Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De lange tong van Apuleius

Door Tim Thomaes

De lange tong van Apuleius

Het heeft vannacht gesneeuwd, alsof de Aarde lang geleden is geschud en alles nu pas op zijn plek begint te vallen. Onder de inmiddels grijs geworden massa zijn sporen van gisteren uitgewist, vernietigd.
‘Sneeuw’, zegt agent Apuleius.
Zijn ademstoot geeft een dun laagje condens op het raam. Zoals hij dat vaker doet met observaties die hij dieper wil doorgronden, spreekt hij het woord voor zichzelf uit. De bewegingen van zijn tong bij het uitspreken van het woord zorgen ervoor dat het juiste slijm uit zijn wangen komt. Met dat nauwkeurig losgemaakte weefsel kan hij het woord proeven, hetgeen hem de indruk geeft iets van het buitentalige fenomeen te begrijpen. Kennis is speeksel, denkt hij.

De vorige nacht is er een lijk van een vrouw gevonden. Hij kleedt zich warm aan en stapt op zijn fiets om naar de vindplaats te gaan. Onderweg ziet hij een jager op de kauwen schieten om het laatste deel van de oogst te beschermen. Apuleius ziet dat hij zijn geweer richt op een raaf vlak boven hem. De raven zijn beschermd. De vogel klapt nog wat met één van zijn vleugels, maar kan daarmee niet voorkomen dat hij in volle vaart tegen de bodem smakt. Apuleius kan hem nog net ontwijken.

***

Het voorval met de raaf brengt hem naar een gebeurtenis van 3 maanden geleden, het moment waarop hij, in zijn beleving, werd aangenomen bij een ruimtevaartorganisatie. Op zijn eerste werkdag in het koepelvormige complex werd hij verwelkomd door zijn begeleiders, die hem de observatieruimte toonden. De bedoeling was dat hij en zijn collega’s rampen zouden voorspellen die op Aarde konden ontstaan, dacht hij.

Het viel hem in het begin op dat er nergens in de ruimte telescopen of computers stonden. Een vrouw voorspelde een meteorietenregen. Ze maakte er grote gebaren bij, alsof ze iets in zichzelf had opengetrokken en iets anders in haar was neergestort. Haar geestdrift werkte aanstekelijk. Al op de eerste dag voorspelde Apuleius het einde van de wereld. Hij voelde het, beter gezegd. Graniet uit de aardkorst, een megatsunami en een wereldwijde wolk zwaveldioxide. De vrouw die de meteorietenregen had voorspeld, moet jaloers zijn geworden, want ze duwde hem op de grond en trok hem aan zijn tong. Zou er hierbinnen een natuurramp kunnen ontstaan? Een ruzie die groter was dan zijzelf waren? Apuleius wilde iets roepen, maar hij kon alleen maar geluiden maken. Het luide geruis van een intercom vulde de ruimte. Enkele seconden later werd de ruis verbroken door een stem die traag aftelde van tien naar nul. Bij nul liet ze hem los.

Na dit incident werd besloten dat hij moest worden overgeplaatst naar een andere instelling waar geen voorspellingen werden gemaakt. Hij had iets gebroken dat niet meer kon worden gemaakt. Het einde van de wereld voorspellen mag nooit betekenen dat de orde wordt verstoord. Dat was het moment waarop hij wist dat hij agent moest worden. Een ordehandhavende apocalypsvoorspeller. Wanneer hij vanaf nu het einde van de wereld voelde aankomen, zou hij orde op zaken brengen.

***

Het is al druk bij de vindplaats. Een groep experts is bezig met het onderzoek. Sommigen maken notities, anderen hurken neer bij het lijk of ergens verderop om naar sporen te zoeken. Iemand vindt een plastic bekertje, iemand het spoor van een slak, iemand anders een telefoon. Iemand veegt een beetje modder van haar dijbeen. Iedereen heeft zijn of haar eigen taak en niemand houdt zich bezig met die van een ander.

De taak van Apuleius is om het lichaam zelf te inspecteren. Hij opent zijn notiteboek en maakt een lijstje:

Ingevallen:

1. Wangen

2. Ogen

3. Schedel

In haar broekzak vindt hij een kaartje met de naam van een hotel en begeeft zich erheen.

In de kamer waar de vrouw volgens het hotelregister die nacht had moeten verblijven, staat een enkel bed. Het bed staat dichtbij de deur. Aan de andere kant van het kleine, rechthoekige kamertje, is er een raam dat uitkijkt op een appartement. Aan de muur tussen het bed en het raam hangt een huis, geschilderd op een klein doek. Het licht komt van buiten, maar vooral van de twee tl-buizen in het midden van het plafond. De kamer is nog niet schoongemaakt. Er zitten koffievlekken op de lakens. Apuleius maakt notities in zijn schrijfblok.

***

Een plotse vermoeidheid overvalt hem en hij besluit terug naar huis te gaan. Het voelt alsof hij de zuurstof door een rietje naarbinnen moet zuigen. Hij herinnert zich de observatieruimte en hoe hij zich met zijn collega’s voelde als mislukte astronauten, vreemd van deze wereld. Misschien zijn we allemaal muggen, gedoemd tot onze cocon, om gaandeweg te worden leeggezogen door een vermoedelijke buitenwereld.

Apuleius sluit zacht de deur achter zich, omdat hij voelt dat zijn huis op instorten staat. De houten balken die het gewicht van het dak over de muren verdelen, zitten vol met gaatjes. Hij kan ze zien, de gaten, de termieten. Misschien is een psychose na een zenuwinzinking zoiets als fantoompijn: als het er niet is, kun je het ook niet negeren.

Hij maakt een lijstje.

Gevallen op 9 oktober 2015:

1. Sneeuw

2. Raaf

3. Avond

***

De ochtend daarop volgt hij zijn gewoonlijke routine: hij stapt uit bed en kleedt zich aan om zijn eigen slaapwarmte nog te bewaren. Vervolgens zet hij koffie op en de dampkap aan. Hij houdt van het suizende geluid en het idee dat de zuurstof aan hem wordt onttrokken. Zijn boterhammen eet hij aan de ontbijttafel met uitzicht op zijn tuin. Hij herinnert zich de naaldboom nog van toen hij klein was. De planten, fruitbomen en de eik van in zijn jeugd zijn eruit verdwenen. Vooral loofbomen maken hem zenuwachtig, want die veranderen te veel.

Hij kleedt zich opnieuw warm aan en stapt op zijn fiets. De raaf die gisteren – was het gisteren – vlak voor zijn fiets viel, is verdwenen. De jager moet hem hebben meegenomen, want er staan boetes op het doden van beschermde vogels.

Vandaag brengt hij een bezoek aan de lijkschouwer, een oude, kale vrouw die weigert in lichamen te snijden. Ze heeft daar nooit een verklaring voor gegeven. Apuleius verdenkt haar ervan zelf de onderzoeksresultaten te verzinnen.

De lijkschouwkamer bevindt zich in een appartementencomplex. Apuleius belt aan en de deur gaat automatisch open. Hij neemt plaats in de wachtkamer en wordt even later verwelkomd door de vrouw die hem meeneemt naar de kamer. Daar ligt het lichaam op een brancard. De vrouw overhandigt hem het autopsierapport. Hij leest het rapport diagonaal.

’Mag ik?’ vraagt Apuleius. Hij zoekt naar iets in de binnenzak van zijn jas. De lijkschouwer knikt. Apuleius haalt een wattenstaafje tevoorschijn en strijkt het langs de binnenkant van de wang van het lijk. Kennis is speeksel. Hij steekt het staafje in zijn eigen mond.

Hij hoort het ruisen.

‘Sneeuw’, zegt hij.

Het ruisen stopt en gaat over in een stem die blikkerig klinkt, in een taal die hij niet kan verstaan.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch