Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De onbevangen blik van Joseph Hangjas

Door Bart van Brunschot

Nadat een buurjongetje had aangebeld om te zeggen dat zijn voetbal op het dak van de garages terecht was gekomen, was Joseph Hangjas de achtertuin ingelopen terwijl hij uit de bijkeuken een trapje en een bezem meenam. Via het trapje kon hij met de bezem de bal terug de straat op duwen. Toen het aandoenlijke dank u wel! was weggeëbd, zette hij de bezem naast zich op de grond en bleef op het trapje staan. Hij kneep zijn ogen fijn en zag op het dak zwerfkeien en struikgewas tegen de achtergrond van een loodgrijze horizon. Een onnatuurlijk brede, loodgrijze horizon, maar dat stoorde hem niet. Net zomin als de vliegtuigen die gierend aan een onzichtbaar touwtje naar een punt ergens achter hem naar de grond werden getrokken. Met die overlast was hij opgegroeid. Als kind kon hij op vakantie zelfs niet slapen van de stilte.

Het was iets van de laatste tijd; naar iets kijken met wat hij een onbevangen blik noemde. De woorden loslaten die stonden voor wat hij zag. Verwondering had hij ook overwogen, of verbeelding. Ook dat waren begrippen die hem wel aanspraken. Maar onbevangen associeerde hij toch meer met het loslaten van woorden die ergens voor stonden en anders wel met de blik van een kind dat nog niet alles wat ie zag kon verwoorden. Onbevangen wekte het alledaagse verbazing. Daarom stoorde de onnatuurlijk brede, loodgrijze horizon hem niet. Die was voor iemand zonder onbevangen blik niet meer dan de zinken dakrand van de garages die aan zijn tuintje grensden. De zwerfkeien waren de kiezels op het dak van die garages en het struikgewas het mos tussen de kiezels. Maar als hij de kiezels, het mos en de dakrand liet voor wat ze waren, die woorden losliet en zijn ogen fijnkneep, dan zag hij zwerfkeien en struikgewas tegen een loodgrijze horizon. Ook woorden, maar niet waarvoor ze stonden, geen kiezels en mos en een zinken dakrand. En dan te bedenken dat er ooit, ergens, op een andere plek zomaar iemand zou kunnen zijn die juist kiezels en mos zag in plaats van zwerfkeien en struikgewas. Tenminste, als die persoon niet alleen de woorden losliet die stonden voor wat ie zag, maar ook zijn ogen fijnkneep. Dat maakte het allemaal, het alledaagse, des te verbazingwekkender.

Een onbevangen blik liet zich niet zomaar opentrekken. Het was een blik waar hij zich voor was gaan openstellen. Alleen zo diende de blik zich aan. Vroegrijp door het verlies van zijn moeder, had hij al snel een leeftijd bereikt waarin verbazing en verwondering plaats waren gaan maken voor irritatie en verveling. Of irritatie en verveling, het was de verveling die hem begon te irriteren. Alsof veel dingen om hem heen -en dan vooral in zijn natuurlijke, organische omgeving- met hun naam een eigen, vaste plek hadden gevonden en zich daarbij onveranderlijk hadden neergelegd. Op het lethargische af. Een lethargie die zich in het verlies dat hij had geleden van hem meester had gemaakt. Zelfs een verfijning van wat hij om zich heen zag, een soortnaam, of het nou een kastanjeboom was of een paardenbloem, een lapjeskat of een vrouwenboezem, veranderde niets aan die verveling.

Als al het natuurlijke in zijn omgeving een plek had omdat al het natuurlijke in zijn omgeving een naam had, als dat de regel van het spel was, het spel dat het bewustzijn van het menselijk leven grotendeels bepaalde, dan moest hij op een moment van uiterste irritatie besloten hebben om niet het spel maar de spelregel te veranderen. Of nee, om zich open te stellen voor een andere spelregel, voor het loslaten van woorden die ergens voor stonden, voor een ander bewustzijn om de verveling te verdrijven.

Hij besefte maar al te goed dat de onbevangen blik waarmee hij zijn verveling probeerde te verdrijven een kunstgreep was, een hersenspinsel. Het was niet zo dat een onbevangen blik zijn ogen sloot voor wat er werkelijk toe deed. Zo lagen er in de verveling, in het feit dat zijn bewustzijn met het verstrijken der jaren was afgestompt, ook andere kwesties besloten. Want lamlendigheid wilde niet zeggen dat hij ophield kritisch op zichzelf te zijn. Integendeel, zijn zelfkritiek was als een gebed zonder einde. Een kwestie die bijvoorbeeld maar rond bleef spoken tussen zijn oren was de onvermijdelijke schuldvraag. Was het geen schande om verveeld in het leven te staan? Was het niet juist een eer om met een bewustzijn op zich, vrij van noemenswaardige fysieke klachten, met een dak boven zijn hoofd en een natje en een droogje door het leven te gaan? Om zo in het leven te staan?

Nadat zijn gedachten genoeg waren afgedwaald naar wat geen kiezels en mos en een zinken rand op het dak van de garages meer waren terwijl de vliegtuigen gierend aanvlogen, was hij van het keukentrapje afgestapt en in de openslaande deur naar zijn tuintje gaan zitten. Als hij de schuldvraag wegwuifde, al was het maar voor even, dan moest hij om te beginnen toch vaststellen dat de oorzaak voor zijn verveling heus wel wat meer was dan een taalkwestie. In een vergevingsgezinde bui, en dat was hij bij wijze van beloning voor het plezier dat hij het aandoenlijke buurjongetje had gedaan, maakte hij zichzelf wijs dat zijn beslommeringen van alle tijden waren en dan vooral van een bepaalde leeftijd. Als hij aardde naar zijn moeder, had hij nu ongeveer de helft van zijn leeftijd bereikt. In die fase waren er wel meer mensen die niet meer wisten hoe ze het leven simpelweg moesten vieren en waarom ook alweer. In deze gedachtegang viel op het miserabele van zijn situatie wel wat af te dingen. Hij stond in ieder geval niet alleen. Daar had hij zich gevoelsmatig bij neer kunnen leggen, maar zo werkte het niet in zijn hoofd. Ook in een mild gestemde gedachtegang lag verveling op de loer die hij te lijf ging door met woorden te spelen. Want hing de zin van het leven niet samen met de betekenis van het leven? En speelde in de betekenis van het leven taal niet een sleutelrol? Wat was dan nog de waarde van een onbevangen blik? Waarom de taal loslaten die een leven, in ieder geval een mensenleven, juist betekenis gaf? Zo werd zelfs een mild gestemde gedachtegang een cirkelredenering waarin de zin van het leven naadloos overliep in een taalkwestie.

Hoe langer hij in de openslaande deur naar zijn tuintje bleef zitten malen, hoe kleiner de kringetjes werden die zijn gedachten aflegden, net zo lang totdat het dieptepunt in zicht kwam. Natuurlijk tekende de onvermijdelijke schuldvraag zich daarin af en de schaamte die eruit opborrelde, maar het residu was toch wel de conclusie dat als hij zich niet al doodverveelde, hij zich dood zou moeten schamen. Twee uitdrukkingen, één gemene deler. Hij had het kunnen weten toen duidelijk werd dat de ‘kibbesoeb’ weer was mislukt. Als er al iets was dat de herinnering aan zijn moeder levend hield, dan was het de kippensoep in de geest van het recept dat zij hem had nagelaten. Aangeslagen stond hij op om het brouwsel op te warmen dat over was van de vorige dag. De dood was de onbevangen blik voorbij.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch