Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De man die God vond

Door Barbara Bas-Douw

In het tuincentrum wisselden amaryllisbollen, kerstboompjes en kerstballen elkaar af. Een levensgrote kerstman zong Jingle Bells.

Van ’t Zandt slenterde door de winkelpaden. Hij stelde zich voor hoe zijn zussen op eerste kerstdag als aangespoelde potvissen zijn huis zouden binnendrijven, de drillende lijven in krappe jurkjes geperst. Kirrend zouden ze elkaar complimenteren met kledingkeuzes en (moeilijk traceerbaar) gewichtsverlies. Van ’t Zandt voelde een vage vermoeidheid opkomen.

Dat was het moment dat Van ‘t Zandt Hem vond. Hij lag op de grond, vlakbij de lawaaierige kerstman. Zonder prijskaartje. Het leek erop dat iemand Hem was kwijtgeraakt.

Van ’t Zandt was nooit bijster geïnteresseerd geweest in de kerk of de Bijbel. De enige met wie hij soms over God praatte was Ahmed, zijn buurman. En die ging trouwens naar de moskee. Van ’t Zandts eerste ingeving was dan ook om door te lopen.

Misschien kwam het door de gedachte aan de huizen van zijn zussen, waar alles glansde en in tweeën kwam. Als hij daar tegenop wilde boksen, moest hij deze kerst met iets overtuigends komen. Hoe het ook zij: ineens keek hij met andere ogen naar zijn Vondst. Die lag rustig te glanzen, alsof Hij zich niet wilde opdringen tussen het kerst-geweld. Hij was mooi, wel, vond Van ’t Zandt. Je zou er de aandacht best mee kunnen afleiden van middelmatig eten.

Van ’t Zandt keek rond. Er scheen niemand op zoek te zijn. Ach, dacht Van ’t Zandt daarom, zou het echt kwaad kunnen als ik God voor een paar dagen meenam?

Van ’t Zandt kocht een blauwspar. Thuis hing hij er kerstballen in. Toen plaatste hij God voorzichtig op de top. Hij pakte zijn shag en keek naar zijn boompie. Wat zouden zijn zussen opkijken.

***

Eerste kerstdag ging om half vijf de bel. De zussen van Van ‘t Zandt kwamen binnen, in een waas van gekwetter en parfum. In hun kielzog volgden hun echtgenoten, elk ongeveer even zichtbaar als een kameleon in de nabijheid van zijn belager. Van ’t Zandt leidde het bezoek de woonkamer in. Hij positioneerde zichzelf zó, dat er vrij zicht was op de boom.

Thea zag het als eerste. Midden in een zin – iets met ‘kleinzoon’, ‘logeerpartij’ en ‘enig’ – stokte ze. Met een gelakte nagel priemde ze naar de boom. “Is dat…?”

Iedereen begon door elkaar te praten. Zelfs de echtgenoten werden bevangen door een puberale onstuimigheid. “Hoe kom jij nou aan God?”, vroeg Adri. “Dat is toch onbetaalbaar, met een uitkering?” “Viel mee”, zei Van ’t Zandt. “Zullen we eten?”

Van ’t Zandt had pasteibakjes en kalfsragout gekocht. “Goh, leuk”, zei Gerda. “Pasteibakjes. Beetje jarig negentig.” Adri knikte. “Ik zag het doosje liggen. Nooit gedacht dat je dit nog kant-en-klaar kon krijgen.”

Het gesprek viel stil. Ze keken naar de boom. “Zou God dat nou leuk vinden?”, vroeg Thea. “Bovenop zo’n boom?” “Ik dacht het niet”, antwoordde Gerda. “Zo’n boom is hartstikke heidens.” “Hoezo?”, vroeg Thea. Adri zuchtte. “Ik kan wel merken dat jij je school niet hebt afgemaakt. Het is iets met Noorse goden.” “Nee, suffie.” Gerda schudde haar hoofd. “Met midwinter.” “Midwinter?” “Da’s een feest.”

Zwager Nico legde zijn vork neer. “Ik vind ‘t mooi, dat we God d’r bij hebben dit jaar”, zei hij. “Wablief?”, vroeg Gerda. “Sinds wanneer heb jij iets met God?” “God is voor mij…” “Ach, schei uit! Niemand wil toch weten wie God voor jóu is? Je hebt al dertig jaar geen kerk vanbinnen gezien.” “Goed zo, zussie”, zei Adri. “Laat het maar aan de dominee over om te vertellen wie God is. Die heeft ervoor gestudeerd.” Adri tikte met haar wijsvinger tegen haar slaap: “Moet je koppie, koppie voor zijn.” Nico werd rood. Er parelde een zweetdruppeltje tussen zijn snorharen. Gerda wees naar haar bovenlip: “Effe vegen, schat.”

Terwijl Nico zijn servet pakte begon de boom, die kennelijk niet erg stevig had gestaan, te trillen. Vanaf dat moment ging alles heel snel. De boom schudde. Kerstballen tikten tegen elkaar. Het lichtsnoer schoot uit het stopcontact. Wiebel, wiebel, ting-ting-ting… De boom viel op de grond. Overal lagen kerstballenscherven. Adri sprong op en riep: “Oh, God! Ohgodohgodohgod…”

***

God lag onder een stolp. De boom was afgevoerd. Thea steunde met haar hoofd op haar handen en loerde naar de stolp. “Hij ziet er gek uit”, zei ze. “Thea! Dat kan je niet zeggen.” “Hoezo niet? Tegen God mag je toch álles zeggen?” “God is heilig, hoor.” “Ja”, zei Gerda terwijl ze een peultje aan haar vork spietste. “En ik neem nog een heilig boontje.”

“Ik vind God er helemaal niet gek uit zien”, zei Karl. Iedereen keek naar hem. Karl was antiquair, die had verstand van dit soort dingen. Adri liet haar blik heen- en weer bewegen tussen haar echtgenoot en God. “Nee? Hoeveel zou je voor God krijgen?” “Ik weet niet of ik Hem naar de winkel zou doen.” “Bedoel je…?” “Op het kastje van ma zou Hij ook niet misstaan.” Op Adri’s gezicht verscheen langzaam een lachje. Ze opende haar mond, maar Gerda was haar voor. “Ja, zeg, dat gaat zomaar niet! Misschien willen wij God wel voor onze beeldenverzameling!” Gerda en Nico spaarden beeldjes van engelen, kikkers en kabouters. Van ’t Zandt sputterde iets, maar Adri ging staan en legde een hand op de stolp. “Ik ben de oudste.” “Och, hemeltjelief, het oudste-dochter-argument,” zei Gerda. “Ik zag God als eerste!” riep Thea. “Jij vond God er toch gek uit zien?”

Even later had iedereen God vast. Van alle kanten werd er aan Hem getrokken. Er was een hoop gegil en af en toe een: “Blijf af! Hij is van mij!”

Adri droeg muiltjes die ternauwernood pasten. Ze verloor haar evenwicht. Toen zij God losliet, raakten Gerda en Thea ook uit balans. Thea nam het tafellaken en de borden mee in haar val. Tenslotte vloog God uit de hand van Kees en landde naast de salontafel.

***

Ze genoten van het dessert. De ravage was min of meer hersteld. God stond in de vitrinekast.

“Waarom heb je God eigenlijk meegenomen?”, vroeg Kees. Hij leek moe. Van ’t Zandt gaf niet direct antwoord. Hij beet in een wafel en keek de kring rond. Thea leunde met haar hoofd op één hand en kloof aan haar nagels. Adri had een kers aan een vorkje geprikt en bekeek die met toegeknepen ogen. Gerda roerde in haar dessertschaaltje. Er had zich een soepje in gevormd van gesmolten ijs, uitgespuugde kersen (Gerda hield niet van kersen) en chocoladesaus. De echtgenoten leken weer te zijn opgegaan in het behang. “Had ‘ie God maar niet in huis gehaald”, zei Gerda.

Van ‘t Zandt gooide zijn lepeltje van zich af. “Waarom ik God in huis heb gehaald? Hij kwam op mijn pad. En toevallig ben ik niet van plan ‘m weg te doen.”

Het bleef even stil. Toen zei Thea: “Wat je gelijk hebt. Volgens mij staat God daar helemaal zo gek nog niet.” “Het oogt opgeruimder dan in de boom”, vond Adri. “Precies!” Thea werd enthousiast. “Nu kan Hij niet alles maar raken. En je houdt een beetje overzicht d’r over…”

Gerda leek niet overtuigd. Eerlijk gezegd geloofde Van ’t Zandt er zelf ook niet meer zo in. Maar hij probeerde de voordelen te zien van de hele situatie. Als er jehova’s aan de deur zouden komen, zou hij alleen quasinonchalant hoeven gebaren naar de eethoek. En met Pasen was het ook best leuk, eigenlijk, God in de kast. Hij zou er paaseitjes bij leggen en de overbuurvrouw uitnodigen. Hoewel hij dat laatste eigenlijk al eerder moest doen. Hij had nu een goed verhaal…

BOEM! De vitrinekast explodeerde. Het raam bij de achtertuin barstte. Wijnglazen vlogen door de lucht. En God… die belandde via het kapotte raam in de achtertuin.

Van ’t Zandt reproduceerde alle vloeken die hij ooit had geleerd. Intussen kwam Ahmed naar buiten. Van ’t Zandt was niet van plan God door Ahmed te laten ontvreemden. Hij had Hem bijna te pakken toen het tuinhek openging. Daar stond Mike, van nummer 22. Mike was, eerlijk gezegd, niet bijster intelligent. Waarschijnlijk was er niemand minder geschikt om God in de buurt te hebben dan dit schepsel. En uitgerekend naar Mike bleek God onderweg.

Mike raapte God op. “Volgens mij ben je iets…”, zei hij. “Geef hier!”, schreeuwde Van ’t Zandt. Hij griste God uit Mikes handen en beende naar binnen. Opeens voelde hij zich verschrikkelijk moe.

***

In de woonkamer was Karl bezig om bloed op het voorhoofd van Adri te stelpen. Gerda telefoneerde. Thea en Kees hadden hun jas aangetrokken. “We gaan”, zei Thea. Van ’t Zandt keek naar de puinhoop. En naar God.

Het was merkwaardig, want net nog had hij voor God gerend alsof zijn leven ervan afhing. Maar plotseling wist Van ’t Zandt weer waarom hij niet van kerst hield. En dus deed hij iets, dat hij zelf niet had zien aankomen. Hij liep naar Karl en drukte God in diens vrije hand: “Voor de winkel.” Toen ging hij zitten en begroef zijn hoofd in zijn handen.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch