Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De moeder van Maes

Door Heleen Croonen

Mijn zoon slaat met zijn rugzak naar het hoofd van zijn vriendje Maes. Ik wil hem beet pakken, als de juffrouw op mijn schouder tikt. ‘Moeder van Roman? Deze is voor jou’, en ze reikt me een brief aan.

De jongens onderbreken hun gevecht. ‘Mag ik hem zien’, vraagt Roman en grijpt naar de brief. De juf houdt de brief meteen boven de hoofden van de jongetjes. ‘Nee, die is voor je moeder.’

Ik zie al welke brief het is. We hebben thuis nog zo’n brief liggen van de vorige keer. ‘O jee’, zeg ik tegen de juf alsof ik erdoor overvallen word. ‘Is het weer zo ver.’

‘Twee weken lang, twee keer per dag een half uur kammen. Anders heeft het natuurlijk geen zin’, verduidelijkt de juf. Lachend voegt ze toe: ‘Vergeet ook niet jezelf te controleren, anders is het dweilen met de kraan open.’

Onbewust krab ik onder mijn muts wanneer ineens de moeder van Maes voor me staat. Ze draagt een platte leren werktas onder haar arm en heeft haar haren losjes in een Franse knot. ‘Kan Maes vanmiddag komen spelen?’, vraagt ze. Onze zoons slaan elkaar weer met hun rugzakken. Ik probeer met een hand de rugzak van mijn zoon te vangen, zodat het stopt.

‘Ja hoor, leuk’, zeg ik tot mijn eigen verbazing. Ik begin meteen te hoofdrekenen. Als Maes om vier uur wordt opgehaald, lukt het misschien nog om Roman te ontluizen voor het avondeten. De moeder van Maes loopt al weg. ‘Zullen we tot vier uur doen?’, roep ik haar na.

De moeder van Maes draait zich om en kijkt op haar mobiel. ‘Ik moet eerst Sara nog van dwarsfluit halen, dus het wordt na vijf uur.’

‘Om vijf uur gaat bij ons de tv aan’, zeg ik bij gebrek aan beter.

‘Niet erg’, zegt ze vergoelijkend. ‘Bij ons thuis ook.’ En ze loopt door naar haar fiets.

Thuis zoek ik op het plastic flesje Prioderm antiluis naar de houdbaarheidsdatum. Het spul is nog zeker twee jaar goed. Boven klinkt het gebonk van de jongens op de kinderkamer. Eerst mezelf luisvrij maken, dan kan ik vanavond in alle rust Roman doen, als Maes is opgehaald. Ik draai het piepkleine dopje van het tuitje en trek een streep over de scheiding in mijn haar. Mijn vingers wrijven langs alle haarwortels. Meteen krijgen ze de bekende vette glans. Kleine stekelige prikjes verspreiden zich over mijn schedel. Dat zijn de stervende luizen, die nog een laatste beet in mijn hoofdhuid zetten, stel ik mij zo voor. Pioderm zelf prikt niet, zoals de malathion die we daarvoor geprobeerd hebben. Dat spul rook naar een oude schoenendoos en moest twaalf uur intrekken. Prioderm ruikt naar niks en werkt binnen een kwartier. Ik kijk op de klok. Vier uur. Als het goed is ben ik luisvrij en gewassen tegen te tijd dat de moeder van Maes op de stoep staat. Vergenoegd pak ik de iPad. Illegaal, want het is nog lang geen vijf uur, maar mama heeft teveel aan haar hoofd. Met ruwe streken rasp ik mijn nagels over mijn vette haarwortels, terwijl ik met mijn vrije hand swipe langs de nieuwe LaDress-jurken binnen 5 kilometer van mijn postcode in maat L.

Boven klinkt een harde stamp. Ik houd de kam even stil en luister. Roman joelt. Prima, niks aan de hand. Met een slijpend geluid gaat de ijzeren luizenkam weer door het vette haar. Op het witte vel papier voor mij op tafel liggen talloze zwarte puntjes en streepjes. ‘Mama gaat even de haren uitspoelen’, zeg ik tegen niemand in het bijzonder. De iPad springt op zwart. Boven smeer ik de shampoo over de vette plukken heen. Het schuim slaat meteen dood, als bier in een vet glas. Ik spoel er wat heet water over heen. Na vijf shampoobeurten is de fles shampoo leeg, maar mijn haar is nog net zo vet als net na de behandeling. Dat is vreemd. Ik voel de kramp in mijn wervels van mijn kromme houding aan de wastafel. Wat nu. Ik denk aan alle ontvetters die wij in huis hebben. Antiroosshampoo? Citroensap? Afwasmiddel! Ik loop druipend de trap af en ruik even aan het rode klepje van de fles Dreft. Eigenlijk nog best aangenaam. Ik ren snel naar boven en houd de fles op zijn kop en laat de groene zeep op mijn hand lopen. Met enige aarzeling smeer ik het in mijn haar. Het begint meteen woest te schuimen, gelukkig. Ik verdeel het groene spul over de haarwortels in mijn nek en achter mijn oren. Langzaam krijgt mijn haar de stroefheid die het normaal heeft als ik teveel shampoo heb gebruikt. Terwijl het afwasmiddel intrekt is het stil. Ook in de kamer van mijn zoon. Ik sta met mijn handen op de rand van de wastafel. Zou het wel goed gaan daar? Dan kneed ik de schuimmassa tot een knot, draai er een handdoek omheen en loop naar de kinderkamer. De kamer is een slagveld van lego, lakens en knuffels. ‘Roman?’, zeg ik tegen de rommel, terwijl ik aan mijn schedel krab. Die kriebel kan een allergische reactie zijn op het afwasmiddel. Ik besluit te stoppen met krabben. De deurbel gaat.

Met de handdoek op mijn hoofd geknoopt ren ik snel de trap af. In mijn vlucht langs de woonkamer zie ik twee jongetjes zwijgend bij de iPad zitten. Wanneer ik de deur open doe, zie ik dat de make-up van de moeder van Maes nog precies zo zit zoals eerder op de dag. ‘Ik kon nog net voor dwarsfluit langskomen’, legt de moeder van Maes uit wanneer ik open doe. ‘Heeft Maes zijn schoenen al aan?’ vervolgt ze met een schuin oog op de handdoek. Mijn hoofdhuid kriebelt nu niet meer, hij jeukt. Ik buk en neem de schoenen van Maes mee naar de huiskamer. Snel duw ik zijn voeten erin, terwijl hij blijft staren naar het beeldscherm op de tafel. Ik begeleid het jongetje naar de hal en leg zijn jas over zijn schouder. Op mijn hoofd begint het nu te branden. Dat schuim moet eruit. Straks ben ik kaal en is mijn hoofd nog groen ook. ‘Het was gezellig’, zeg ik nog.

‘Wat zeg je dan?’ vraag de moeder van Maes.

‘Bedankt voor het spelen’, zegt Maes verveeld.

‘Leuk dat je er was’, zeg ik en duw de deur al een beetje dicht. De moeder taxeert mij nog eens van boven tot onder, en neemt dan haar zoon mee.

Ik ren terug naar boven. Het verlossende water spoelt over mijn hoofd. De vermoeidheid trekt langs mijn nekwervels. Langzaam kom ik overeind en kijk in de spiegel. Mijn haar zit er nog aan, maar daar is ook alles mee gezegd. Het ziet eruit als bruin touw en druipt op mijn schouders. Mijn ogen staan vermoeid, de ooghoeken zijn blauw. Dat heb ik nog nooit gezien bij de moeder van Maes. Terwijl ik met schaamte terugdenk aan de kinderen op de iPad, verschijnt er langzaam een glimlach op mijn gezicht. Dat zag er wel heel knus uit, met die koppies bij elkaar. Met een bezwerende blik zeg ik tegen de spiegel: ‘Wacht maar dame. Over een paar dagen. Dan krijg jij ook De Brief.’

1 reactie

jor-adam

zaterdag, 13:18

Heerlijk verhaal!

0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam