van Leijen

dinsdag, 21:00

Mooi geschreven Marco! Herkenbaar, ook wel ontroerend voor wie hem heeft gekend; gewoon zichzelf; maar wat is gewoon? Hgr je taal maakt van deze reis een schilderij Hgr!

henk meijer

maandag, 14:41

Ha Marco,
mooi verhaal waarin via de feiten de liefde en het respect voor je vader tastbaar is.

Annemieke

zaterdag, 23:34

Trefzeker geschreven. De lezer weet: wat je leest, is wat je krijgt. Een uniek verhaal, en toch universeel. De reis van je dood, we maken hem allemaal.

GJ Visch

vrijdag, 14:21

Mooie, doeltreffend eenvoudige stijl.

Ton van Huijstee

vrijdag, 14:14

Het lijkt een waar gebeurde reconstructie van wat zijn vader is overkomen. Het is goed beschreven. Alleen, het einde kon je al van verre voelen aankomen. Er zit wat weinig spanning in.

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch